Uitspraak 05.94

Niet-ontvankelijk


Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op 20 februari 2006 de volgende uitspraak gedaan op het beroep van

mevrouw……….., wonende te Rotterdam, verder: appellante,

tegen

de examencommissie van de Faculteit der Economische Wetenschappen, hierna: verweerder.



Ontstaan en loop van het geding

Appellante heeft een beroepschrift d.d. 22 november 2005 ingediend tegen de beslissing van verweerder d.d. 19 oktober 2005. Dit beroep is op 22 november 2005 ontvangen door het college. Op 23 november 2005 heeft het college appellante uitgenodigd de redenen aan te geven dat zij niet binnen de wettelijke termijn van vier weken beroep heeft ingediend. Appellante heeft hierop gereageerd bij brief van 30 november 2005.

Het college heeft op 23 november 2005 verweerder verzocht om na te gaan of het geschil minnelijk kan worden geschikt en het resultaat van deze poging voor 14 december 2005 aan het college mede te delen.

Verweerder reageerde hierop bij brief van 6 februari 2006.

Onder toepassing van artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is wegens de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep afgezien van het houden van een hoorzitting.

Overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid

Artikel 7.61, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor de Examens vier weken bedraagt. In artikel 6.8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9 lid 1 Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

De bestreden beslissing is gedateerd op 19 oktober 2005. De beroepstermijn begon te lopen op 20 oktober 2005, de laatste dag van de beroepstermijn was 16 november 2005. Het beroepschrift is op 22 november 2005 ontvangen.

Vaststaat dat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ontvangen.

Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Appellante heeft, gevraagd naar de reden voor overschrijding van de termijn, onder meer aangegeven dat het bestreden besluit niet voorzien was van concrete informatie over beroepsmogelijkheden. Er wordt voor beroepsmogelijkheden weliswaar verwezen naar het Instellingsdeel van het Studentenstatuut, aldus appellante, maar niet naar de plaats waar dit document gevonden kan worden.

Het college ziet in hetgeen door appellante is aangevoerd onvoldoende grond om de termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten.

Niet betwist is dat onderaan de bestreden beslissing gewezen wordt op de mogelijkheid van het instellen van beroep. Naar het oordeel van het college mag van studenten worden gevraagd dat zij zelf actief informatie verzamelen over de inhoud van deze mogelijkheid. Informatie over de beroepstermijn is onder meer opgenomen op de site over het studentenstatuut/rechtsbescherming waarnaar appellante zelf verwijst in haar reactie van 30 november 2005. Dat appellante eerst contact heeft opgenomen met – het secretariaat van – de examencommissie komt voor haar rekening en risico. Appellante had naar het oordeel van het college binnen de beroepstermijn een pro forma beroepschrift – dat wil zeggen: een beroepschrift zonder gronden – kunnen indienen om de termijn veilig te stellen.

Op grond van het vorenstaande is het college van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Uitspraak

Het college verklaart het beroep van appellante niet-ontvankelijk.