ABD Homepage   Juridische Zaken   Informatie voor studenten   College van Beroep voor de Examens   Uitspraken 2006   Uitspraak 05.98

Uitspraak 05.98

Plagiaat


Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op 6 maart 2006 de volgende uitspraak gedaan op het beroep van

..., wonende te Rotterdam, verder: appellant,

tegen

de examencommissie RSM Erasmus University, hierna: verweerder.



I. Ontstaan en loop van het geding

Appellant heeft een ongedateerd inleidend beroepschrift, ontvangen d.d. 13 december 2005, en een aanvullend beroepschrift d.d. 29 december 2005 ingediend tegen de beslissing van verweerder d.d. 17 november 2005, waarbij de examencommissie maatregelen heeft genomen in verband met gepleegd plagiaat in een werkstuk van een groep van drie studenten, waaronder appellant.

Op 3 januari 2006 zond het college het beroepschrift in afschrift aan verweerder met het verzoek om na te gaan of een minnelijke schikking met appellant kon worden getroffen en het resultaat daarvan voor 24 januari 2006 mee te delen aan het college. Op 19 januari 2006
vond een schikkingsgesprek plaats. Bij schrijven van 23 februari 2006 heeft verweerder meegedeeld dat geen minnelijke schikking is bereikt. Dat schrijven bevatte tevens het verweerschrift.

Het beroep is door het CBE behandeld ter openbare zitting van het college op 6 maart 2006, waar appellant in persoon is verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door dr. R. Kuik, vice-voorzitter examencommissie RSM Erasmus University en mw.mr. C.M. Dirks-van den Broek, secretaris examencommissie RSM Erasmus University.

II. Motivering

  1. Appellant heeft samen met twee andere studenten voor het vak ‘E-Marketing: marketing strategies for future success’ een werkstuk getiteld ‘Changing Marketing’ ingeleverd. De docent van het vak heeft op 7 oktober 2005 de examencommissie bericht dat de betrokken drie studenten mogelijk fraude hebben gepleegd met dit werkstuk. De docent heeft geconstateerd dat grote gedeelten in opzet en analyse overeenkomen met de scriptie ‘De impact van het internet op marketing communicatie’ van Steef de Winter, zonder dat dit in het werkstuk duidelijk is gemaakt met een adequate verwijzing. Slechts twee van de tien hoofdstukken zijn volgens de docent als eigen werk te bestempelen. De examencommissie heeft vervolgens op 11 oktober 2005 de drie studenten uitgenodigd voor een gesprek met de examencommissie op 24 oktober 2005. De studenten stellen in dat gesprek te goeder trouw te hebben gehandeld: zij hebben de auteur en de titel van de scriptie wel in hun werkstuk genoemd (niet in de literatuurlijst). Verder stellen studenten dat het cijfer voor het vak al enige tijd is vastgesteld en dat het cijfer mede is gebaseerd op participatie en presentatie. De docent heeft naar aanleiding hiervan aangegeven dat een herbeoordeling van het werkstuk niet mogelijk is omdat slechts enkele hoofdstukken eigen werk zijn. De participatie is volgens de docent slechts marginaal meegewogen bij de totstandkoming van het eindcijfer voor het vak. Er is geen apart cijfer voor participatie toegekend. De examencommissie besluit hierop om het resultaat voor het
    werkstuk en daarmee het cijfer voor het vak ongeldig te verklaren. Studenten kunnen het vak eerst in het voorjaar van 2006 herkansen.

  2. Appellant komt tegen dit besluit in beroep. Hij stelt - kort samengevat - dat hij geen fraude heeft gepleegd, maar een groepsgenoot van appellant. Deze groepsgenoot heeft dat volgens appellant ook onomwonden toegegeven. Appellant stelt dat de fraude niet aan hem kan worden toegerekend. Het is geheel buiten hem om gegaan.Voorts is de bron vermeld in de literatuurlijst volgens appellant. De docent heeft de mogelijkheid gehad, aldus appellant, deze bronnen te raadplegen en de originaliteit van het werkstuk vast te stellen.

    Appellant was ervan uitgegaan dat hij dit vak gehaald had nadat het cijfer op Osiris online bekend gemaakt was. Het systeem van Osiris online mag beschouwd worden als een waarheidsgetrouw middel waarop een student zich kan baseren en op kan vertrouwen. Daarbij past niet om pas na vijf maanden het cijfer alsnog ongeldig te verklaren, aldus appellant. Voorts brengt appellant naar voren dat de examencommissie met twee verschillende besluiten binnen een week blijk geeft van onjuist handelen.

    Appellant merkt verder nog op dat het cijfer voor het vak niet alleen op het werkstuk is gebaseerd maar ook op participatie en presentatie. Maatregelen voor fraude kunnen alleen betrekking hebben op het onderdeel ‘werkstuk’, niet op participatie en presentatie.

  3. Verweerder stelt dat vaststaat dat de groep fraude heeft gepleegd. Zij is van oordeel dat bij een groepsopdracht uitgangspunt moet zijn dat elk groepslid verantwoordelijk is voor het eindproduct. Ook indien een groepslid de schuld op zich neemt, en dit ook onomstotelijk vast komt te staan, dan nog is het de vraag of het eindproduct of onderdelen daarvan nog beoordeelbaar is of zijn. Het hele werkstuk is doordrenkt van plagiaat, aldus verweerder. In die situatie kan van de examencommissie niet gevraagd worden deze gordiaanse knoop te ontwarren. Wat blijft is een niet-beoordeelbaar werkstuk, aldus verweerder.

    M.b.t. het intrekken van geregistreerde cijfers is verweerder van mening dat cijfers bij uitzondering ingetrokken moeten kunnen worden, zoals in geval van gebleken fraude. Het gaat hierbij niet om een fout van de docent of organisatie, maar van de student zelf. In dit geval heeft de docent zo snel mogelijk gereageerd nadat hij het plagiaat had ontdekt, te weten drie maanden na vaststelling van het cijfer. Voorts stelt verweerder dat voor de vaststelling van een maatregel in geval van fraude het niet van belang is dat het cijfer ook nog is gebaseerd op participatie en presentatie.

  4. Ter zitting gaat appellant nader in op de vraag hoe het werkstuk tot stand gekomen is. Onderling werd een taakverdeling gemaakt. Eén van de groepsgenoten heeft ideeën aangeleverd, een ander groepslid schreef de inleiding en appellant heeft er één geheel van gemaakt. Naar later is gebleken, aldus appellant, was de inleiding te letterlijk overgenomen van een ander werk. Appellant stelt dat hij daarvan tevoren niet op
    de hoogte is geweest. Hij vindt het oneerlijk dat hij wordt gestraft voor daden van een ander waar hij part noch deel aan heeft gehad. Hij wijst erop dat het desbetreffende groepslid ook heeft toegegeven plagiaat te hebben gepleegd. Verweerder merkt op dat het nooit 100% is vast te stellen dat andere groepsleden niet hebben gefraudeerd. Er zijn verweerder gevallen bekend waarbij één groepslid alle schuld op zich nam.
    Desgevraagd geeft appellant aan het probleem van de examencommissie op het punt van het ontwarren van de gordiaanse knoop wel te begrijpen. Desalniettemin vraagt hij zich toch af hoe hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor iets waar hij niets aan kan doen. Het was verplicht om het werkstuk als een geheel in te leveren. Voorts beschikt appellant niet over de (technische) middelen om na te gaan of er plagiaat was gepleegd alvorens het stuk in te leveren.


    Desgevraagd geeft hij aan zich te hebben ingeschreven voor een ander elective.
    Hij wil het stuk niet herschrijven, omdat hij dan toegeeft, aldus appellant, dat hij zou hebben gefraudeerd of zou hebben geweten dat zijn mede-groepslid heeft gefraudeerd.

    Appellant vindt het vreemd dat de docent na zo’n lange tijd nog kan terugkomen op een cijfer dat al openbaar is gemaakt. Hij stelt dat hij moet kunnen vertrouwen op cijfers in Osiris online. M.b.t participatie en presentatie merkt appellant op dat de participatie zou meewegen bij de uiteindelijke beoordeling voor het vak. Er was zelfs een prijs voor de beste presentatie, aldus appellant. Appellant merkt op dat bij de participatie en presentatie wel een individuele beoordeling gegeven kan worden.
    Appellant heeft zich zeer gestoord aan het feit dat op de cijferlijst in Osiris online de aanduiding ‘FR’ staat, terwijl het beroep nog loopt. Het geeft volgens hem aan de onzorgvuldige wijze waarop verweerder is omgegaan met deze zaak. Verweerder merkt op dat dat een geheugensteun is voor de examenadministratie om te voorkomen dat er een ander cijfer voor in de plaats komt.

  5. Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.

    Een groep van drie studenten heeft een werkstuk ingeleverd. Niet in geding is dat bij het vervaardigen van desbetreffend groepswerkstuk plagiaat is gepleegd door teksten zonder juiste bronvermelding en zonder gebruik van aanhalingstekens uit werk van een ander over te nemen. Niet weersproken is de bewering van de docent dat slechts twee van de tien hoofdstukken geheel als eigen werk van de groep zijn te bestempelen. De bewering van appellant dat de bedoelde bron zou zijn vermeld in de literatuurlijst behorende bij het werkstuk is aantoonbaar onjuist.

    Het college is van oordeel dat i.c. de groep een gezamenlijke verantwoordelijkheid draagt voor -de inhoud van- het groepswerkstuk. Dat is in wezen inherent aan het werken in een groep waarbij het groepsresultaat niet te herleiden is tot individuele prestaties van ieder van de groepsleden, wat er verder ook zij van de onderlinge taakverdeling binnen de groep. Het werkstuk is als één geheel ingeleverd.
    Doordat bij het maken van het groepswerkstuk plagiaat is gepleegd in een omvang als hiervoor is aangegeven, kan de docent zich geen, althans geen goed oordeel vormen over de kennis, inzicht en vaardigheden van deze groep studenten. Dat heeft gevolgen voor alle deelnemers aan de groep. Verweerder is op juiste gronden gekomen tot een ongeldigverklaring van het cijfer voor alle groepsgenoten.

    Het college volgt appellant niet in zijn bewering dat verweerder eerst zou hebben besloten dat geen fraude was gepleegd en binnen een week van besluit zou zijn veranderd in die zin dat er wel sprake was van fraude. Het college wijst erop dat verweerder in haar emailbericht van 31 oktober 2005 duidelijk heeft aangegeven dat het een voorlopige conclusie van verweerder betrof, welk voorlopig standpunt nadien werd gevolgd door een definitief oordeel.

    Met betrekking tot het intrekken van een eenmaal geregistreerd en bekend gemaakt cijfer overweegt het college als volgt.
    Ten eerste rijst de vraag of de examinator c.q. examencommissie bevoegd is om een al openbaar gemaakt cijfer in te trekken c.q. ongeldig te verklaren. De wet noch de onderwijs- en examenregeling bevatten dienaangaande enige bepaling. Het college is van opvatting dat in beginsel cijfers alsnog kunnen worden ingetrokken c.q. alsnog ongeldig kunnen worden verklaard wanneer aan de examinator c.q. examencommissie nieuwe ernstige feiten en omstandigheden zijn gebleken, i.c. het vaststellen van fraude. Het is het college niet gebleken dat de daarbij vereiste zorgvuldigheid niet in acht is genomen door verweerder. Daarbij kent het college ook betekenis er aan toe dat spoedig na het ontdekken van het plagiaat maatregelen zijn genomen. De termijn tussen openbaarmaking en vervallen verklaring van het cijfer acht het college binnen de redelijkheidsgrens, mede erop gelet dat het voor het college niet vaststaat dat de docent eerder had kunnen weten van het gepleegde plagiaat. Het kan naar de mening van het college de docent niet verweten worden dat hij op het moment van de beoordeling niet wist dat het werk voor een (groot) deel gebaseerd was op de scriptie van een andere student.

    Tot slot de vraag of evenredigheid bestaat tussen de ernst van de gepleegde fraude en de zwaarte van de opgelegde sanctie. Het college is van oordeel dat het i.c. gaat om een ernstige vorm van fraude, aan het collectief van de groep toe te rekenen, waarvoor naar de mening van het college in de omstandigheden van het geval een relatief milde sanctie aan appellant is opgelegd. Van onevenredigheid is zeker geen sprake.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden beslist als volgt.


III. Uitspraak

Het college verklaart het beroep van appellant ongegrond.