ABD Homepage   Juridische Zaken   Informatie voor studenten   College van Beroep voor de Examens   Uitspraken 2006   Uitspraak 05.99

Uitspraak 05.99

Plagiaat


Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op 6 maart 2006 de volgende uitspraak gedaan op het beroep van

..., wonende te Rotterdam, verder: appellant,

tegen

de examencommissie RSM Erasmus University, hierna: verweerder.



I. Ontstaan en loop van het geding

Appellant heeft een ongedateerd inleidend beroepschrift, ontvangen d.d. 14 december 2005, en een aanvullend beroepschrift d.d. 4 januari 2006 ingediend tegen de beslissing van verweerder d.d. 17 november 2005, waarbij de examencommissie maatregelen heeft genomen in verband met gepleegd plagiaat in een werkstuk van een groep van drie studenten, waaronder appellant.

Op 5 januari 2006 zond het college het beroepschrift in afschrift aan verweerder met het verzoek om na te gaan of een minnelijke schikking met appellant kon worden getroffen en het resultaat daarvan voor 25 januari 2006 mee te delen aan het college. Op 20 januari 2006
vond een schikkingsgesprek plaats. Bij schrijven van 24 februari 2006 heeft verweerder meegedeeld dat geen minnelijke schikking is bereikt. Dat schrijven bevatte tevens het verweerschrift.

Het beroep is door het CBE behandeld ter openbare zitting van het college op 6 maart 2006, waar appellant in persoon is verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door, vice-voorzitter examencommissie RSM Erasmus University en secretaris examencommissie RSM Erasmus University.

II. Motivering

  1. Appellant heeft samen met twee andere studenten voor het vak ‘E-Marketing: marketing strategies for future success’ een werkstuk getiteld ‘Changing Marketing’ ingeleverd. De docent van het vak heeft op 7 oktober 2005 de examencommissie bericht dat de betrokken drie studenten mogelijk fraude hebben gepleegd met dit werkstuk. De docent heeft geconstateerd dat grote gedeelten in opzet en analyse overeenkomen met de scriptie ‘De impact van het internet op marketing communicatie’ van Steef de Winter, zonder dat dit in het werkstuk duidelijk is gemaakt met een adequate verwijzing. Slechts twee van de tien hoofdstukken zijn volgens de docent als eigen werk te bestempelen. De examencommissie heeft vervolgens op 11 oktober 2005 de drie studenten uitgenodigd voor een gesprek met de examencommissie op 24 oktober 2005. De studenten stellen in dat gesprek te goeder trouw te hebben gehandeld: zij hebben de auteur en de titel van de scriptie wel in hun werkstuk genoemd (niet in de literatuurlijst). Verder stellen studenten dat het cijfer voor het vak al enige tijd geleden is vastgesteld en dat het cijfer mede is gebaseerd op participatie en presentatie. De docent heeft naar aanleiding hiervan aangegeven dat een herbeoordeling van het werkstuk niet mogelijk is omdat slechts enkele hoofdstukken eigen werk zijn. De participatie is volgens de docent slechts marginaal meegewogen bij de totstandkoming van het eindcijfer voor het vak. Er is geen apart cijfer voor participatie toegekend. De examencommissie besluit hierop om het resultaat voor het werkstuk en daarmee het cijfer voor het vak ongeldig te verklaren. Studenten kunnen het vak eerst in het voorjaar van 2006 herkansen.

  2. Appellant komt tegen dit besluit in beroep. Hij stelt - kort samengevat - dat hij niet heeft gefraudeerd, maar een ander lid van de groep van drie. Appellant heeft naar zijn zeggen te goeder trouw samengewerkt met deze persoon en kon niet vermoeden dat deze persoon zou frauderen. Appellant is van mening dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het plagiaat dat door een groepsgenoot is gepleegd. Appellant stelt van het plagiaat van zijn groepsgenoot niet te hebben geweten. Voorts stelt appellant dat na de vaststelling van het cijfer ruim zes maanden zijn verstreken voordat fraude werd geconstateerd. Appellant vindt dat zij na die periode hierop niet meer kunnen worden aangesproken. Hij stelt verder dat de examencommissie eerst van mening was dat er geen fraude was gepleegd, en pas na overleg met de docent besloot dat er wel was gefraudeerd. Appellant vindt dat de examencommissie hier niet onafhankelijk heeft geopereerd.

  3. Verweerder stelt dat vaststaat dat de groep fraude heeft gepleegd. Zij is van oordeel dat bij een groepsopdracht uitgangspunt moet zijn dat elk groepslid verantwoordelijk is voor het eindproduct. Ook indien een groepslid de schuld op zich neemt, en dit ook onomstotelijk vast komt te staan, dan nog is het de vraag of het eindproduct of onderdelen daarvan nog beoordeelbaar is of zijn. Het hele werkstuk is doordrenkt van plagiaat, aldus verweerder. In die situatie kan van de examencommissie niet gevraagd worden deze gordiaanse knoop te ontwarren. Wat blijft is een niet-beoordeelbaar werkstuk, aldus verweerder.

    M.b.t. het intrekken van geregistreerde cijfers is verweerder van mening dat cijfers bij uitzondering ingetrokken moeten kunnen worden, zoals in geval van gebleken fraude. Het gaat hierbij niet om een fout van de docent of organisatie, maar van de student zelf. In dit geval heeft de docent zo snel mogelijk gereageerd nadat hij het plagiaat had ontdekt, te weten drie maanden na vaststelling van het cijfer. Op of omstreeks 1 juli 2005 werd het cijfer geregistreerd in Osiris online.

    Voorts stelt verweerder dat voor de vaststelling van een maatregel in geval van fraude het niet van belang is dat het cijfer ook nog is gebaseerd op participatie en presentatie.

  4. Ter zitting geeft appellant aan dat tijdens het eerste college van het vak groepjes van drie studenten worden gevormd. De groepjes worden dan veelal op basis van toevallige omstandigheden samengesteld (bijvoorbeeld studenten die naast elkaar in de collegebank zitten). Desgevraagd bevestigt verweerder dat het bij dit vak niet mogelijk is om het werkstuk alleen te schrijven. Het is verplicht om in een groep te participeren. De wijze waarop het groepsgebeuren vorm krijgt en wat precies van elk van de groepsgenoten wordt verwacht is volgens verweerder overigens niet expliciet vastgelegd.
    De groep van appellant sprak onderling een taakverdeling af. Appellant zou zijn ideeen over het door de groep gekozen onderwerp op papier zetten en zover mogelijk uitwerken. Eén groepsgenoot zou deze ideeën in een wetenschappelijke context zetten door het schrijven van een introductie en door het vinden van aanvullend materiaal (plaatjes en figuren e.d.). Een derde groepsgenoot zou van de input van appellant en die van de tweede groepsgenoot 1 geheel maken. Deze verdeling zou neerkomen op een gelijkwaardige verdeling van taken. Elk lid van de groep was verantwoordelijk voor 1/3 deel van het werk. Appellant stelt zelf een goed en origineel stuk geschreven te hebben voor het werkstuk. De bijdrage van de groepsgenoot was, naar later is gebleken, geheel gebaseerd op een stuk dat deze groepsgenoot online had gevonden. Ook de aanvullende plaatjes en grafieken waren gebaseerd op dit online werkstuk van een ander, aldus appellant. Pas nadat de groep van fraude was beschuldigd is dit aan appellant medegedeeld door de betrokken groepsgenoot die plagiaat heeft gepleegd. Appellant stelt met klem dat hij niet heeft gefraudeerd en er ook niet van op de hoogte is geweest. Appellant heeft naar zijn zeggen het werkstuk nog gecheckt op fraude door middel van fraude controle software. Die actie leverde niets op, aldus appellant. Appellant zegt niet akkoord te kunnen gaan met een schikkingsvoorstel wanneer daarbij blijft staan dat hij fraude heeft gepleegd.
    Appellant wil niet dat hij verantwoordelijk wordt gehouden voor daden van een ander waar hij niets aan kon doen. Hij merkt nogmaals op ook geen keuze te hebben gehad om het werkstuk al dan niet alleen te schrijven. Appellant heeft niet voor een groep gekozen.

    Appellant brengt naar voren dat hij op basis van zijn participatie, de presentatie en het deel van het werkstuk dat hij heeft geschreven een voldoende resultaat heeft neergezet voor het vak. Hij is van mening dat hij de punten voor dit vak verdient. Appellant stelt dat het niet zijn probleem is dat het cijfer voor dit vak niet te splitsen is naar individuele cijfers.

    Ter zitting geeft appellant aan niet te kunnen leven met het schikkingsvoorstel van verweerder waarbij appellant het werkstuk zou moeten herschrijven. Appellant merkt op voor zichzelf dit vak te hebben afgesloten en hij wil liever een geheel nieuw vak gaan doen.

  5. Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.

    Een groep van drie studenten heeft een werkstuk ingeleverd. Niet in geding is dat bij het vervaardigen van desbetreffend groepswerkstuk plagiaat is gepleegd door teksten zonder juiste bronvermelding en zonder gebruik van aanhalingstekens uit werk van een ander over te nemen. Niet weersproken is de bewering van de docent dat slechts twee van de tien hoofdstukken geheel als eigen werk van de groep zijn te bestempelen.

    Het college is van oordeel dat i.c. de groep een gezamenlijke verantwoordelijkheid draagt voor -de inhoud van- het groepswerkstuk. Dat is in wezen inherent aan het werken in een groep waarbij het groepsresultaat niet te herleiden is tot individuele prestaties van ieder van de groepsleden, wat er verder ook zij van de onderlinge taakverdeling binnen de groep. Het werkstuk is als één geheel ingeleverd.
    Doordat bij het maken van het groepswerkstuk plagiaat is gepleegd in een omvang als hiervoor is aangegeven, kan de docent zich geen, althans geen goed oordeel vormen over de kennis, inzicht en vaardigheden van deze groep studenten. Dat heeft gevolgen voor alle deelnemers aan de groep. Verweerder is op juiste gronden gekomen tot een ongeldigverklaring van het cijfer voor alle groepsgenoten.

    Het college volgt appellant niet in zijn bewering dat verweerder eerst zou hebben besloten dat geen fraude was gepleegd en binnen een week van besluit zou zijn veranderd in die zin dat er wel sprake was van fraude. Het college wijst erop dat verweerder in haar emailbericht van 31 oktober 2005 duidelijk heeft aangegeven dat het een voorlopige conclusie van verweerder betrof, welk voorlopig standpunt nadien werd gevolgd door een definitief oordeel.

    Met betrekking tot het intrekken van een eenmaal geregistreerd en bekend gemaakt cijfer overweegt het college als volgt.
    Ten eerste rijst de vraag of de examinator c.q. examencommissie bevoegd is om een al openbaar gemaakt cijfer in te trekken c.q. ongeldig te verklaren. De wet noch de onderwijs- en examenregeling bevatten dienaangaande enige bepaling. Het college is van opvatting dat in beginsel cijfers alsnog kunnen worden ingetrokken c.q. alsnog ongeldig kunnen worden verklaard wanneer aan de examinator c.q. examencommissie nieuwe ernstige feiten en omstandigheden zijn gebleken, i.c. het vaststellen van fraude. Het is het college niet gebleken dat de daarbij vereiste zorgvuldigheid niet in acht is genomen door verweerder. Daarbij kent het college ook betekenis er aan toe dat spoedig na het ontdekken van het plagiaat maatregelen zijn genomen. De termijn tussen openbaarmaking en vervallen verklaring van het cijfer acht het college binnen de redelijkheidsgrens, mede erop gelet dat het voor het college niet vaststaat dat de docent eerder had kunnen weten van het gepleegde plagiaat. Het kan naar de mening van het college de docent niet verweten worden dat hij op het moment van de beoordeling niet wist dat het werk voor een (groot) deel gebaseerd was op de scriptie van een andere student.

    Tot slot de vraag of evenredigheid bestaat tussen de ernst van de gepleegde fraude en de zwaarte van de opgelegde sanctie. Het college is van oordeel dat het i.c. gaat om een ernstige vorm van fraude, aan het collectief van de groep toe te rekenen, waarvoor naar de mening van het college in de omstandigheden van het geval een relatief milde sanctie aan appellant is opgelegd. Van onevenredigheid is zeker geen sprake.

    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden beslist als volgt.

III. Uitspraak

Het college verklaart het beroep van appellant ongegrond.