ABD Homepage   Juridische Zaken   Informatie voor studenten   College van Beroep voor de Examens   Uitspraken 2006   Uitspraak 06.160

Uitspraak 06.160

Niet-ontvankelijk


Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op
27 november 2006 de volgende uitspraak gedaan op het beroep van

mevrouw ……….., wonende te ………, verder: appellante,

tegen

de examencommissie Nederlands recht, hierna: verweerder.


 

Ontstaan en loop van het geding

Appellante heeft een beroepschrift d.d. 4 oktober 2006 ingediend tegen de beslissing van verweerder d.d. 8 september 2006. Dit beroep is op 10 oktober 2006 ontvangen door het college. Op 11 oktober 2006 heeft het college appellante uitgenodigd de redenen aan te geven waarom zij niet binnen de wettelijke termijn van vier weken beroep heeft ingediend. Appellante heeft hierop gereageerd bij brief van 24 oktober 2006.


Onder toepassing van artikel 7:17 sub a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is wegens de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep afgezien van het houden van een hoorzitting.

Overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid

Artikel 7.61, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor de Examens vier weken bedraagt. In artikel 6.8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9 lid 1 Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

De bestreden beslissing is gedateerd op 8 september 2006. De beroepstermijn begon te lopen op 9 september 2006, de laatste dag van de beroepstermijn was 6 oktober 2006. Het beroepschrift is op 10 oktober 2006 ontvangen.

Vaststaat dat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ontvangen.

Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Appellante heeft, gevraagd naar de reden voor overschrijding van de termijn, aangegeven dat zij lange tijd heeft getwijfeld of zij al dan niet beroep zou instellen tegen de beslissing van de examencommissie om de geldigheid van de door haar behaalde doctoraaltentamens niet te verlengen. Uiteindelijk besloot appellante toch beroep in te stellen. Dat deed zij volgens haar zeggen op zaterdag 7 oktober 2006, na afloop van de beroepstermijn.

Het college heeft vastgesteld dat de bestreden beslissing van verweerder voorzien was van de juiste beroepsclausule.

Het college ziet in hetgeen door appellante is aangevoerd onvoldoende grond om de termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten. Appellante had naar het oordeel van het college binnen de beroepstermijn een pro forma beroepschrift – dat wil zeggen: een beroepschrift zonder gronden – kunnen indienen (om de termijn veilig te stellen) en had in de tussentijd haar gedachten kunnen opmaken of zij haar beroep wilde doorzetten. In een aanvullend beroepschrift had zij dan later de beroepsgronden kunnen aangeven.Overigens merkt het college op dat appellante al in een veel eerder stadium een verzoek tot verlenging van de geldigheidstermijn van de eerder door haar behaalde vakken had moeten indienen, gelet op de geldigheidstermijn van 8 jaar.

Op grond van het vorenstaande is het college van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Uitspraak

Het college verklaart het beroep van appellante niet-ontvankelijk.