Uitspraak 06.43
Toelating tot pre-master
Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op 21 september 2006 de volgende uitspraak gedaan op het beroep van
de heer ……., wonende te ………, verder: appellant,
tegen
de examencommissie RSM Erasmus University/International Business Administration, hierna: verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft een beroepschrift d.d. 26 juni 2006, ontvangen -via de faculteit op 30 juni 2006- d.d. 11 juli 2006, ingediend tegen de beslissing van verweerder d.d. 2 juni 2006, waarbij appellant niet werd toegelaten tot het pre-master programma. Op 12 juli 2006 zond het college het beroepschrift in afschrift aan verweerder met het verzoek om na te gaan of een minnelijke schikking met appellant kon worden getroffen en het resultaat daarvan voor 2 augustus 2006 mee te delen aan het college. Op 11 augustus 2006 berichtte verweerder dat geen schikking was bereikt. Dat schrijven bevatte ook het verweerschrift.
Het beroep is door het CBE behandeld ter openbare zitting van het college op 21 september 2006, waar appellant (met bericht) niet is verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door prof.dr. H.J. Oppelland, voorzitter en mw.mr. I. van Essen, secretaris examencommissie RSM Erasmus University/International Business Administration.
Motivering
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van verweerder om hem niet toe te laten tot het pre-masterprogramma van International Business Administration (IBA). Appellant stelt reeds in januari 2006 alle vereiste documenten te hebben toegezonden aan de examencommissie teneinde duidelijkheid te verkrijgen in hoeverre hij kon worden toegelaten, ofwel direct tot de masteropleiding (MScIBA) ofwel tot het pre-master programma. Op 16 maart 2006 vernam appellant dat hij niet direct toelaatbaar was tot de MScIBA. Bij die gelegenheid werd hij geattendeerd op de aanmeldingsprocedure voor de pre-master. Het stond appellant vrij die procedure op te starten. Op 18 april 2006 werd appellant opnieuw hierop opmerkzaam gemaakt. Appellant stelt dat de afwijzingsbrief van 2 juni in tegenspraak is met het hem eerder gegeven advies zich aan te melden voor de pre-master. Bovendien is de motivering van de afwijzing volgens appellant onvoldoende. Hij stelt verder dat zijn eerdere in Ierland afgeronde opleiding vergelijkbaar is met een bachelorgraad van een Nederlandse HBO opleiding. Appellant wijst op een verklaring van het Nuffic. Hij is van mening dat hij toegang tot dezelfde opleidingen zou moeten krijgen als studenten met een Nederlands HBO-diploma.
Voorts stelt appellant dat de criteria op grond waarvan de beslissing tot afwijzing is genomen voor hem vooraf niet bekend waren. Naar de mening van appellant heeft de hele toelatingsprocedure inmiddels ruim vijf maanden geduurd en daarme veel te lang. De procedure en de beoordeling zijn volgens hem niet correct verlopen.
- Verweerder wijst in haar verweerschrift de beschuldiging van appellant dat zijn aanmelding niet correct zou zijn verwerkt, met grote nadruk af. Verweerder stelt dat de opleiding van appellant qua breedte en diepte niet voldoet aan de eisen die binnen de RSM aan een Bachelor of Science (BSc) in Business Administration opleiding worden gesteld. Daarom komt appellant niet in aanmerking voor toelating tot de Master of Science (MSc) in Business Administration opleiding. Dat is appellant spoedig na een desbetreffende vraag van hem, medegedeeld. Appellant zou zich kunnen inschrijven voor het Bachelor programma in Business Administration, maar appellant zag daar om hem moverende redenen vanaf.
Het pre-master programma (schakelprogramma) is bedoeld voor bepaalde HBO afgestudeerden die de Master of Science in Business Administration willen volgen maar niet voldoen aan de eisen om direct in te stromen. Als de student het pre-master programma met succes heeft afgerond kan hij/zij kiezen uit alle 12 Msc in Business Administration programma’s.
Appellant is hierover op diverse manieren geïnformeerd aldus verweerder.
Op 24 april 2006 heeft appellant zich aangemeld voor toelating tot het pre-master programma. In het verweerschrift heeft verweerder de toelatingsprocedure nader toegelicht. Bij de beslissing of het mogelijk dan wel verantwoord is een student tot een pre-master programma toe te laten, wordt er met name beoordeeld welke deficiënties de student heeft, d.w.z. welke vakken de student alsnog zou moeten volgen om het voor de MSc in Business Administration noodzakelijk opleidingsniveau te bereiken. En voorts in hoeverre het dan aan te bieden schakelprogramma wellicht zo ‘individueel’ zou worden dat de student net zo goed of beter het reguliere Bachelor programma zou kunnen/moeten volgen, in plaats van het pre-master programma.
De examencommissie is na uitvoerig beraad tot het oordeel gekomen dat gelet op specifieke vooropleiding van appellant hem geen geschikt schakelprogramma (pre-master) kan worden aangeboden.
- Ter zitting licht verweerder de toelatingsprocedure voor de pre-master in Business Administration kort toe. Voor studenten die niet direct toelaatbaar zijn tot de masteropleiding kan de faculteit in geval van vier voorafgaande HBO-opleidingen een pre-master programma aanbieden. Het door appellant in het buitenland behaalde opleidingsniveau werd door de faculteit niet voldoende breed en diep geacht. Het college informeert hoe het Nuffic advies van 26 juni 2006 is meegewogen. Verweerder antwoordt dat advisering van het Nuffic hier niet nodig was. Het verzoek om toelating is beoordeeld op grond van eigen kennis, ervaring en inzichten van de examencommissie. De faculteit is overigens ook niet gebonden aan een advies van het Nuffic, aldus verweerder. Naast het niveau van de vooropleiding kijkt de examencommissie ook inhoudelijk of het gevolgde programma aansluit bij de vier Nederlandse HBO-opleidingen waarvoor een schakelprogramma bestaat.
- Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen op de zitting naar voren is gekomen als volgt.
Het college ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder alle belangen afwegend in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen.
Vaststaat dat de vooropleiding van appellant niet rechtstreeks toegang bood tot het volgen van de MSc in Business Administration. Appellant werd vervolgens gewezen (per email van 16 maart resp. 18 april 2006) op het pre-master programma. Appellant werd, zo hij daarvan gebruik wilde maken, verzocht een aanmeldingsformulier in te vullen en de gevraagde documenten in te zenden. Het college volgt appellant niet dat uit de loop van de stukken en de aan hem verzonden berichten geconcludeerd kon worden dat de uitkomst van de aanmeldprocedure zou zijn dat hij zou worden toegelaten tot de pre-master. Van gewekte verwachtingen of anderszins gedane toezeggingen is het college ook niet gebleken.
Verweerder heeft naar de mening van het college haar beslissing in het verweerschrift alsook ter zitting voldoende inzichtelijk onderbouwd. Het college is van oordeel dat de bestreden beslissing daarmee voldoende draagkrachtig is gemotiveerd.
Het is het college niet gebleken dat de procedure onzorgvuldig of anderszins onjuist zou zijn doorlopen. Nu de beslissing van verweerder ook niet op andere gronden voor vernietiging in aanmerking komt, dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.
Uitspraak
Het college verklaart het beroep van appellant ongegrond.