ABD Homepage   Juridische Zaken   Informatie voor studenten   College van Beroep voor de Examens   Uitspraken 2006   uitspraak 06.84

Uitspraak 06.84

Bindend studieadvies


Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, verder te noemen: het college, heeft op 23 oktober 2006 de volgende uitspraak gedaan inzake het beroep van

de heer …………, wonende te ………, verder: appellant,

welk beroep was gericht tegen

de beslissing van de examencommissie RSM Erasmus University, hierna: verweerder, waarbij aan appellant een negatief bindend studieadvies is gegeven.


 

Ontstaan en loop van het geding

Appellant heeft bij schrijven van 31 augustus 2006, door het college op 5 september 2006 ontvangen, beroep ingesteld tegen de beslissing van 25 augustus 2006 van verweerder, waarbij aan hem een negatief bindend studieadvies is gegeven en hem is meegedeeld dat hij zich de komende drie studiejaren niet mag inschrijven voor de studie Business Administration/Bedrijfskunde aan RSM Erasmus University.

Op 6 september 2006 heeft het college het beroepschrift in afschrift toegezonden aan verweerder, met het verzoek om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking mogelijk is en het resultaat van deze poging uiterlijk 27 september 2006 schriftelijk mee te delen aan het college. Op 5 oktober 2006 heeft een schikkingszitting plaatsgevonden. Er werd geen schikking bereikt.

Op 12 oktober 2006 ontving het college het verweerschrift d.d. 12 oktober 2006.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van het college op 23 oktober 2006, waar appellant in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar voorzitter, drs. W.M.J. Schauten.

Motivering

  1. Appellant is in het studiejaar 2002-2003 begonnen met de bacheloropleiding Bedrijfskunde. Aan het eind van diens vierde studiejaar heeft appellant niet voldaan aan de -driemaal uitgestelde- norm van het bindend studieadvies, welke aangeeft dat aan het eind van het eerste jaar van inschrijving minimaal 40 studiepunten van het onderwijsprogramma van Bachelor 1 moeten zijn behaald en aan het eind van het tweede jaar van inschrijving moet Bachelor 1 zijn afgerond.

    Verweerder heeft de norm van het bindend studieadvies voor appellant aan het eind van de studiejaren 2002-2003, 2003-2004 en 2004-2005 bijgesteld op grond van persoonlijke omstandigheden van appellant. Aan het eind van het derde jaar van inschrijving, augustus 2005, werd aan appellant voor een laatste maal uitstel verleend van de bindend studieadvies norm.
    Deze aangepaste norm hield in dat appellant aan het eind van het vierde jaar van inschrijving, uiterlijk 31 augustus 2006, het eerste bachelorjaar diende te hebben behaald.

    Appellant slaagde daarin niet. Aan het einde van het vierde jaar van inschrijving heeft appellant 51 studiepunten behaald, terwijl hij 60 studiepunten had moeten halen om aan de norm te voldoen. Appellant heeft de vakken Wiskunde en Besluitvormingsprocessen nog openstaan. Aan appellant wordt een negatief bindend studieadvies uitgebracht. Hiertegen komt appellant in beroep.

    Hij voert -kort samengevat- aan dat hij in het studiejaar 2005-2006 vrijwel niet kon studeren vanwege bestuurswerkzaamheden voor zijn studentenvereniging. Hij heeft zich alleen kunnen richten, aldus appellant, op de nog openstaande vakken van zijn propedeuse. Wiskunde vindt hij een lastig vak, appellant zegt onvoldoende tijd te hebben gehad in het afgelopen studiejaar om in voldoende mate de (responsie) colleges voor dit vak bij te wonen. Het komend jaar heeft appellant meer tijd, en maar één prioriteit, zijn studie, zo geeft hij aan.

  2. Verweerder stelt dat appellant niet geschikt is gebleken voor de studie bedrijfskunde, nu appellant zelfs na vier jaar niet heeft kunnen voldoen aan de norm van 60 studiepunten (het eerste bachelorjaar). Dat blijkt ook uit het gegeven dat appellant inmiddels zes keer het tentamen Wiskunde heeft afgelegd, met als hoogste cijfer een 3,8. Voort staat het vak Besluitvormingsprocessen nog steeds na vier jaar open, aldus verweerder. Het is verweerder bekend dat appellant door een chronische ziekte niet altijd in staat is geweest alle practica bij te wonen, maar deze persoonlijke omstandigheden zijn naar de opvatting van verweerder echter niet zodanig dat appellant niet in vier jaar tenminste toch het eerste jaar zou hebben moeten kunnen afronden. Verweerder snapt voorts niet hoe het mogelijk is dat appellant in het studiejaar 2005-2006 voorrang heeft gegeven aan bestuurswerkzaamheden nu hij nog moest voldoen aan de norm van het bindend studieadvies. Hij had volgens verweerder prioriteit moeten geven aan zijn studie. Nu appellant dat niet heeft gedaan, is dat voor zijn risico, aldus verweerder.

  3. Tijdens de hoorzitting merkt appellant op de beslissing op zich wel te kunnen begrijpen, maar het te betreuren dat hij – terugkijkend - het bestreden besluit (het afwijzend bindend studieadvies) pas zo laat heeft ontvangen. Daarom vindt hij het besluit nu moeilijker te accepteren, en eigenlijk niet te begrijpen waarom hij nu wel de studie moet staken. Het was beter geweest, aldus appellant, wanneer het bestreden besluit twee jaar geleden was genomen. Desgevraagd bevestigt appellant dat hij hoog spel heeft gespeeld door in het afgelopen jaar in het bestuur van de vereniging actief te zijn geweest. Appellant was ervan overtuigd dat hij de twee nog openstaande vakken van het eerste jaar wel in de zomer van 2006 zou halen, hetgeen echter niet is gelukt. De vraag of appellant voor Wiskunde hulp/bijles heeft genomen, beantwoordt hij ontkennend. Hij merkt op dat dit te maken heeft gehad met een gebrek aan motivatie aan zijn kant.

    Verweerder merkt op dat appellant heel goed wist dat dit jaar zijn laatste kans was, alle signalen zijn naar hem uitgezonden. Er is zorgvuldig naar dit dossier gekeken en een afweging gemaakt. De examencommissie kon niet tot een andere conclusie komen, aldus verweerder.

  4. Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.

    Op grond van artikel 7.8b, derde lid van de WHW kan aan een studieadvies door de decaan van de opleiding een afwijzing worden verbonden, op grond waarvan de student zich niet meer voor dezelfde opleiding kan inschrijven. Een dergelijke afwijzing kan slechts gegeven worden indien de student met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt geacht wordt voor de opleiding, omdat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die daaromtrent zijn gesteld.

    Voor de opleiding Bedrijfskunde zijn de regels met betrekking tot het bindend studieadvies neergelegd in paragraaf 9 van de Onderwijs- en examenregeling van de opleiding. De bedoelde norm houdt in dat aan het einde van het eerste jaar van inschrijving minimaal 40 studiepunten moeten zijn behaald van het cursusjaar B1. Aan het einde van het tweede jaar van inschrijving dienen alle onderdelen van het cursusjaar B1 te zijn behaald.

    Vaststaat dat appellant aan het einde van diens vierde jaar van inschrijving niet heeft voldaan aan de (voor appellant na het eerste, na het tweede en na het derde jaar van inschrijving aangepaste) norm van het bindend studieadvies.

    Het college ziet zich voor de vraag gesteld, alle belangen afwegende, of verweerder in redelijkheid tot de bestreden beslissing heeft kunnen komen. Die vraag beantwoordt het college bevestigend.

    Na het derde jaar van inschrijving werd aan appellant schriftelijk bericht dat de bindend studieadviesnorm voor de laatste maal werd aangepast. Appellant mocht zich aldus voor een vierde jaar inschrijven. Aan het eind van het vierde jaar kwam appellant uit op 51 behaalde studiepunten van het eerste cursusjaar, waar appellant 60 studiepunten had moeten behalen om aan de bindend studieadvies norm te voldoen.

    Appellant heeft naar voren gebracht dat hij in het vierde jaar veel tijd kwijt was met zijn bestuurswerk en daardoor vrijwel geen tijd had om te studeren. Met verweerder is het college van opvatting dat het onbegrijpelijk is dat appellant in de concrete omstandigheden van het geval zijn studie geen topprioriteit heeft gegeven. De gevolgen daarvan behoren voor zijn rekening en risico te komen. Dit geldt temeer omdat appellant wist, althans behoorde te weten dat aan het eind van het studiejaar 2005-2006 zijn B1 behaald moest zijn.

    Verweerder heeft naar de mening van het college in het verweerschrift voldoende inzichtelijk onderbouwd waarom appellant kennelijk niet geschikt is geacht voor de bacheloropleiding Bedrijfskunde.

    Nu de beslissing van verweerder ook niet op andere gronden voor vernietiging in aanmerking komt, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

 

Uitspraak

Het college verklaart het beroep van appellant ongegrond.