Uitspraak 04.90
Verzoek extra tentamen / opdracht
Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, verder te noemen: het college, heeft op 24 januari 2005 de volgende uitspraak gedaan inzake het beroep van
de heer……….., wonende te Rotterdam, verder: appellant,
welk beroep was gericht tegen
de beslissing van 8.10.2004 van de examencommissie International Business Administration, hierna: verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft op 15.10.2004, door het college op 19.10.2004 ontvangen, beroep ingesteld tegen de beslissing van verweerder waarbij het verzoek van appellant om een extra opdracht of tentamen te maken (voor één of meer nog openstaande examenonderdelen van het eerste bachelorjaar) werd afgewezen. Op 19.10.2004 is een ontvangstbevestiging aan appellant gezonden. Op dezelfde dag is het beroepschrift aan verweerder toegezonden met het verzoek om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking mogelijk is en het resultaat van dat overleg uiterlijk 9.11.2004 aan het college mee te delen.
Op 26.10.2004 vond een minnelijk schikkingsgesprek plaats. Er werd geen schikking bereikt. Het college ontving op 8.11.2004 het verweerschrift d.d. 4.11.2004. Appellant heeft niet gerepliceerd. Bij brief van 11.1.2005 zijn partijen uitgenodigd voor de hoorzitting van het college op 24.1.2005. In de uitnodigingsbrief werd partijen erop gewezen dat conform het gestelde in de Algemene wet bestuursrecht de hoorzitting in het Nederlands zou worden gehouden.
Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door…………., die optrad als tolk/vertaler. Verweerder werd op de zitting vertegenwoordigd door haar voorzitter, prof.dr.ir. H.J. Oppelland, en haar secretaris, mw.mr. I.M. van Essen.
Overwegingen ten aanzien van het recht
- Appellant, tweedejaarsstudent International Business Administration, heeft in zijn eerste bachelorjaar 2 vakken (Financial Accounting en Macro-economics) niet gehaald. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat hij aanvankelijk in de veronderstelling verkeerde op grond van documenten van de kant van de faculteit, dat hij geen verblijfsvergunning nodig had. In juni 2004 begreep hij dat hij wel een verblijfsvergunning nodig had. Verweerder bevestigde ter zitting dat de schriftelijke communicatie destijds van de zijde van de faculteit richting studenten over het al dan niet nodig zijn van een verblijfsvergunning niet de schoonheidsprijs verdiende.
De aanvraag en het verkrijgen van bedoelde verblijfsvergunning heeft appellant naar zijn zeggen veel tijd en energie gekost. Appellant heeft daardoor de hertentamens in genoemde vakken in augustus 2004 niet met een voldoende resultaat afgelegd.
Appellant heeft de examencommissie verzocht om een extra opdracht/werkstuk of een extra tentamen te mogen maken waardoor hij alsnog alle vakken van het eerste jaar zou kunnen behalen en zijn B1 kon afsluiten (1 onvoldoende kon volgens appellant worden gecompenseerd).
De examencommissie heeft het verzoek van appellant afgewezen. De visumproblemen van appellant vormen geen reden om hem een extra tentamenfaciliteit toe te staan, aldus verweerder. Appellant heeft dit studiejaar nog 2 kansen (reguliere tentamen in juni en hertentamen in augustus) om de laatste 2 B1-vakken te halen. Op dit moment is er geen enkel probleem voor wat betreft een bindend studieadvies, aldus verweerder. Eerst aan het eind van het tweede jaar dienen alle onderdelen van B1 te zijn behaald.
Appellant wijst erop dat hij in juni ook tentamens van tweedejaars vakken heeft. Hij zou graag zien dat de ‘tentamenlast’ meer gespreid wordt over het jaar.
Verweerder geeft aan bereid te zijn, voor het geval appellant aan het eind van het tweede jaar in studieproblemen zou komen, waar mogelijk te helpen daarvoor een oplossing te zoeken. Het vervangen van een tentamen door een werkstuk is in beginsel niet aan de orde gelet op de gewenste eenheid van examinering.
-
Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.
Het college heeft de vraag te beantwoorden of verweerder, alle belangen afwegende, terecht heeft kunnen weigeren appellant de gevraagde voorziening toe te staan. Het college beantwoordt deze vraag bevestigend. Appellant heeft naar het oordeel van het college geen argumenten aangevoerd op grond waarvan gesteld moet worden dat verweerder niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen.
Het college volgt appellant evenmin in zijn bewering dat verweerder niet naar zijn individuele situatie zou hebben gekeken. Wat er zij van de wens van appellant om zo spoedig mogelijk zijn B1 te kunnen afsluiten, niet weersproken is dat appellantin dit studiejaar nog meerdere tentamenmogelijkheden heeft voor het behalen van zijn laatste 2 B1-vakken die thans nog openstaan (als gevolg van het in augustus 2004 niet kunnen studeren naar appellant stelt vanwege visumproblemen), en wanneer appellant in studieproblemen zou komen doordat zijn B1 aan het eind van het tweede jaar niet zou zijn afgerond heeft verweerder ter zitting toegezegd te helpen zoeken naar een oplossing.
Derhalve moet worden beslist als volgt.
Uitspraak
Het college verklaart het beroep van appellant ongegrond.