Uitspraak 05.32
Bonusvraag
Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, verder te noemen: het college, heeft op 24 oktober 2005 de volgende uitspraak gedaan inzake het beroep van
…………, wonende te ……, verder: appellante,
tegen
de examencommissie van de RSM Erasmus University/International Business Administration, verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Appellante heeft bij schrijven van 2 juni 2005, ontvangen door het college – via de examencommissie – op 21 juli 2005, beroep ingesteld tegen de beslissing van verweerder van 10 mei 2005, waarbij appellante werd bericht dat de door haar gemaakte bonusvraag op het tentamen van het vak Quantitative Methods & Techniques: Statistics niet meetelt bij de bepaling van het tentamencijfer.
Op 21 juli 2005 heeft het college verweerder verzocht om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking mogelijk is en het resultaat van dat overleg uiterlijk 11 augustus 2005 schriftelijk mee te delen aan het college.
Op 29 juli 2005 vond een schikkingsgesprek plaats. Bij brief van 23 augustus 2005 deelde verweerder mee dat er geen minnelijke schikking is bereikt. Dit schrijven bevatte tevens het verweerschrift.
Op 15 september 2005 ontving het college een conclusie van repliek van appellante d.d. 7 september 2005. Hierop heeft verweerder gedupliceerd d.d. 29 september 2005.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van het college op 24 oktober 2005, waar appellante in persoon is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door haar secretaris, mevr.mr. I. van Essen.
Motivering
- Het tentamen van het vak Statistics – door appellante afgelegd op 16 maart 2005 met als resultaat 5,3 – kent een bonussysteem. Dit houdt in dat studenten onder bepaalde voorwaarden een extra vraag (bonusvraag) op het tentamen mogen maken, waardoor zij – bij goede beantwoording – een punt extra kunnen behalen. Eén van de voorwaarden is dat de aanwezigheidsscore bij de 10 werkgroepbijeenkomsten van het vak minimaal 80% is. Wanneer een student niet kan deelnemen aan een werkgroepbijeenkomst dient dit vooraf gemeld te worden.
Appellante heeft 3 bijeenkomsten gemist (17.12.2004 vanwege vakantie met haar ouders, 28.1.2005 vanwege een studiereis naar Cambridge en 4.3.2005 vanwege het – naar appellante stelt – niet tijdig kunnen bereiken van de universiteit omdat het treinverkeer tussen Leiden (woonplaats van appellante) en Rotterdam was uitgevallen als gevolg van overvloedige sneeuwval op die dag). Appellante heeft haar eerste twee verhinderingen niet vooraf gemeld. Van haar derde verhindering heeft zij wel op de dag zelf melding gemaakt.
Appellante heeft op het vorengenoemde tentamen de bonusvraag niet mogen beantwoorden c.q. de examinator heeft het resultaat van de bonusvraag niet meegeteld omdat zij drie keer afwezig is geweest, en daarmee niet voldeed aan de 80% aanwezigheidsscore. Met de bonusvraag zou appellante een 6,1 voor het tentamen hebben behaald. Appellante heeft verweerder verzocht om een heroverweging van – de redenen voor – haar afwezigheid bij de werkgroepbijeenkomsten.
- In haar beroepschrift stelt appellante – kort samengevat – dat zij haar eerste verhinderingen niet tevoren gemeld heeft, omdat zij meende dat dat niet noodzakelijk was omdat zij ervan uitging dat ze de vereiste aanwezigheidsscore zou halen. Dat zou ook het geval zijn geweest, aldus appellante, wanneer de weersomstandigheden anders waren geweest en niet zodanig dat het voor haar onmogelijk was om tijdig naar de universiteit te komen.
Appellante stelt dat zij buiten haar schuld niet aanwezig kon zijn op de werkgroepbijeenkomst op 4 maart 2005. Voorts beroept appellante zich op het gelijkheidsbeginsel, in die zin dat er andere studenten zijn die ook driemaal een bijeenkomst hebben gemist, en wel de bonusvraag mochten maken.
- Verweerder stelt dat appellante haar afwezigheid in alle gevallen vooraf had moeten melden. Bij haar derde verhindering op vrijdagmiddag 4 maart heeft de docent appellante de gelegenheid geboden om de antwoorden van de opdracht alsnog op de maandag erna (7 maart) in te leveren (bericht aan appellante in een email van 5 maart 2005). Appellante heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
- In haar repliek stelt appellante dat het haar niet duidelijk was dat zij nog een extra kans kreeg om de antwoorden van de werkgroepopdracht van 4 maart 2005 alsnog in te leveren.
Ter zitting heeft appellante aangegeven dat zij vanwege andere verplichtingen niet in de gelegenheid was om die maandag naar de universiteit te komen.
Met betrekking tot het beroep van appellante op andere gevallen, waarin ondanks driemaal afwezigheid toch de bonusvraag mocht worden gemaakt op het tentamen, merkt verweerder op dat bij afwezigheid bezien wordt wat de reden is van afwezigheid. Drie verhinderingen betekent niet automatisch dat de bonusvraag niet gemaakt mag worden.
Appellante geeft desgevraagd aan dat zij niet weet wat de redenen waren van afwezigheid van haar studiegenoten en of een en ander tevoren was gemeld.
- Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.
Het college heeft vastgesteld dat de regeling inzake het bonussysteem helder is verwoord in de – vooraf bekend gemaakte – course manual van het vak. Deze inhoud kan als bekend worden verondersteld.
Appellante heeft tegen de regels in haar eerste twee verhinderingen voor werkgroepbijeenkomsten vanwege vakantie en een studiereis, niet vooraf gemeld. Appellante verkeerde in de veronderstelling dat zij de minimaal vereiste aanwezigheidsscore bij de werkgroepen toch wel zou halen. De gevolgen daarvan behoren voor rekening en risico van appellante te komen.
Wat er zij van de (on)mogelijkheid om op 4 maart 2005 naar de universiteit te komen – de geldigheid van de reden van afwezigheid laat het college in het midden -, het college heeft kunnen vaststellen dat aan appellante alsnog een kans is geboden om de werkgroepopdracht van 4 maart in te leveren op 7 maart. Appellante heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De redenen daarvoor heeft zij noch in haar conclusie van repliek noch ter zitting toegelicht of inzichtelijk gemaakt. Voor het college is niet komen vast te staan dat appellante in de onmogelijkheid verkeerde bedoelde laatste kans te benutten. Het college volgt appellante bovendien niet in haar stelling dat de extra kans niet duidelijk was aangegeven. De inhoud van het emailbericht van 5 maart 2005 is naar de mening van het college genoegzaam duidelijk.
Niet is gebleken dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden nu niet is aangetoond dat de door appellante aangeduide gevallen gelijk zijn aan de situatie waarin appellante verkeerde.
Het college is alles overziende van oordeel dat niet gesteld kan worden dat verweerder niet in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen.
Uitspraak
Het college verklaart het beroep van appellante ongegrond.