Uitspraak 05.86


Toelating tot vak


Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, verder te noemen: het college, heeft op 12 december 2005 de volgende uitspraak gedaan inzake het beroep van
de heer…………….., wonende te Rotterdam, verder: appellant,
tegen
de examencommissie RSM Erasmus University/International Business Administration, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Appellant heeft bij brief van 10 oktober 2005, ontvangen - via verweerder - d.d. 26 oktober 2005, beroep ingesteld tegen de beslissing d.d. 16 september 2005 van verweerder. Op 26 oktober 2005 zond het college het beroepschrift in afschrift aan verweerder met het verzoek om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking mogelijk is en het resultaat van dat overleg voor 16 november 2005 mee te delen aan het college. Op 14 november 2005 vond een schikkingsgesprek plaats. Bij schrijven van 24 november 2005 heeft verweerder meegedeeld dat geen minnelijke schikking is bereikt. Verweerder heeft daarbij een verweerschrift overgelegd.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van het college op 12 december 2005, waar zowel appellant (met bericht van verhindering) als verweerder niet in persoon zijn verschenen.

Motivering

  1. Appellant heeft verweerder verzocht om toelating tot het vak ‘Research Project & Bachelor Thesis’. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, tegen welke beslissing appellant beroep heeft ingesteld.

    Appellant, vijfdejaars student aan de opleiding IBA, stelt – kort samengevat – door de afwijzing verdere studievertraging op te lopen, terwijl appellant naar zijn zeggen al een studie-achterstand heeft van ruim een jaar. Het bestreden besluit is volgens appellant niet goed voor zijn motivatie en zal hem ook financieel schaden.
    Appellant merkt nog op dat zijn studieplanning erop gericht is dat hij aan het eind van dit studiejaar zijn bachelorexamen heeft behaald.

  2. Verweerder stelt in het verweerschrift dat appellant niet voldoet aan de toegangseisen voor het genoemde vak, te weten het behaald hebben van alle onderdelen van het eerste bachelorjaar (B1, 60 studiepunten), minimaal 28 studiepunten van het tweede bachelorjaar (B2) en tevens dienen de vakken ‘Methodology of Management Science’, ‘Applied Business Methods’ en ‘International Marketing Research’ te zijn behaald. Appellant behaalde tot nu toe 41 studiepunten van B1, 44 punten van B2 en 6 studiepunten van B3.

    Verweerder stelt dat de afwijzende beslissing niet zal leiden tot verdere studievertraging gelet op de vele vakken die appellant nog moet afleggen.

  3. Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.

    Het college heeft de vraag te beantwoorden of verweerder, alle belangen afwegende, terecht heeft kunnen weigeren appellant toe te laten tot het vak ‘Research Project & Bachelor Thesis’.

    Verweerder heeft haar beslissing doen steunen op de eisen die voor toelating tot bedoeld vak zijn neergelegd in de door de decaan van de faculteit vastgestelde onderwijs- en examenregeling (OER) van de opleiding. In artikel 3.1 van de OER 2005-2006 is bepaald dat studenten eerst dan kunnen beginnen met het Research Project & Bachelor Thesis in B3 als zij alle onderdelen van B1 hebben behaald en minimaal 28 studiepunten van B2, inclusief de vakken ‘Applied Business Methods’, ‘International Marketing Research’ en ‘Methodology of Management Science’.
    Vaststaat dat appellant nog niet alle vakken van B1 heeft afgerond.

    Het college volgt appellant niet in de door hem gestelde optredende vertraging in zijn studie als gevolg van de bestreden beslissing. Appellant zal immers nog veel onderdelen van het totale bachelorprogramma hebben af te werken.
    Ook al zou het niet mogen deelnemen aan het research project een vertraging in de studie met zich brengen die door appellant als een tegenslag wordt ervaren, het is inherent aan de studie dat bepaalde omstandigheden zoals het niet voldoen aan toelatingseisen voor een volgend studieonderdeel alsook het niet slagen voor een tentamen – welke omstandigheden in beginsel voor rekening van appellant behoren te komen - extra studietijd vergen en veelal enige vertraging in de planning met zich brengen. Anders dan in uitzonderlijke gevallen, waaronder dreigende niet-studeerbaarheid van de studie – waarvan in het onderhavige geschil geen sprake is -, is verweerder niet gehouden van haar beleid af te wijken. De door appellant naar voren gebrachte financiële argumenten maken dat naar het oordeel van het college niet anders.

    Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot herziening van het bestreden besluit.

    Het college is van opvatting dat niet gesteld kan worden dat verweerder niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen.

Uitspraak

Het college verklaart het beroep van appellant ongegrond.