Uitspraak 6.180
Toegang tot versneld traject
Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op
12 februari 2007 de volgende uitspraak gedaan op het beroep van
de heer ………. , wonende te ………., verder: appellant,
tegen
de examencommissie RSM Erasmus University/International Business Administration (IBA), hierna: verweerder.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij brief van 5 december 2006, door het college ontvangen op 5 december 2006, heeft appellant inleidend beroep ingesteld tegen de beslissing van verweerder van 7 november 2006, waarbij appellant geen toestemming werd verleend deel te mogen nemen aan het versnelde traject voor het vak Research project/bachelor thesis in het tweede semester van het studiejaar 2006-2007. Bij brief van 6 december 2006, door het college op 6 december 2006 ontvangen, diende appellant een aanvullend beroepschrift in.
Op 6 december 2006 zond het college het inleidend en aanvullend beroepschrift in afschrift aan verweerder met het verzoek om na te gaan of een minnelijke schikking met appellant kon worden getroffen en het resultaat daarvan voor 27 december 2006 mee te delen aan het college. Op 15 december 2006 verleende het college verweerder uitstel voor het informeren van het college en zonodig voor het indienen van verweer tot 10 januari 2007. Op 4 januari 2007 vond het schikkingsgesprek plaats. Er werd geen schikking bereikt. Op 1 februari ontving het college het verweerschrift d.d. 30 januari 2007. Bij brief van 31 januari 2007 diende appellant nadere stukken in. Op 5 februari 2007 ontving het college een brief van studentendecaan mevrouw drs. D.M. Geers.
Het beroep is door het CBE behandeld ter openbare zitting van het college op 12 februari 2007, waar appellant in persoon is verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door prof.dr.ir. H.J. Oppelland (voorzitter).
II. Motivering
- Appellant, vierdejaars student aan de opleiding IBA, heeft bij brief van 20 augustus 2006 bij verweerder een verzoek ingediend tot deelname aan het versnelde traject voor het Research project en het schrijven van zijn bachelor thesis in het tweede semester van het derde studiejaar. Op het verzoek van appellant kwam aanvankelijk geen reactie van verweerder. Bij brief van 14 oktober 2006 heeft appellant zijn verzoek opnieuw ingediend. Verweerder heeft op 7 november 2006 afwijzend beslist op het verzoek, omdat de mogelijkheid van dit versnelde traject alleen open staat voor die studenten die tijdens het eerste semester van het derde studiejaar op uitwisseling zijn geweest naar een buitenlandse universiteit.
Tegen deze afwijzing heeft appellant beroep ingesteld bij het college. Appellant stelt -kort samengevat- dat hij door de afwijzing van zijn verzoek aanzienlijke studievertraging oploopt die de continuiteit van zijn studiecarriëre in de weg staat. Appellant wil aan het eind van het studiejaar 2006-2007 zijn bachelor hebben afgerond om in september 2007 te kunnen beginnen met een masteropleiding in Madrid. Daarvoor heeft appellant naar zijn zeggen reeds afspraken gemaakt en zaken geregeld.
Appellant heeft niet deelgenomen aan het reguliere programma voor het Research project en bachelor thesis omdat hij in de periode september tot en met december 2006 heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de almanak van zijn studentenvereniging. Voor deze activiteit ontvangt appellant gedurende drie maanden een studiebeurs uit het zogenoemde functionarissenfonds dat door de universiteit wordt gefinancierd. Appellant stelt dat hij door dit werk voor de verenigingsalmanak zich op maatschappelijk gebied heeft ontwikkeld. Hij is van mening dat het lopen van een halfjaarlijks uitwisselingsprogramma in het buitenland niet de enige geldige reden zou kunnen zijn voor een versneld traject van het Research project en bachelor thesis, maar dat ook het werk voor een studentenvereniging zoals appellant dat heeft gedaan daarvoor reden zou kunnen zijn.
- Verweerder licht toe dat de derdejaars vakken Research project en de Bachelor thesis een verplicht onderdeel van het curriculum zijn. Beide vakken zijn samengevoegd in een traject dat plaats vindt gedurende het gehele academische jaar, in het eerste semester het Research project en de Bachelor thesis in het tweede semester. Naast het reguliere traject van een jaar biedt het programma een versneld traject (met een duur van één semester) aan in het tweede deel van het jaar. Dit traject heeft een beperkte capaciteit, aldus verweerder, en is alleen bestemd voor die studenten die gedurende het eerste semester op uitwisseling zijn. Alleen als er sprake is van ernstige persoonlijke omstandigheden en onder meer de capaciteit het toestaat zal de examencommissie eventueel positief kunnen besluiten op een verzoek van studenten die niet deelnemen aan het uitwisselingsprogramma om toch mee te mogen doen aan het versnelde traject.
Verweerder stelt dat in casu niet gebleken is van ernstige persoonlijke omstandigheden die een afwijking van de regels rechtvaardigen. Zowel de studievertraging als de onmogelijkheid om volgend jaar elders een masteropleiding te gaan volgen zijn volgens verweerder de consequenties van een eigen keuze van appellant, en behoren dan ook voor zijn rekening en risico te komen, aldus verweerder. Appellant heeft er, zo stelt verweerder, zelf voor gekozen commissiewerkzaamheden voor zijn studentenvereniging te gaan doen in het eerste semester van het studiejaar. Het feit dat appellant gedurende de uitoefening van zijn commissiewerkzaamheden recht had op een studiebeurs uit het functionarissenfonds doet hieraan volgens verweerder niets af.
- Tijdens de hoorzitting merkt verweerder op onaangenaam te zijn verrast door de brief van de studentendecaan. De brief bevat diverse onjuistheden, en bovendien kwam deze brief erg laat binnen om nog op te kunnen reageren. Verweerder heeft ook bezwaar tegen de toonzetting van de brief, welke hij insinuerend noemt. Dat appellant een geheel studiejaar zou verliezen door toedoen van de examencommissie, zoals uit de brief naar voren komt, noemt verweerder pertinent onwaar. Verweerder stelt dat appellant zelf de beslissing heeft genomen om commissiewerk voor zijn vereniging te gaan doen vanaf september 2006.
Alvorens hij begon met zijn werkzaamheden voor de almanakcommissie heeft appellant in augustus een gesprek gehad met de studieadviseur van de faculteit om zich te laten informeren over de vraag of hij hiermee in de problemen zou komen met zijn studie. De studieadviseur gaf daarbij aan volgens zeggen van appellant dat hij een brief aan de examencommissie zou kunnen richten met het verzoek om te mogen deelnemen aan het versnelde traject. De studieadviseur zou daarbij volgens appellant hebben opgemerkt dat hij met zijn verzoek wel een kans zou hebben. Verweerder bestrijdt met klem dat de studieadviseur een en ander zou hebben gezegd. De studieadviseur licht aan studenten het beleid van de faculteit op dit punt toe, zij maakt geen inschatting van kansen, aldus verweerder.
Appellant merkt op dat hij in die tijd ook contact heeft gezocht met een studentendecaan.
Appellant merkt desgevraagd op dat hij in september 2006 is begonnen met het reguliere programma omdat hij nog niets had gehoord op zijn verzoek dat hij op 20 augustus had ingediend. Appellant wilde hiermee ook laten zien dat hij welwillend is. Na verloop van tijd in het eerste semester bleek dat hij de studie evenwel niet meer kon combineren met zijn werk voor de almanakcommissie.
Verweerder geeft desgevraagd aan dat de meergenoemde activiteiten van appellant niet de activiteiten zijn waarvoor de uitzonderingsregel geldt, d.w.z. deelname aan het versnelde traject in het tweede semester van het jaar. Dat traject staat alleen open voor studenten die naar verhouding snel en goed de studie doorlopen afgemeten aan de studieprestaties. Het blijft de beslissing van de student zelf om verenigingsactiviteiten te doen en daarmee prioriteit te geven aan andere zaken dan zijn studie, aldus verweerder.
Gevraagd wanneer appellant zijn verzoek heeft gedaan antwoordt hij dat hij zijn verzoek heeft ingediend nadat hij ‘ja’ gezegd had op de vereniging. Tezelfder tijd zond hij zijn verzoek aan de examencommissie (brief van 20 augustus).
Het college informeert naar de houding van de faculteit tegenover studenten die dergelijke verenigingsactiviteiten ontplooien, daarbij in ogenschouw genomen dat de universiteit hiervoor financiele middelen beschikbaar stelt in de vorm van een studiebeurs. Verweerder antwoordt dat zij daar waar mogelijk zoveel mogelijk tracht te faciliteren. Er wordt daarbij gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de student. Voorts wordt gekeken of het op grond van studieprestaties van de student in het verleden verantwoord is dat de student het versnelde traject volgt. Verder wordt bezien of er in technische zin capaciteit beschikbaar is. In dit geval is er o.a. een probleem met de capaciteit, zo geeft verweerder aan.
Het college informeert op basis van welke regeling/artikel (uit de OER?) verweerder tot haar besluit is gekomen. Verweerder antwoordt dat hij zal moeten nazoeken waar een en ander precies is vastgelegd. De exchange studenten zijn volgens verweerder in elk geval van de regeling op de hoogte.
Desgevraagd geeft verweerder aan dat appellant op dit moment 130 studiepunten heeft, waar hij aan het eind van dit studiejaar 180 punten nodig heeft voor zijn bachelorbul. Hij zal derhalve nog 50 studiepunten moeten behalen. Qua studieprestaties scoort appellant volgens verweerder onder het gemiddelde niveau van de exchange student. Gelet op zijn studieprestaties zou appellant dan ook niet in aanmerking komen voor een plaats in het uitwisselingsproject, aldus verweerder. Voor het uitwisselingsprogramma, waarbij een deel van de opleiding op een buitenlandse universiteit wordt gevolgd, is slechts een beperkt aantal plaatsen beschikbaar. Deze plaatsen worden alleen aangeboden aan studenten met bovengemiddelde studieprestaties. Zij kunnen een verkort traject aan, aldus verweerder. Appellant brengt daartegen in dat zijn studieprestaties gezien alle activiteiten die hij voor zijn studentenvereniging heeft gedaan, niet zo matig zijn. Appellant heeft de verwachting dat hij dit half jaar de vereiste 50 punten zal halen, inclusief zijn bachelor thesis zal afronden.
- Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.
Het college ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder, alle belangen afwegende, in redelijkheid het verzoek van appellant om te mogen deelnemen aan het versnelde traject voor het vak Research project en Bachelor thesis, heeft kunnen afwijzen.
Verweerder heeft aangegeven dat het beleid van het IBA programma is dat voor één bepaalde categorie studenten een versneld traject open staat, waarbij het vak Research project en Bachelor thesis in één semester plaatsvindt. Die mogelijkheid biedt de faculteit aan studenten die gedurende het eerste semester van het derde studiejaar op uitwisseling zijn. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hiervoor alleen die studenten in aanmerking komen die de opleiding relatief snel en met zeer goede studieresultaten doorlopen.
Appellant is van mening dat hij evenzeer in aanmerking zou behoren te komen voor een versneld traject op basis van de door hem ondernomen activiteiten in het eerste semester. Appellant heeft in het eerste semester meegewerkt aan de totstandkoming van de almanak van zijn studentenvereniging. Appellant had gedurende deze periode recht op een studiebeurs uit het functionarissenfonds dat gefinancierd wordt door de universiteit.
Het college stelt vast dat de universiteit er door de financiering van het functionarissenfonds blijk van geeft belang te hechten aan buiten-curriculaire activiteiten van studenten. De universiteit faciliteert deze categorie studenten die dergelijke activiteiten ontplooien voor een bepaalde periode, i.c. een studiebeurs van een aantal maanden. Naar de opvatting van het college is daarmee niet consistent dat deze categorie studenten in beginsel niet in aanmerking komt voor compensatie van studietijd in die zin dat ook zij kunnen opteren voor een versneld traject. Voor deze categorie studenten zouden in dat geval naar de mening van het college in beginsel dezelfde criteria moeten gelden als die van toepassing zijn voor de categorie exchange studenten.
Ter zitting heeft verweerder verklaard dat appellant gezien zijn studieprestaties tot dusverre niet in aanmerking zou komen voor het uitwisselingsprogramma. Het college ziet geen aanleiding dat oordeel als kennelijk onjuist of anderszins als onredelijk of onbegrijpelijk te achten. Appellant zou in dat perspectief niet in aanmerking komen voor een versneld traject. Het college merkt op dat appellant, om aan het eind van dit studiejaar zijn bachelor te behalen, in het tweede semester nog 50 studiepunten moet behalen waar een heel studiejaar 60 punten omvat. Op grond hiervan volgt het college appellant niet in zijn verwachting dat hij na het einde van dit studiejaar zal kunnen aanvangen met de masteropleiding, zoals appellant beoogt. Gelet op het nog af te leggen studieprogramma acht het college dat niet realistisch.
Dat appellant reeds voorbereidingen heeft getroffen voor voortzetting van zijn studie in Madrid na voltooiing van zijn bacheloropleiding alhier, kan niet tot een ander oordeel leiden.
Alles overziende concludeert het college dat niet kan worden gesteld dat verweerder niet in redelijkheid tot afwijzing van het verzoek van appellant heeft kunnen komen.
Gelet op het bovenstaande moet worden beslist als volgt.
III. Uitspraak
Het college verklaart het beroep van appellant ongegrond.