ABD Homepage   Juridische Zaken   Informatie voor studenten   College van Beroep voor de Examens   Uitspraken 2007   Uitspraak 07.120

Zaaknummer 07.120

Bindend studieadvies


Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op
22 oktober 2007 de volgende uitspraak gedaan op het beroep van

de heer …….., wonende te ……….., verder: appellant,

tegen

de decaan resp. examencommissie van de opleiding Psychologie van de faculteit der Sociale Wetenschappen (FSW), hierna: verweerder.


 

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 11 september 2007, ingekomen op 13 september 2007, heeft appellant beroep ingesteld tegen de beslissing van verweerder van 14 augustus 2007 waarbij aan appellant een negatief bindend studieadvies is uitgebracht. Op 13 september 2007 zond het college het beroepschrift in afschrift aan verweerder met het verzoek om na te gaan of een minnelijke schikking met appellant kon worden getroffen.

Op 1 oktober 2007 ontving het college schriftelijk bericht van de voorzitter van de examencommissie dat met appellant geen schikking kon worden getroffen. Dit schrijven bevatte tevens het verweerschrift.

Het beroep is door het CBE behandeld ter openbare zitting van het college op 22 oktober 2007, alwaar appellant in persoon is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door de voorzitter van de examencommissie, dr. A.A.C.M. Smeets, vergezeld door mevrouw drs. L. Schaap, medewerker faculteit.

II. Motivering

1. Achtergrond, toegangsverbod
Naar aanleiding van een agressie-incident dat op 21 maart 2007 voorviel in de kamer van een docente van de opleiding Psychologie van de FSW, waarbij appellant jegens deze docente agressief gedrag vertoonde, heeft de decaan FSW appellant op basis van artikel 3 van de EUR-orderegeling voorlopig de toegang tot de ruimten van het Instituut voor Psychologie van de FSW ontzegd voor de maximale duur van 10 dagen.

Het College van Bestuur heeft –op voorstel van de decaan– op 4 april 2007 op basis van artikel 4 van de EUR-orderegeling appellant de toegang tot genoemde ruimten definitief ontzegd voor de rest van het studiejaar 2006-2007, d.w.z. tot 1 september 2007.

Tegen deze beslissing (ordemaatregel) tekende appellant bezwaar aan bij het College van Bestuur. Op 19 juni 2007 is appellant naar aanleiding van zijn bezwaar gehoord. Het College van Bestuur is alles overziende tot het oordeel gekomen dat er onvoldoende (nieuwe) argumenten zijn aangevoerd welke noodzaken tot het herzien van de primaire beslissing. Het College van Bestuur heeft bij brief van 6 juli 2007 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft op 25 april 2007 verzocht om ondanks het toegangsverbod deel te mogen nemen aan enkele tentamens c.q. toetsen van de opleiding Psychologie. Verweerder heeft hierop geantwoord bij brief van 5 juni 2007 dat appellant niet kan deelnemen aan tentamens c.q. toetsen als een direct gevolg van de ordemaatregel (toegangsverbod) opgelegd door het College van Bestuur. Voor de ruimten die door het Instituut voor Psychologie worden gebruikt ten behoeve van het afnemen van tentamens is aan appellant de toegang ontzegd. Indirect gevolg van de maatregel van het College van Bestuur is dat appellant niet kan deelnemen aan de verplichte onderwijsactiviteiten die als voorwaarde gelden om aan de tentamens en examens deel te mogen nemen. Zolang de ordemaatregel van kracht is kan de examencommissie geen besluit nemen over eventuele extra of bijzondere examenvoorzieningen, aldus verweerder.

2. Bindend studieadvies
Appellant is in het studiejaar 2006-2007 begonnen met de bacheloropleiding Psychologie. Aan het eind van diens eerste studiejaar heeft appellant niet voldaan aan de norm van het bindend studieadvies, welke aangeeft dat aan het eind van het eerste jaar van inschrijving minimaal 40 studiepunten van het onderwijsprogramma van Bachelor 1 moeten zijn behaald.
Aan het einde van het eerste jaar van inschrijving heeft appellant in totaal 27 studiepunten behaald. Aan appellant werd bij brief van 14 augustus 2007 een negatief bindend studieadvies uitgebracht. Hiertegen komt appellant in beroep.

3. Beroepschrift
Appellant is van mening dat bij het uitgebrachte bindend studieadvies onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Hij stelt dat het door de ordemaatregel van het College van Bestuur voor hem onmogelijk was om tentamens te maken of onderwijs te volgen. Het behalen van de norm (minimaal 40 studiepunten) was voor hem niet ‘te moeilijk’ volgens zijn zeggen, maar werd hem feitelijk onmogelijk gemaakt, zo stelt hij.

4. Verweer
Verweerder is van opvatting dat er geen sprake is van persoonlijke omstandigheden in de zin de wet c.q. het Uitvoeringsbesluit van de wet. Daarom kan appellant niet in aanmerking komen voor een eventuele ontheffing van de bsa-norm. De faculteit heeft aangegeven appellant waar mogelijk en gewenst behulpzaam te willen zijn bij een overstap naar de opleiding Psychologie aan de Universiteit Utrecht. Bij deze universiteit studeert appellant ook reeds Scheikunde.

5. Hoorzitting
Ter zitting merkt verweerder op dat de examencommissie niet bevoegd was de ordemaatregel van het College van Bestuur te overrulen, in de zin dat appellant toch in staat werd gesteld onderwijs te volgen of tentamens te maken. Het lag volgens verweerder dan ook niet in haar macht een bijzondere (tentamen)voorziening te creëren voor appellant. Verweerder benadrukt dat bij de opleiding Psychologie het onderwijs en de tentamens/examens nauw met elkaar verweven zijn.

De faculteit is verplicht om aan het eind van het eerste jaar van inschrijving een bindend studieadvies uit te brengen. Daarbij heeft de faculteit zich te houden aan de wettelijke regels daaromtrent. De persoonlijke omstandigheden van appellant zijn volgens verweerder niet te rangschikken onder de in de wet genoemde persoonlijke omstandigheden op grond waarvan eventueel een ontheffing van de bsa-norm aan de orde zou kunnen zijn. Er was geen sprake van persoonlijke omstandigheden in de zin van de wet, maar van onacceptabel gedrag, aldus verweerder.

Appellant merkt op dat zijn studie in de periode voordat hij werd geschorst, prima verliep. Verweerder bevestigt dat appellant een goede student was. Studievertraging had volgens verweerder (deels) voorkomen kunnen worden wanneer appellant bijtijds was overgestapt naar een opleiding Psychologie aan een andere universiteit. Verweerder zegt appellant al vanaf het begin van dit dossier en bij herhaling daarop te hebben geattendeerd. Desgevraagd bevestigt appellant dat verweerder de optie van overstappen naar een andere universiteit met hem heeft besproken. Appellant ziet evenwel naast lastige, formele punten zoals strenge regels voor een overgang en inbreng van studiepunten, ook praktische problemen, zoals woonruimte en reisafstand.

Van de kant van verweerder wordt opgemerkt dat de ordemaatregel van het College van Bestuur destijds ook is opgelegd vanuit het perspectief van de werknemers van de faculteit, bij wie grote onrust was ontstaan na het incident.

Appellant zegt zich ervan bewust te zijn destijds de fout te zijn ingegaan, maar, zo voegt hij hieraan toe, hij heeft spijt betuigd en zijn excuses aan de betrokken docente e.a. aangeboden. Hij heeft ook bloemen gestuurd, zo geeft appellant ter zitting aan. Hij zegt zijn studie graag hier te willen vervolgen. Naar zijn mening heeft hij in de periode voor het incident laten zien dat hij de studie Psychologie aan kan.

6. Overwegingen college
Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.

Op grond van artikel 7.8b, derde lid van de WHW kan aan een studieadvies door de decaan van de opleiding een afwijzing worden verbonden, op grond waarvan de student zich gedurende drie studiejaren niet meer voor dezelfde opleiding kan inschrijven. Een dergelijke afwijzing kan alleen gegeven worden indien de student niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de normen die daaromtrent door de faculteit zijn gesteld. Voor de opleiding Psychologie zijn de regels met betrekking tot het bindend studieadvies neergelegd in paragraaf 9 van de onderwijs- en examenregeling (OER) van de opleiding.

De bedoelde norm houdt in dat aan het einde van het eerste jaar van inschrijving minimaal 40 studiepunten moeten zijn behaald van het cursusjaar B1. Aan het einde van het tweede jaar van inschrijving dienen alle onderdelen van het cursusjaar B1 te zijn behaald.
Het oordeel over de geschiktheid voor de opleiding dient gebaseerd te zijn op de studieprestaties in het eerste jaar van inschrijving. Andere factoren kunnen geen grond zijn voor een afwijzing. Bij de beslissing tot afwijzing dienen de persoonlijke omstandigheden van de student te worden betrokken.

Vaststaat dat appellant aan het einde van diens eerste jaar niet heeft voldaan aan de bsa-norm.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er i.c. geen sprake is van persoonlijke omstandigheden in de zin van de wet. Het college kan verweerder toegeven dat de omstandigheden van appellant niet direct zijn terug te voeren op persoonlijke omstandigheden voor zover deze zijn omschreven in artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit WHW ter uitwerking van artikel 7.8b, zevende lid van de WHW.
Naar het oordeel van het college laat dit onverlet, dat het instellingsbestuur ook rekening houdt met andere persoonlijke omstandigheden en soms ook, uit een oogpunt van behoorlijk bestuur, zal moeten houden. Bij het uitbrengen van een bindend studieadvies dient het instellingsbestuur af te wegen of het behalen van onvoldoende studiepunten in het eerste jaar te wijten is aan de ongeschiktheid van de student of aan de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid. Van die afweging is het college niet, althans onvoldoende gebleken.

Niet bestreden is dat appellant tot de dag van het bewuste incident op schema lag voor het behalen van de bsa-norm. Ter zitting heeft verweerder ook bevestigd dat appellant een prima student was. Ook is niet in geding dat appellant als gevolg van de door het College van Bestuur opgelegde ordemaatregel -over (de aanleiding tot en de strekking van) de opgelegde maatregel spreekt het college zich niet uit-, geen studiepunten meer heeft kunnen halen. Terzijde wil het college hierbij overigens nog opmerken dat verweerder haar wettelijke positie heeft miskend door haar stelling dat zij per definitie niet bij machte was extra of bijzondere tentamenvoorzieningen te creëren. Het college wijst erop, zoals overigens ook is aangegeven in de brief van het College van Bestuur aan verweerder van 18 mei 2007, dat de examencommissie (onder het toezicht van de decaan) in de vigerende wettelijke universitaire bestuursstructuur bij uitsluiting bevoegd is tot het treffen van examenvoorzieningen. Hieraan is verweerder voorbij gegaan.

Het college heeft voorts in het dossier kunnen vaststellen dat appellant bij herhaling heeft verklaard het -voor zover het college bekend eenmalige- agressie-incident en zijn gedrag daarbij ernstig te betreuren en zijn excuses heeft aangeboden.

Het is voor het college niet inzichtelijk hoe verweerder redelijkerwijs tot de conclusie is kunnen komen dat appellant, gegeven de bijzondere omstandigheden van het geval die appellant persoonlijk betreffen, niet geschikt is geacht voor de opleiding Psychologie. De bestreden beslissing wordt niet gedragen door een voldoende en draagkrachtige motivering zodat deze daarom geen stand kan houden.

Artikel 9.7 van de OER van de bacheloropleiding Psychologie bevat een hardheidsclausule. Indien toepassing van de bsa-regels tot onredelijke of onbillijke situaties ten aanzien van een student leidt, dan kan op basis van genoemd artikel in de OER ten gunste van de betrokken student worden afgeweken van de regels.

Naar het oordeel van het college bestaat daarvoor aanleiding.

Het college is, alles afwegende en het geheel overziende, van oordeel dat de beslissing om in dit geval een negatief bindend studieadvies te geven leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

III. Uitspraak

Het college verklaart het beroep van appellant gegrond, vernietigt de beslissing van verweerder van 14 augustus 2007 en bepaalt dat binnen drie weken na datum van verzending van deze uitspraak, een nieuwe beslissing wordt genomen met inachtneming van de overwegingen van het college.