Uitspraak 07.13
Bindend studieadvies
Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op
5 maart 2007 de volgende uitspraak gedaan op het beroep van
de heer ……….. , wonende te ………, verder: appellant, tegen
de beslissing van de examencommissie RSM Erasmus University/International Business Administration (IBA), namens de faculteitsdecaan, hierna: verweerder, van 20 december 2006, waarbij aan appellant een definitief negatief bindend studieadvies werd gegeven.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft bij schrijven gedateerd 27.11.2006, door het college op 22 januari 2007 ontvangen, beroep ingesteld tegen de beslissing van 20 december 2006, waarbij aan hem een definitief negatief bindend studieadvies is gegeven en hem is medegedeeld dat hij zich de komende drie studiejaren niet mag inschrijven voor de bacheloropleiding International Business Administration.
Op 22 januari 2007 heeft het college het beroepschrift in afschrift toegezonden aan verweerder, met het verzoek om na te gaan of het geschil minnelijk kan worden geschikt.
Op 23 januari 2007 vond een schikkingsgesprek plaats. Er werd geen schikking bereikt. Op 16 februari 2007 ontving het college het verweerschrift, dat in afschrift aan appellant werd gezonden op 20 februari 2007.
Het beroep is door het CBE behandeld ter openbare zitting van het college op 5 maart 2007, waar appellant niet is verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door haar secretaris, mw.mr.....
II. Motivering
- Appellant heeft in het eerste jaar van zijn bacheloropleiding International Business Administration (studiejaar 2005-2006) 20 studiepunten gehaald. Hij voldeed daarmee niet aan de norm voor het bindend studieadvies, welke aangeeft dat aan het eind van het eerste jaar van inschrijving minimaal 40 studiepunten moeten zijn behaald. Appellant ontving een negatief bindend studieadvies d.d. 30 augustus 2006. Hiertegen kwam appellant op 4 september 2006 in beroep. Met betrekking tot dat beroep bereikten appellant en verweerder op 3 oktober 2006 een schikking, waarbij appellant een voorwaardelijke ontheffing van het bindend studieadvies werd toegekend met als voorwaarde dat appellant voor het eerstvolgende tentamen voor het vak Wiskunde (op 23 november 2006) een voldoende resultaat moest behalen.
Appellant behaalde voor het tentamen Wiskunde op 23 november 2006 een 1. Op 20 december 2006 stelde verweerder vast dat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarde met als gevolg dat het bindend studieadvies definitief negatief werd. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld. Appellant beroept zich op – in het beroepschrift niet nader aangeduide - omstandigheden die hem zouden hebben verhinderd naar hij stelt om voldoende studiepunten te halen. Appellant geeft aan een en ander verder mondeling te willen bespreken.
- Verweerder heeft bezien in hoeverre het aannemelijk is dat de door appellant tijdens de schikkingszitting genoemde gezondheidsklachten een zodanige invloed op zijn prestatie op het Wiskundetentamen kunnen hebben gehad, dat daardoor het onvoldoende cijfer kan worden verklaard. Verweerder is van mening dat de gezondheidsklachten van appellant – waarover verweerder geen mening heeft omdat appellant geen bewijzen kon overhandigen noch een arts heeft geraadpleegd – niet als voldoende reden kunnen worden gezien dat appellant het tentamen niet heeft behaald. Verweerder acht het aannemelijk gezien alle omstandigheden dat appellant voor de onderhavige studie niet voldoende geschikt is en daarom terecht een negatief bindend studieadvies heeft ontvangen.
- Ter zitting werd door verweerder desgevraagd aangegeven dat het vak Wiskunde een belangrijk vak is voor de opleiding. Met het behalen van Wiskunde is een beeld te verkrijgen of de student de studie aan kan. Appellant behoorde aan het eind van het eerste studiejaar tot de categorie twijfelgevallen, die nog een laatste kans hebben gekregen. Het is voor verweerder niet helder geworden dat persoonlijke omstandigheden appellant hebben verhinderd voldoende studieprestaties te behalen.
- Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.
Op grond van artikel 7.8b, derde lid van de WHW kan door de decaan van de opleiding aan een studieadvies een afwijzing worden verbonden, zolang de student nog niet alle onderdelen van cursusjaar Bachelor 1 van de opleiding met goed gevolg heeft afgelegd dan wel vrijgesteld heeft gekregen. Een dergelijke afwijzing kan slechts worden gegeven indien de student met inachtneming van diens persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, omdat diens studieresultaten niet voldoen aan de vereisten, die daaromtrent zijn gesteld. De afwijzing geldt voor een termijn van drie studiejaren.
Voor de opleiding International Business Administration zijn de regels met betrekking tot het bindend studieadvies neergelegd in paragraaf 9 van de Onderwijs- en Examenregeling van de opleiding. Voor de opleiding International Business Administration behelzen deze dat tenminste 40 studiepunten van de 60 studiepunten van het cursusjaar B1 dienen te zijn behaald aan het eind van het eerste jaar van inschrijving. Aan het eind van het tweede jaar van inschrijving dienen alle onderdelen van het cursusjaar B1 behaald te zijn.
Vaststaat dat appellant niet heeft voldaan aan de (voor appellant na het eerste jaar van inschrijving aangepaste) norm voor het bindend studieadvies.
Het college ziet zich voor de vraag gesteld, alle belangen afwegende, of verweerder in redelijkheid tot de bestreden beslissing heeft kunnen komen. Die vraag beantwoordt het college bevestigend. Het college heeft – uit het beroepschrift – geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de opvatting van verweerder dat appellant zijn omstandigheden niet tot onvoldoende heeft onderbouwd en geen verband heeft aangetoond tussen die omstandigheden en de studieresultaten, onjuist is.
Verweerder heeft naar de mening van het college in het verweerschrift voldoende inzichtelijk onderbouwd waarom appellant kennelijk niet geschikt is geacht voor de bacheloropleiding International Business Administration.
Met betrekking tot het niet verschijnen van appellant ter zitting merkt het college tenslotte het navolgende op.
Naast de inhoud van de gewisselde stukken maakt het verhandelde ter zitting onderdeel uit van de besluitvorming van het college. Het alsdan niet in persoon of bij gemachtigde verschijnen ter zitting brengt het risico met zich mee dat uit de stukken door het college getrokken conclusies onweersproken blijven en derhalve als vaststaand, althans voor juist door het college kunnen worden aangenomen.
Nu de beslissing van verweerder ook niet op andere gronden voor vernietiging in aanmerking komt, moet worden beslist als volgt.
III. Uitspraak
Het college verklaart het beroep van appellant ongegrond.