Uitspraak 07.154
Toelating tot Master
Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op
17 december 2007 de volgende uitspraak gedaan op het beroep van
mevrouw ……………, wonende te ….., verder: appellante,
tegen
de beslissing van de examencommissie van de faculteit der Economische Wetenschappen, hierna: verweerder, van 29 augustus 2007, waarbij appellante geen toegang werd verleend tot de masteropleiding Economics & Business.
I. Ontstaan en loop van de procedure
Appellante heeft bij schrijven van 7 oktober 2007, door het college op 16 oktober 2007 ontvangen, beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van verweerder op haar verzoek om toelating tot het vierde doctoraaljaar van de opleiding Economie. Het beroep richt zich voorts tegen de beslissing van verweerder van 29 augustus 2007 waarbij appellante geen toegang wordt verleend tot de masteropleiding Economics & Business.
Op 18 oktober 2007 heeft het college het beroepschrift in afschrift toegezonden aan verweerder, met het verzoek om na te gaan of het geschil minnelijk kan worden geschikt. Een minnelijke schikking is niet tot stand gekomen. Bij brief van 19 november 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Het beroep is gevoegd behandeld tezamen met het beroep van de heer……..in een openbare zitting van het college op 17 december 2007. Appellante is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door haar voorzitter, prof.dr. G.A. van der Knaap, en haar secretaris, drs. V.H.M. Beerkens.
II. Motivering
- Appellante heeft op 6 juli 2007 bij verweerder een verzoek ingediend voor toelating tot het vierde doctoraaljaar van de opleiding Economie. Appellante stelt dat verweerder op dit verzoek niet heeft beslist.
Op 29 augustus 2007 besliste verweerder dat aan appellante geen bewijs van toelating tot de masteropleiding Economie wordt verstrekt. Appellante voert aan dat deze beslissing van verweerder in strijd is met het equivalentieverdrag tussen Nederland en Duitsland van 1983. Appellante is van mening dat de bepalingen van genoemd verdrag, in het bijzonder artikel 2 lid 1 van dit verdrag, verweerder verplicht aan overeenkomstige studies dezelfde waarde toe te kennen als daaraan in Duitsland wordt toegekend.
- Verweerder heeft bij brief van 15 september 2006 aan appellante medegedeeld dat instroom in het doctoraalprogramma Economie met ingang van het studiejaar 2002-2003 niet meer mogelijk is. In dezelfde brief werd appellante geinformeerd over de procedure met betrekking tot toelating tot de masteropleiding Economics & Business.
Verweerder is van oordeel dat het totaal van de door appellante behaalde vakken niet gelijkwaardig is aan de inhoud en het eindniveau van de aan de masteropleiding voorafgaande bacheloropleiding Economics & Business, en dat appellante daarom niet kan worden toegelaten tot de masteropleiding.
- Ter zitting merkt verweerder andermaal op dat het afronden van het ‘oude’ doctoraalprogramma, als gevolg van de invoering van de bachelor/master structuur in het Nederlandse hoger onderwijs, niet meer mogelijk is. Verweerder geeft desgevraagd een toelichting op de behandeling van vrijstellingsverzoeken. In casu ontbreken op de lijst van appellante diverse belangrijke vakken. Met name op het gebied van de algemene economie heeft verweerder grote hiaten geconstateerd. Daarnaast is de stof van in het verleden behaalde vakken inmiddels zeer verouderd. Op dit moment is er dan ook volstrekt onvoldoende bagage om desbetreffende masteropleiding te kunnen doen, aldus verweerder.
- Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.
Het college volgt appellante niet in haar stelling dat verweerder niet heeft beslist op haar verzoek om toelating tot het doctoraalprogramma, nu vaststaat dat verweerder in antwoord op een brief van appellante van 17 juli 2006 bij brief van 15 september 2006 aan appellante heeft medegedeeld dat bedoelde instroom sedert 31 augustus 2002 gesloten en niet meer mogelijk is. Het doctoraalprogramma Economie wordt niet meer aangeboden. Inschrijving is slechts mogelijk in het bachelor/masterprogramma. Hierop is appellante bij herhaling door verweerder geattendeerd.
Verweerder heeft vervolgens beslist dat appellante niet kan worden toegelaten tot de masteropleiding Economics & Business. Het college heeft in deze een marginale toetsingsbevoegdheid, in die zin dat het college heeft te beoordelen of verweerder in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen zonder in strijd te komen met algemene beginselen van behoorlijk bestuur of een ander rechtsbeginsel.
Het college is van mening dat verweerder gemotiveerd heeft aangegeven waarom appellante op dit moment niet toelaatbaar is tot de masteropleiding Economics & Business. Er is niet gebleken van onzorgvuldigheden in hiertoe gehanteerde procedure. Het college verwerpt het - overigens niet nader onderbouwde - beroep van appellante op het equivalentieverdrag tussen Nederland en Duitsland uit 1983. Naar de mening van het college kan het gestelde in dit verdrag niet afdoen aan het standpunt van verweerder.
Het college is alles overziende van oordeel dat niet gesteld kan worden dat verweerder niet in redelijkheid tot afwijzing van het toelatingsverzoek heeft kunnen komen.
Nu de beslissing van verweerder ook niet op andere gronden voor vernietiging in aanmerking komt, moet worden beslist als volgt.
III. Uitspraak
Het college verklaart het beroep van appellante ongegrond.