Uitspraak 07.167
Niet-ontvankelijk
Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op
21 januari 2008 de volgende uitspraak gedaan op het beroep van
de heer ……., wonende te ………., verder: appellant,
tegen
de examencommissie RSM Erasmus University, hierna: verweerder.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft een beroepschrift d.d. 12 december 2007 ingediend tegen een besluit van verweerder van 6 november 2007. Het beroep is op 13 december 2007 ontvangen door het college. Op 14 december 2007 heeft het college appellant uitgenodigd de redenen aan te geven waarom hij niet binnen de wettelijke termijn van vier weken beroep heeft ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd bij brief van 17 december 2007.
Onder toepassing van artikel 7:17 sub a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is wegens de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep afgezien van het houden van een hoorzitting.
II. Overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid
Artikel 7.61, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor de Examens vier weken bedraagt. In artikel 6.8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De wijze van bekendmaking van besluiten is geregeld in de artt. 3:41 en 3:42 Awb. Een besluit dat tot één belanghebbende is gericht wordt bekend gemaakt door toezenden van het besluit. Ingevolge artikel 6:9 lid 1 Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
De bestreden beslissing is gedateerd op 6 november 2007. De beroepstermijn begon te lopen op 7 november 2007, de laatste dag van de beroepstermijn was 4 december 2007. Het beroepschrift is op 13 december 2006 ontvangen.
Vaststaat dat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ontvangen.
Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Appellant heeft, gevraagd naar de reden voor overschrijding van de termijn, aangegeven dat hij de informatiebrochure over de beroepsprocedure bij het CBE van internet heeft gedownload. In deze brochure heeft appellant gelezen dat de termijn voor het indienen van een beroep vier weken bedraagt. Appellant is ervan uitgegaan dat de termijn van vier weken zou eindigen een maand na het ontvangen van het bestreden besluit. Appellant is van opvatting dat de beroepstermijn eindigde op 13 december. Het college volgt appellant daarin niet. De door appellant gevolgde redenering is niet conform het daaromtrent gestelde in de Awb. Het college wijst er bovendien op dat in de door appellant geraadpleegde brochure expliciet aandacht wordt besteed aan de vraag wanneer de beroepstermijn begint te lopen. Ook wordt expliciet ingegaan op de vraag wanneer een beroepschrift tijdig is ingediend.
Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij van 3 november tot 13 november 2007 noodzakelijkerwijs op familiebezoek in Duitsland is geweest.
Het college merkt op dat na terugkeer van appellant de beroepstermijn nog bijna drie weken liep. Appellant had naar het oordeel van het college binnen de beroepstermijn ook een pro forma beroepschrift – dat wil zeggen: een beroepschrift zonder gronden – kunnen indienen (om de termijn veilig te stellen). In een aanvullend beroepschrift had hij dan later de beroepsgronden kunnen aangeven.
Het college ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd onvoldoende grond om de termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten.
Op grond van het vorenstaande is het college van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
III. Uitspraak
Het college verklaart het beroep van appellant niet-ontvankelijk.