Uitspraak 07.46
Niet-ontvankelijk
Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op
8 augustus 2007 de volgende uitspraak gedaan op het beroep van
de heer ……….., wonende te ………, verder: appellant,
tegen
de examencommissie Bestuurskunde, hierna: verweerder.
I. Ontstaan en loop van het geding
Appellant heeft een beroepschrift d.d. 20 mei 2007 ingediend tegen de beslissing van verweerder d.d. 20 april 2007. Dit beroep is op 23 mei 2007 ontvangen door het college. Op 23 mei 2007 heeft het college appellant uitgenodigd de redenen aan te geven waarom hij niet binnen de wettelijke termijn van vier weken beroep heeft ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd bij brief van 5 juni 2007.
Onder toepassing van artikel 7:17 sub a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is wegens de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep afgezien van het houden van een hoorzitting.
II. Overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid
Artikel 7.61, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor de Examens vier weken bedraagt. In artikel 6.8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9 lid 1 Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
De bestreden beslissing is gedateerd op 20 april 2007. De beroepstermijn begon te lopen op 21 april 2007, de laatste dag van de beroepstermijn was 18 mei 2007. Het beroepschrift is op 23 mei 2007 ontvangen.
Vaststaat dat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ontvangen.
Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Appellant heeft, gevraagd naar de reden voor overschrijding van de termijn in zijn brief van 5 juni 2007 aangegeven dat hij van 26 april tot en met 13 mei druk is geweest met – de voorbereiding van – een internationale vergadering in Paramaribo. Voorts wilde appellant bij terugkomst in Nederland eerst advies inwinnen van een studieadviseur en studentendecaan.
Het college heeft vastgesteld dat de bestreden beslissing van verweerder voorzien was van de juiste beroepsclausule.
Het college ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd onvoldoende grond om de termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten. Het is voor rekening en risico van appellant wanneer hij anderen (o.a. de studieadviseur) wil consulteren alvorens in beroep te gaan. Om de termijn zeker te stellen, had een kort briefje met daarin de mededeling dat hij in beroep wil gaan (een zogenoemd pro forma beroep) volstaan. In een aanvullend beroepschrift had hij dan later de beroepsgronden kunnen aangeven.
Op grond van het vorenstaande is het college van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
III. Uitspraak
Het college verklaart het beroep van appellant niet-ontvankelijk.