Uitspraak 07.53
Niet-ontvankelijk
Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op 20 november 2007 uitspraak gedaan op de beroepen van
de heer ……., wonende te…….., appellant,
tegen
de examencommissie Geneeskunde, verweerder.
I. Ontstaan en loop van het geding
A. Beroepschrift d.d. 18 juni resp. 25 juni 2007, gericht tegen het emailbericht van de studieadviseur geneeskunde van 16 mei 2007 (weigering aanbevelingsbrief).
Appellant heeft bij het college een inleidend beroepschrift d.d. 6 juni 2007 ingediend, ontvangen door het college d.d. 14 juni 2007. Aan appellant werd een termijn gegund voor indienen van de beroepsgronden tot 6 juli 2007. Namens appellant diende gemachtigde mr. …… een aanvullend beroepschrift d.d. 18 juni 2007 in, door het college op 19 juni 2007 ontvangen, tegen het emailbericht van 16 mei 2007 van de studieadviseur geneeskunde.
Namens appellant stelde zijn gemachtigde op 25 juni 2007 aanvullend beroep in, door het college op 26 juni 2007 ontvangen, gericht -volgens een faxbericht van gemachtigde van 28 juni 2007- tegen het bericht van de studieadviseur geneeskunde van 16 mei 2007.
B. Beroepschrift d.d. 18 juni 2007, gericht tegen de besluiten van verweerder van 28 juli 2005 en 17 maart 2006. Namens appellant stelde zijn gemachtigde eveneens op 18 juni 2007 beroep in, door het college op 19 juni 2007 ontvangen, tegen besluiten van verweerder van 28 juli 2005 en 17 maart 2006.
Na constatering van overschrijding van de beroepstermijn nodigde het college bij brief van 26 juni 2007 gemachtigde van appellant uit de redenen aan te geven waarom hij niet binnen de wettelijke termijn van vier weken beroep heeft ingediend. Hierop heeft gemachtigde van appellant gereageerd per faxbericht van 16 juli 2007.
Onder toepassing van artikel 7:17 sub a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is wegens de kennelijke niet-ontvankelijkheid van beide beroepen afgezien van het houden van een hoorzitting.
II. Overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid
A. Beroepschrift d.d. 18 juni resp. 25 juni 2007, gericht tegen het emailbericht van de studieadviseur geneeskunde van 16 mei 2007.
Het college overweegt dat het emailbericht van de studieadviseur, met de weigering een aanbevelingsbrief te verstrekken, niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen beroep of bezwaar openstaat. De weigering om een aanbevelingsbrief te schrijven is niet gericht op enig in de WHW of elders geregeld rechtsgevolg. Het beroep dient naar het oordeel van het college dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het college heeft geconstateerd dat dit oordeel is bevestigd door het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) bij uitspraak van 27 juni 2007 (uitspraak in beroep tegen een besluit van het College van Bestuur van de EUR van 12 juni 2007).
B. Beroepschrift d.d. 18 juni 2007, gericht tegen de besluiten van verweerder van 28 juli 2005 en 17 maart 2006.
Artikel 7.61, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor de Examens vier weken bedraagt. In artikel 6.8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9 lid 1 Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
De bestreden besluiten zijn gedateerd op 28 juli 2005 resp. 17 maart 2006. De beroepstermijn liep af op 25 augustus 2005 resp. op 14 april 2006. Het beroepschrift tegen beide besluiten is op 19 juni 2007 ontvangen, d.w.z. zeer ruim na afloop van de beroepstermijn.
Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Gemachtigde van appellant heeft, gevraagd naar de reden voor overschrijding van de termijn, aangegeven dat de bestreden besluiten niet voorzien waren van een correcte vermelding van rechtsmiddelen. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 3:45 Awb blijkt volgens gemachtigde dat ook het nalaten van een correcte rechtsmiddelenvermelding aanleiding kan zijn een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Het college heeft vastgesteld dat de besluiten van 28 juli 2005 en 17 maart 2006 niet voorzien waren van een rechtsmiddelenclausule. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule in een besluit niet voldoende voor het verschoonbaar achten van termijnoverschrijding, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze lijn zette de Afdeling in op 8 mei 2001 (AB 2001/291 en 292) en is sindsdien vaste jurisprudentie (o.a. AB 2004/7 en uitspraak AB 10 augustus 2005). Bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld, noch is het college daarvan gebleken.
Informatie over de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen een beslissing van een examencommissie of examinator wordt studenten op allerlei manieren aangereikt. Door middel van de studiegids, het studentenstatuut, informatie op internet en ook specifieke voorlichtingsbrochures over het in beroep gaan bij het CBE had appellant op de hoogte kunnen zijn van de mogelijkheid om een beroep in te dienen. Wanneer appellant op de hoogte is geraakt van de beroepsmogelijkheid is door (gemachtigde van) appellant niet aangegeven.
Er zijn door (gemachtigde van) appellant voor het overige geen argumenten aangevoerd die ertoe zouden behoren te leiden dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar moet worden geacht.
Op grond van het vorenstaande is het college van oordeel dat dit beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
III. Uitspraak
Het college verklaart beide hierboven onder A. en B. aangeduide beroepen van appellant
niet-ontvankelijk.