Uitspraak 07.58
Afwijkende tentamendata
Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, hierna: het college, heeft op
27 augustus 2007 de volgende uitspraak gedaan op het beroep van
mevrouw ………, wonende te …………., verder: appellante,
tegen
de examencommissie BMG , hierna: verweerder.
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij brief van 8 juli 2007, ingekomen op 9 juli 2007, heeft appellante beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 11 juni en 21 juni 2007, waarbij verweerder het verzoek van appellante om het tentamen Gezondheidsrecht in het najaar van 2007 te mogen afleggen, heeft afgewezen.
Op 9 juli 2007 zond het college het beroepschrift in afschrift aan verweerder met het verzoek om na te gaan of een minnelijke schikking met appellante kon worden getroffen.
Bij schrijven van 2 augustus 2007 heeft verweerder medegedeeld dat met appellante geen minnelijke schikking is getroffen omdat verweerder in deze zaak geen schikkingsvoorstel heeft willen doen. Het schrijven van 2 augustus bevatte tevens het verweerschrift.
Het beroep is door het CBE behandeld ter openbare zitting van het college op 27 augustus 2007, alwaar appellante in persoon is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door haar voorzitter, mr.dr.drs. M.A.J.M. Buijsen.
Na afloop van de zitting heeft appellante nog een schriftelijke reactie ingediend bij het college (emailbericht d.d. 27 augustus 2007).
II. Motivering
- Appellante, studente aan de opleiding Beleid, Management en Gezondheidszorg (BMG), heeft op 20 juni 2007 deelgenomen aan het tentamen Gezondheidsrecht. Appellante heeft dit tentamen niet behaald (resultaat 3,4). Aan het hertentamen op 18 juli 2007 nam appellante niet deel omdat zij op dat moment in China verbleef voor promotie-werkzaamheden ten behoeve van de Olympische Spelen Zeilen in 2008 in China. Op 10 juni 2007 verzocht appellante verweerder om het tentamen Gezondheidsrecht in het najaar 2007 te mogen afleggen. In haar verzoek maakte appellante melding van problemen met haar gezondheid (sinusitis, waarvoor zij in januari 2007 was geopereerd) die haar belemmerden bij haar voorbereiding op het tentamen Gezondheidsrecht. Appellante meldde voorts in de week van 11 tot 15 juni deel te zullen nemen aan de tweede fase van de decentrale selectie van de opleiding Geneeskunde. Zij gaf in haar verzoek van 10 juni aan zich, gelet op haar gezondheidsproblemen, met name te zullen concentreren op de toetsen van de decentrale selectie. Om ook het tentamen Gezondheidsrecht voor de opleiding BMG op 20 juni goed te doen zou zij niet redden, aldus appellante in haar emailbericht van 10 juni. Appellante stelde voor om het tentamen Gezondheidsrecht te verschuiven naar het najaar 2007. Verweerder wees dit verzoek af omdat de door appellante aangevoerde redenen niet rechtvaardigen af te wijken van het examenreglement. Appellante werd gewezen op de ingeroosterde hertentamenmogelijkheid.
Na afloop van het tentamen van 20 juni heeft appellante op 21 juni verweerder opnieuw verzocht om het tentamen in het najaar te mogen afleggen. Zij gaf aan het hertentamen in juli niet te kunnen maken omdat zij op dat moment voor werkzaamheden in China zou verblijven. Verweerder wees het verzoek andermaal af.
Tegen de afwijzing van haar beide verzoeken komt appellante in beroep. Zij stelt -kort samengevat- dat zij het tentamen op 20 juni 2007 niet onder normale omstandigheden heeft kunnen afleggen vanwege haar gezondheidssituatie (op 28 juni 2007 leverde appellante een doktersverklaring in). Daardoor had zij, aldus appellante, slechts 1 mogelijkheid om het tentamen af te leggen, en wel het hertentamen op 18 juli, van welke mogelijkheid zij evenwel geen gebruik kon maken omdat zij op dat moment voor werkzaamheden voor de Olympische Zomerspelen Zeilen in China verbleef.
- Verweerder stelt -kort samengevat- dat iedere student per jaar twee tentamenkansen heeft. Sinds jaar en dag wordt slechts in gevallen van overmacht van de regels terzake van tentaminering afgeweken door de examencommissie. In deze zaak is geen sprake van overmacht om een tentamenkans te benutten. Het is de eigen keuze van appellante geweest om naar China af te reizen (als gevolg waarvan zij het hertentamen in juli miste), evenals de wens om onmiddellijk na de zomerperiode een andere opleiding te beginnen. Appellante wist heel goed, zo stelt verweerder, wat de gevolgen zouden zijn van de keuze om ten tijde van het hertentamen naar China af te reizen.
Het inbrengen van een doktersverklaring, eerst nadat appellante uitgelegd had gekregen hoe verweerder omgaat met verzoeken om tentamenkansbehoud, was volgens verweerder overduidelijk een gelegenheidsargument.
- Ter zitting deelt appellante mede zeer verheugd te zijn dat zij -na het doorlopen van de decentrale selectie- is toegelaten tot de opleiding Geneeskunde met ingang van het nieuwe studiejaar. Zij wil evenwel ook haar eerste jaar van de opleiding BMG afronden. Zij mist daarvoor alleen nog het vak Gezondheidsrecht. De eerstvolgende reguliere tentamenmogelijkheid voor dit vak is in juni 2008, maar appellante weet niet of zij dat kan inpassen in haar Geneeskunde opleiding. Zij zou het tentamen Gezondheidsrecht in het najaar 2007 willen doen. In juni 2007 was zij naar haar zeggen niet goed in staat om het tentamen te doen vanwege opspelende sinusitis, en bij het hertentamen in juli was zij verhinderd.
Verzoeken om behoud van tentamenkans worden volgens verweerder enkel en alleen gehonoreerd in geval van overmacht. Daarvan is hier geen sprake. Verweerder is van mening dat appellante zelf verantwoordelijk is voor de door haar gemaakte keuzes, appellante had ook anders kunnen kiezen, aldus verweerder. Als zij niet naar China was afgereisd had zij het hertentamen kunnen maken, en had het hele probleem zich niet voorgedaan. Appellante is van mening dat er wel sprake is van overmacht. Zij verwijst naar de doktersverklaring. Het klopt volgens appellante dat de hertentamenmogelijkheid geblokkeerd werd op het moment dat zij naar China ging. Maar, zo voegt zij hieraan toe, die keuze was al gemaakt voordat het slechter ging met haar gezondheid. Zij merkt op dat haar was gegarandeerd dat 95 % van de sinusitis operaties slaagt. Appellante had er geen rekening mee gehouden dat haar gezondheid slechter zou worden. Zij heeft haar verantwoordelijkheid genomen voor het werk in China dat zij eerder had toegezegd. Appellante werkte in China voor een investeringsmaatschappij die in boten belegt.
Desgevraagd geeft appellante aan na haar operatie in januari 2007 4 a 5 tentamens (met goed gevolg) te hebben gemaakt. Het ging lange tijd goed, aldus appellante, maar vlak voor de zomer ging het slechter met haar gezondheid.
- Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.
Het college ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder, alle belangen afwegend, in redelijkheid het verzoek van appellante om -buiten het reguliere tentamenrooster om- het tentamen Gezondheidsrecht in het najaar 2007 te mogen afleggen, heeft kunnen afwijzen.
Voor het afleggen van het tentamen Gezondheidsrecht waren in het studiejaar 2006-2007 twee gelegenheden, te weten op 20 juni en het hertentamen op 18 juli 2007.
Appellante behaalde het tentamen op 20 juni niet. Appellante stelt dat zij op 20 juni niet onder normale omstandigheden kon functioneren vanwege problemen met haar gezondheid. De vraag of er daarbij sprake was van overmacht laat het college in het midden. Appellante had immers een tweede tentamenmogelijkheid, te weten op 18 juli. Die mogelijkheid heeft zij niet kunnen benutten omdat zij had besloten in die periode werkzaamheden in China te verrichten. Naar de mening van het college is dat een keuze waarvan de gevolgen voor rekening en risico van appellante behoren te komen. Door de reis naar China te plannen nam appellante bewust het risico dat het hertentamen niet zou kunnen worden gemaakt. Er is naar het oordeel van het college in dat geval dan ook geen sprake van overmacht, maar van eigen keuzes van appellante.
Het college is van mening dat de door verweerder gegeven motivering voor haar afwijzende beschikking begrijpelijk en voldoende draagkrachtig is.
Alles overziende komt het college tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Nu de beslissing ook niet op andere gronden voor vernietiging in aanmerking komt, moet worden beslist als volgt.
III. Uitspraak
Het college verklaart het beroep van appellante ongegrond.