ABD Homepage   Juridische Zaken   Informatie voor studenten   College van Beroep voor de Examens   Uitspraken 2007   Uitspraak 07.69

Uitspraak 07.69

Bindend studieadvies


Het College van Beroep voor de Examens van de EUR, verder te noemen: het college, heeft op 1 oktober 2007 de volgende uitspraak gedaan inzake het beroep van

de heer …….., wonende te ………, verder: appellant,

welk beroep was gericht tegen

de beslissing van de examencommissie Bestuurskunde, hierna: verweerder, waarbij aan appellant een negatief bindend studieadvies is gegeven.


I. Ontstaan en loop van het geding

Appellant heeft bij schrijven van 31 juli 2007, door het college op 2 augustus 2007 ontvangen, beroep ingesteld tegen de beslissing van verweerder van 23 juli 2007, waarbij aan hem een negatief bindend studieadvies is gegeven en hem is meegedeeld dat hij zich de komende drie studiejaren niet mag inschrijven voor de bacheloropleiding Bestuurskunde.

Op 6 augustus 2007 heeft het college het beroepschrift in afschrift toegezonden aan verweerder, met het verzoek om in overleg met betrokkene na te gaan of een minnelijke schikking mogelijk is en het resultaat van deze poging uiterlijk 27 augustus 2007 schriftelijk mee te delen aan het college. Op verzoek van verweerder verleende het College verweerder uitstel tot 10 september 2007.

Op 10 september 2007 ontving het college het verweerschrift d.d. 10 september 2007.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van het college op 1 oktober 2007, waar appellant in persoon is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door haar voorzitter, prof.dr..... en haar bestuurlijk secretaris, drs. ....


II. Motivering

  1. Appellant heeft in het eerste jaar van zijn bacheloropleiding Bestuurskunde (2006-2007) in totaal 25 studiepunten (waarvan 5 vrijstelling) behaald. Hij voldeed daarmee niet aan de norm voor het bindend studieadvies, welke aangeeft dat aan het eind van het eerste jaar van inschrijving minimaal 40 studiepunten moeten zijn behaald. Appellant ontving een negatief bindend studieadvies. Hiertegen is appellant in beroep gekomen. Appellant stelt dat het niet behalen van voldoende studiepunten het gevolg is van omstandigheden die voor hem onvoorzien waren en buiten zijn invloedssfeer lagen. Appellant beroept zich op gezondheidsredenen die zich naar zijn zeggen vanaf oktober 2006 hebben ontwikkeld. Dat heeft geleid tot doktersbezoeken. Appellant heeft een doktersverklaring gedateerd 4 juli 2007 bijgevoegd. Voorts heeft appellant naar zijn zeggen een traumatische ervaring met de politie gehad in november 2006. Appellant wijst verder op zijn bestuurswerk voor de Rotterdamse Jongerenraad waar hij 12 tot 16 uur per week actief is. Deze functie voorziet volgens appellant tevens in bekostiging van zijn studie.

  2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellant zich volstrekt onvoldoende inzet om zijn studie Bestuurskunde tot een succes te maken. Onduidelijke gezondheidsredenen en een ervaring met de politie worden door appellant aangevoerd als verklaring voor het slagen voor slechts 20 studiepunten in het collegejaar 2006-2007. Voor verweerder is het opmerkelijk dat deze omstandigheden appellant niet blijken te hinderen bij zijn omvangrijke bestuurlijke werkzaamheden voor en in relatie tot de Rotterdamse Jongeren Raad. Ondanks de mindere studieprestaties in blok 1 en 2 van het collegejaar 2006-2007 heeft appellant zich voor 2007 evenwel opnieuw laten kiezen als lid van het bestuur van de Rotterdamse Jongeren Raad. Appellant is volgens verweerder, ook gelet op een adhesieverklaring van de voorzitter van bedoelde Raad, bijzonder actief in die functie. Verwacht had mogen worden dat appellant zijn prioriteit bij zijn studie zou hebben gelegd, aldus verweerder. Verweerder heeft niet kunnen waarnemen dat appellant inmiddels zijn prioriteit legt bij de eisen die een studie Bestuurskunde vraagt. Verweerder acht een negatief bindend studieadvies gerechtvaardigd.

  3. Ter zitting geeft appellant desgevraagd aan dat hij hiervoor drie jaar economie heeft gestudeerd, maar dat was toch een verkeerde keuze, aldus appellant.Het college informeert naar de gezondheidsproblemen die appellant aanvoert. Appellant merkt op dat hij kampte met ernstige gezondheidsproblemen. Appellant had naar zijn zeggen te kampen met hoog oplopende spanningen als gevolg waarvan hij ziek werd. Zijn huisarts heeft een briefje gemaakt, dat conform de regels van zijn beroepsgroep summier is, aldus appellant.

    Ter zitting reikt verweerder een print uit van een webpagina waarin ingegaan wordt op bestuurlijke werkzaamheden van appellant. Appellant is aangesteld als leider van een delegatie van internationale waarnemers bij verkiezingen voor het jeugdparlement van Suriname in augustus 2007. Verweerder merkt op dat alle bestuurlijke werkzaamheden van appellant voor de Rotterdamse Jongerenraad in 2006-2007 op gespannen voet staan met de door appellant gestelde rust die hij nodig zou hebben in verband met zijn ziekte.

    Ook het zich opnieuw laten herbenoemen als bestuurslid vindt verweerder zeer onverstandig in het licht van prioriteit voor zijn studie. Verweerder merkt op dat er in blok 3 geen enkele toetsdeelname van appellant is. In totaal zijn er 18 toetsmomenten geweest, waarvan slechts 4 succesvol zijn geweest.

    Verweerder merkt op dat het bindend studieadvies niet zozeer als ‘straf’ moet worden gezien, maar veeleer als een middel om de student te beschermen tegen zichzelf bij de vraag of voortgegaan moet worden met de studie.

    In november 2006 is er contact geweest tussen de studieadviseur en appellant voor een afspraak, welk afspraak tot tweemaal toe is afgezegd door appellant vanwege ziekte. Eerst in maart 2007 was er voor de eerste maal een gesprek met de studieadviseur. Appellant bevestigt dat hij in maart 2007 zodanig fysiek was opgeknapt dat hij in staat was om naar de universiteit te komen.

    Appellant brengt naar voren dat het door verweerder ingebrachte stuk niet relevant is, het gaat daarin om activiteiten die plaatsvonden na afloop van het studiejaar. Het stuk overtuigt volgens zeggen van appellant niet dat hij bezig is met andere activiteiten naast zijn studie.

    Desgevraagd bevestigt appellant dat hij vanaf het begin op de hoogte was van de bsa- systematiek en aan welke eisen hij aan het eind van het studiejaar moest voldoen. Gevraagd of appellant niet heeft overwogen al in oktober te communiceren anders dan richting huisarts dat het niet goed liep met de studie, antwoordt appellant dat hij zich indirect bij de studieadviseur afmeldde voor werkgroepen. Appellant geeft aan niet een type te zijn die snel zegt ‘het gaat niet’. Pas toen het echt niet meer ging heeft hij direct contact opgenomen met de studieadviseur.

  4. Het college overweegt naar aanleiding van de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.

    Op grond van artikel 7.8b, derde lid van de WHW kan door de decaan van de opleiding aan een studieadvies een afwijzing worden verbonden, zolang de student nog niet alle onderdelen van cursusjaar Bachelor 1 van de opleiding met goed gevolg heeft afgelegd dan wel vrijgesteld heeft gekregen. Een dergelijke afwijzing kan slechts worden gegeven indien de student met inachtneming van diens persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, omdat diens studieresultaten niet voldoen aan de vereisten, die daaromtrent zijn gesteld. De afwijzing geldt voor een termijn van drie studiejaren.

    Voor de opleiding Bestuurskunde zijn de regels met betrekking tot het bindend studieadvies neergelegd in de Onderwijs- en Examenregeling van de opleiding. Voor de opleiding Bestuurskunde behelzen deze dat tenminste 40 studiepunten van de 60 studiepunten van het cursusjaar B1 dienen te zijn behaald aan het eind van het eerste jaar van inschrijving. Aan het eind van het tweede jaar van inschrijving dienen alle onderdelen van het cursusjaar B1 behaald te zijn.

    Vaststaat dat de studieresultaten van appellant aan het eind van diens eerste jaar van inschrijving niet voldoen aan de norm van het bindend studieadvies. Waar appellant minimaal 40 punten had moeten behalen om aan de norm te voldoen, is appellant blijven steken op 25 studiepunten.

    Het college ziet zich voor de vraag gesteld, alle belangen afwegende, of verweerder in redelijkheid tot een negatief bindend studieadvies heeft kunnen komen. Die vraag beantwoordt het college bevestigend.

    Appellant heeft ervoor gekozen diverse bestuurlijke activiteiten buiten de universiteit te ontplooien. De gevolgen van de in die zin door appellant gemaakte keuzes en afwegingen behoren voor rekening en risico van appellant zelf te komen. Met verweerder is het college van mening dat het voor de hand had gelegen dat appellant meer prioriteit had gegeven aan zijn studie, temeer daar appellant, zoals hij ter zitting zelf heeft bevestigd, terdege wist van het bestaan van de bindende studieadviesnorm. Overigens merkt het college op dat de bestuurlijke werkzaamheden van appellant buiten de instelling geen persoonlijke omstandigheid is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid Uitvoeringsbesluit WHW. In dit artikel zijn de persoonlijke omstandigheden die bij het uitbrengen van een bindend studieadvies in aanmerking kunnen worden genomen, limitatief opgesomd. Werkzaamheden naast de opleiding behoren daar niet toe.

    Voor wat betreft overige persoonlijke omstandigheden waarop appellant zich beroept (ernstige gezondheidsproblemen) is het college van oordeel dat deze voor het college niet dan wel onvoldoende aannemelijk zijn geworden. Appellant heeft deze omstandigheden verder ook niet geëtaleerd.

    Het college is van oordeel dat niet gesteld kan worden dat verweerder niet in redelijkheid tot een negatief bindend studieadvies heeft kunnen komen. Nu de beslissing van verweerder ook niet op andere gronden voor vernietiging in aanmerking komt, moet worden beslist als volgt.

III. Uitspraak

Het college verklaart het beroep van appellant ongegrond.