Reële illusie

Fieke van der Lecq, 6 mei 2010
In wat voor wereld leven we straks? Wie deelneemt in een pensioenregeling, doet er goed aan zich dit af te vragen. De pensioentoezegging die jaarlijks op de officiële brief staat - het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) – is immers in nominale termen. Dat betekent dat er geen rekening is gehouden met inflatie.
De reden hiervoor is dat het pensioenfonds doorgaans niet verplicht is om voor inflatie te compenseren. Wel hebben de meeste pensioenfondsen de ambitie om de pensioenen te indexeren voor de prijsontwikkeling: waardevaste pensioenen. Sommige fondsen willen zelfs indexeren voor de loonontwikkeling en leveren dan welvaartsvaste pensioenen. Voor zover de lonen harder stijgen dan de prijzen, is dit aantrekkelijk voor de deelnemers. Voor degenen die het pensioenfonds hebben verlaten omdat ze nu ergens anders werken, de zogeheten slapers, is doorgaans een waardevast pensioen weggelegd, althans… dat is de ambitie.
Als pensioenfondsen er niet in slagen om hun ambitie te realiseren, komt dat doorgaans doordat hun dekkingsgraad te laag is. Ze hebben te weinig vermogen beschikbaar om meer pensioen te kunnen toezeggen. De prudentiële toezichthouder controleert alleen de verhouding tussen pensioentoezegging en vermogen, maar bepaalt niet de toezegging zelf. Dat doen de sociale partners aan de CAO-tafel.
In pensioenenland wordt steeds vaker gepleit voor reële toezeggingen van pensioenen. Het pensioenfonds moet er dan voor zorgen dat de toegezegde koopkracht van het pensioen gewaarborgd is en de prudentiële toezichthouder moet controleren of het fonds dit naar behoren doet. Daar is veel voor te zeggen, want pensioenfondsen weten beter dan deelnemers hoe de inflatieverwachtingen voor de komende decennia zijn en kunnen daar op inspelen met hun toezeggingen (liabilities) en hun beleggingsbeleid (assets). Fondsen beleggen al steeds vaker in sectoren die inflatiebestendig zijn, zoals nutsbedrijven en woningverhuurders. Hamvraag is dan wel of de inflatie zich een beetje fatsoenlijk laat voorspellen. In vaktermen gesproken: is het een risico waarvan we de kansverdeling kennen, of is het een onzekerheid waarvan we geen idee hebben?
In de geldtheorie wordt er onderscheid gemaakt tussen gewone situaties en uitzonderlijke situaties. In gewone situaties is er weinig inflatie en weten mensen bij geldbedragen goed wat ze ervoor kunnen kopen. Daarom denken mensen dan in geldtermen (geld als rekeneenheid) en gebruiken ze geld om te handelen, bijvoorbeeld door hun werk te verkopen en van hun loon goederen te kopen. Dat is een nominale wereld, waarin geld de functies van ruilmiddel, rekeneenheid en oppotmiddel vervult. In uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld bij hoge of variabele inflatie, is de waarde van geld onduidelijk. Dan gaan mensen denken in termen van goederen en gaan ze goederen rechtstreeks verhandelen, soms zonder tussenkomst van geld. Dat is een reële wereld, maar het is geen normale wereld, want “het geldstelsel is ziek” (Hoogduin, 1996). In die wereld is een pensioen in natura zekerder dan een opgebouwd recht van een som geld. Een pensioen in natura? Ja, dat zou kunnen, bijvoorbeeld via een huurwoning, zorgverzekering, voedselbonnen, enzovoorts. We hebben het hier immers over een uitzonderlijke situatie. De vraag is dan wel hoe de prijzen van huurwoningen, zorgdienstverlening en voedsel zich ontwikkelen op het moment dat pensioenfondsen als vragers op de betreffende markten gaan optreden.
Gelukkig leven we momenteel niet in zo’n uitzonderlijke situatie, maar de kwalificatie van crisis was de laatste tijd wel degelijk van toepassing. Lange tijd leken de pensioenfondsen goed in staat te zijn om hun activa en passiva op elkaar af te stemmen, zodat de dekkingsgraden op peil bleven. De afgelopen jaren zijn echter zowel de rente als de rendementen op vrijwel alle activa erg laag geweest en die combinatie leidde tot enorme impact. De wereld leek niet langer voorspelbaar en het vertrouwen in de pensioensector liep zienderogen terug. Mensen wilden liever zelf hun pensioengeld gaan beleggen, want dat gaf hen meer gevoel van controle dan hun jaarlijkse UPO over de opgebouwde rechten. Inmiddels is zijn de beurskoersen weer wat aangetrokken en lijkt ook de rente heel voorzichtig aan een opwaartse beweging te beginnen. De pensioensector is bezig lessen te trekken aan de hand van enkele rapporten.
Daarbij wordt onder andere de vraag opgeworpen of pensioentoezeggingen in reële termen moeten luiden. Dan weten de deelnemers en gepensioneerden beter waar ze aan toe zijn. Tegelijk zien ze ook de dekkingsgraden enorm naar beneden gaan, met soms 20 tot 30 procentpunten. Zijn mensen geruster bij een reële dekkingsgraad van 80 of een nominale dekkingsgraad van 105? Hoe gaan we dit communiceren?
In wat voor wereld leven we nu: een nominale wereld of een reële wereld? Zolang we nog niet ‘in control’ zijn en bepaald niet zeker is dat de inflatie laag blijft, is de roep om reële pensioentoezeggingen begrijpelijk. Niet compenseren voor inflatie scheelt immers al gauw de helft van de koopkracht over 35 jaar (Frijns, 2010, fig.16). Dat is pech voor de gepensioneerde, die het met minder moet doen, of pech voor het pensioenfonds, die hiervoor moet indexeren. Dat laatste leidt tot de roep om inflatiegerelateerde staatsobligaties, al zijn daar kanttekeningen bij te plaatsen (Van der Lecq, 2008). Hoe dan ook blijft er een behoefte aan reële pensioentoezeggingen, zolang de inflatie onvoorspelbaar is en het risico van geldillusie te groot. Dat vergt extra stuurmanskunst van de pensioenfondsbesturen. Het zet de schijnwerper ook op de centrale banken, die niet alleen de geldhoeveelheid moeten beheersen, maar ook toezicht houden op de pensioenfondsen. Maatregelen vanwege het monetaire beleid werken door in de inflatie en daarmee de positie van pensioenfondsen. Deze doorwerking wordt sneller zichtbaar bij het publiceren van reële dekkingsgraden en het sturen op reële toezeggingen. De burger krijgt sneller in de gaten wat er gebeurt. Is DNB daar zelf al klaar voor?
Literatuur
J. Frijns (2010), Pensioen: "Onzekere zekerheid", rapport Commissie Beleggingsbeleid en Risicobeheer, Eindhoven/’s-Gravenhage/Winsum.
L.H. Hoogduin (1996) Konijn, olifant of konifant? Op zoek naar een vruchtbare beschouwingswijze van geld en financiële verschijnselen, inaugurele rede, Rijksuniversiteit Groningen.
S.G. van der Lecq (2008), Indexleningen geen panacee, EconomieOpinie.NL
Publicatiedatum: 06 mei 2010

Fieke van der Lecq is bijzonder hoogleraar Pensioenmarkten op de Cordares-leerstoel aan de Erasmus School of Economics. Daarnaast is zij bestuurslid van de Wim Dreesstichting voor Openbare Financien, academic member van de editorial board van Netspar en treedt zij regelmatig op als spreker en gastdocent.