EconomieOpinie.nl   Artikelen   detail

Economische waarde van kunst en cultuur

Martijn Burger en Frank Neffke, 24 januari 2011

Kunst en cultuur kosten de overheid 1,7 miljard euro per jaar. Dit komt neer op 100 euro per inwoner. Dat is veel geld en het is dus op zich niet vreemd dat het nieuwe kabinet Rutte voor ruim 200 miljoen wil korten op kunst en cultuur.

Hiervoor zijn maatregelen genoemd als het afschaffen van een deel van de kunst- en cultuursubsidies, het verhogen van de BTW op kaartjes voor voorstellingen en de afschaffing van een aantal regelingen, zoals de cultuurkaart, de innovatie- en matchingsregeling en de kunstenaarsbijstandsregeling WWIK, die ten dele al ten uitvoer worden gebracht.

Daarnaast zullen culturele instellingen en kunstenaars meer ondernemend moeten worden en een groter deel van hun inkomsten zelf moeten gaan verwerven. Deze bezuinigingen lijken gedragen te worden door een groot deel van de Nederlandse bevolking. In een onderzoek van Synovate in opdracht van de actualiteitenrubriek NOVA kwam vorig jaar naar voren dat bijna 60% van de Nederlanders wil bezuinigen op kunst en cultuur. Kunst en cultuur worden gezien als iets voor de elite en die kunnen dit zelf wel bekostigen.

Bij de voorgestelde bezuinigingen worden echter met name de kosten van kunst en cultuur breed uitgemeten, terwijl er weinig gekeken wordt naar de opbrengsten van kunst en cultuur. Het kunst- en cultuuraanbod in een stad zijn namelijk van groot belang voor de vitaliteit van de stedelijke economie. Snijden in het budget voor kunst en cultuur leidt niet alleen tot een verschraling van het kunst- en cultuuraanbod (het traditionele argument vanuit de kunstwereld), maar ook tot een verslechtering van de concurrentiepositie van steden en het minder soepel functioneren van de stedelijke economie.

Aantrekkingskracht van Kunst
Een groot en gevarieerd aanbod aan kunst en cultuur maakt het aantrekkelijk voor mensen en bedrijven om zich in een stad te vestigen. Door flexibelere arbeidscontracten, de dubbele carrières van steeds meer tweeverdieners, toenemende mobiliteit en toegenomen waarde die men hecht aan vrije tijd wordt de woonplek in toenemende mate onafhankelijk van de werkplek gekozen. Volgens Harvard econoom Edward Glaeser zijn steden vandaag de dag niet alleen meer plekken waar geproduceerd wordt, maar bovenal plekken waar geconsumeerd wordt. Met name hogeropgeleiden zijn ruimtelijk mobiel en hechten veel waarde aan quality of life, waaronder de aanwezigheid van kunst en cultuur in de woon- en leefomgeving. Aangezien ‘menselijk kapitaal’ één van de belangrijkste productiefactoren is in de hedendaagse kenniseconomie en bedrijven steeds vaker de schaarse hoogopgeleide werknemers volgen, zou beleid er juist op gericht moeten zijn hogeropgeleiden vast te houden en aan te trekken. Zo is Amsterdam niet alleen een aantrekkelijke vestigingsplaats voor grote internationale ondernemingen vanwege Schiphol en lage belastingtarieven, maar ook vanwege het aanwezige hoogopgeleide arbeidspotentieel in de regio.

Door de aantrekkingskracht van de kunst- en cultuursector op high potentials is kunst en cultuur dus ook van belang voor het aantrekken van bedrijven en het stimuleren van de werkgelegenheid in een stad. Verder heeft kunst en cultuur een grote aantrekkingskracht op toerisme. Zo is Amsterdam niet alleen vermaard om haar grachtengordel, maar ook om haar vele musea, culturele evenementen en orkesten van wereldniveau. De bestedingen van deze toeristen zijn een belangrijke inkomstenbron voor de lokale detailhandel en horeca.

Stedelijke Arbeidsmarkten en Kunst
Kunstenaars vervullen nog een belangrijke rol binnen de stedelijke economie. Volgens de Amerikaanse socioloog Richard Florida stimuleert de aanwezigheid van kunstenaars in een stad een klimaat van tolerantie, openheid en diversiteit doordat kunstenaars over het algemeen ruimdenkend, creatief en vrijzinnig georiënteerd zijn. Dit trekt niet alleen andere bevolkingsgroepen (waaronder hoogopgeleiden) aan, maar genereert ook een klimaat van kennisoverdracht, innovatie en ondernemerschap in een stad. Dit is niet verwonderlijk: in de meeste banen waarin kunstenaars actief zijn worden originaliteit, creativiteit en authenticiteit hoog gewaardeerd.

Kunstenaars zijn ook van belang voor stedelijke arbeidsmarkten; hun vaardigheden zijn vaak van grote waarde in veel andere sectoren. Onderzoek naar de arbeidsmobiliteit van werknemers wijst uit dat relatief veel kunstenaars instromen in banen in de creatieve zakelijke dienstverlening. Voorbeelden zijn uitgeverijen, reclamebureaus, ontwerpbureaus, persbureaus en radio en televisie. Uit eigen onderzoek naar de gerelateerdheid van economische activiteiten blijkt dat de arbeidsinstroom in bovengenoemde bedrijfstakken vanuit de kunst- en cultuursector 3 tot 10 keer zo groot is als de omvang van deze sector zou doen vermoeden. Waar de kunst sector zelf wellicht niet geassocieerd wordt met een hoge toegevoegde waarde in economisch opzicht, worden de hierboven genoemde bedrijfstakken die profiteren van de instroom van creatievelingen uit deze sector veelal gerekend tot kernsectoren van de moderne kenniseconomie.

Op hun beurt zijn kwalitatief hoogstaande creatieve zakelijke diensten weer van cruciaal belang voor het aantrekken en functioneren van financiële instellingen, economische adviesbureaus en hoofkantoren van multinationals. Zo was één van de belangrijkste redenen voor de verplaatsing van het Philips hoofdkantoor van Eindhoven naar Amsterdam de hoofdstedelijke reclame en marketing expertise. Met het korten op kunst- en cultuur verdwijnt dus ook een broedplaats van creatief talent, hetgeen op termijn gevolgen zal hebben voor de productiviteit in sectoren die van groot belangrijk zijn voor het functioneren van de Nederlandse economie.

Toekomstmuziek
Kunst en cultuur vormen een ruggegraat van de stedelijke economie en steden met een levendige kunst- en cultuursector kennen een zonnigere toekomst. Subsidies moeten om die reden niet alleen gezien worden als kosten, maar ook als een middel om de creatieve stedelijke economie te stimuleren en te laten floreren. De kunst- en cultuursector wordt in economische analyses vaak uitsluitend opgevoerd als kostenpost die verder weinig in het laatje brengt. De sector heeft dit deels ook aan zichzelf te wijten. Kunstenaars zouden zich meer bewust moeten worden van de waarde van hun beroepsgroep in andere sectoren en dit uitdragen in het maatschappelijk debat. Niet alles van waarde is weerloos. Een belangrijke stap hierin is niet alleen nader te bekijken welke kunstvormen zichzelf kunnen bekostigen, maar ook het belang van kunst voor de rest van de economie te benadrukken. Het nieuwe kabinet zou zich bewust moeten zijn van de vervlechting van de verschillende sectoren in de economie. In dit licht zou het willekeurig afschaffen van kunstsubsidies als neveneffect kunnen hebben dat de ambitie om Nederland te transformeren tot een competitieve kenniseconomie in gevaar komt.


Publicatiedatum: 24 januari 2011




Martijn Burger is promovendus bij de capaciteitsgroep Toegepaste Economie en in het bijzonder Organization, Strategy and Entrepreneurship. Zijn onderzoek richt zich op stedelijke en regionale ontwikkeling en internationale handel en investeringen.


Frank Neffke is universitair docent Toegepaste Economie aan de Erasmus School of Economics. Zijn onderzoek richt zich op de verwantschap en kruisbestuiving tussen bedrijfstakken en hoe deze de diversificatie van bedrijven en regio's beïnvloeden.