EconomieOpinie.nl   Artikelen   detail

Profieleisen voor gevallen goden

Ivo Arnold, 23 mei 2011

Eind jaren negentig bereikte de reputatie van centrale bankiers een hoogtepunt. Het inflatiespook van de jaren zeventig was overwonnen en centrale bankiers gingen met de eer strijken. Dit was de tijd waarin Allan Greenspan nog op handen werd gedragen en de ECB op de onafhankelijke leest van de Bundesbank werd geschoeid.

Het Britse weekblad The Economist publiceerde in 1998 zelfs een artikel met als titel "The central banker as god".1

Sindsdien is de monetaire elite hard van de Olympus geduikeld. Een te ruim monetair beleid voor de kredietcrisis, mede als gevolg van blindheid voor vermogensprijsinflatie, een te groot vertrouwen in de werking van de financiële markten, een te welwillende opstelling jegens banken en grove toezichtfouten, hebben de mythe van de alwetendheid van centrale bankiers voor altijd doorgeprikt. Als klap op de vuurpijl is er nu het schandaal rond DSK.

Deze lente doet zich de unieke situatie voor dat bij zowel DNB, de ECB als het IMF de opvolgingskwestie speelt. De opvolgers van Wellink, Trichet en DSK zullen echter niet in serene rust de Olympus bestijgen. Hen wordt, net als gewone mensen, publiekelijk de maat genomen. Discussies over geschiktheid alom, dus. Maar kunnen we hier wel iets zinnigs over zeggen? Ik laat twee veelgehoorde profieleisen kort de revue passeren.

De eerste is onafhankelijkheid. Sommige economen maken hier een groot punt van, laatstelijk nog bij de benoeming van Klaas Knot tot president van DNB. De vrees is dat met een te snelle overstap van het Ministerie van Financiën naar DNB de afhankelijkheidsrelatie tussen ambtenaar en minister onvoldoende zou zijn gesleten. Mijns inziens is deze vrees ongegrond. De benoemingstermijn van 7 jaar biedt afdoende bescherming tegen het risico dat de nieuwe president een slaaf van de politiek zou worden.

Misschien nog wel belangrijker dan onafhankelijkheid van de politiek is onafhankelijkheid van de financiële sector. Een centrale bankier hoort het publiek belang boven het belang van de sector te stellen. Het is te hopen dat Knot het op dit punt beter doet dan zijn voorganger, die weinig oog had voor de systeemrisico's die voortvloeiden uit de groeistrategieën van de Nederlandse grootbanken.

Absolute onafhankelijkheid is overigens een waanidee en voor geen enkele beroepsgroep gezond. Centrale banken opereren niet in een politiek of maatschappelijk vacuüm. Een centrale bankier kan het zich niet veroorloven om het respect en de steun van de publieke opinie te verliezen, zoals Wellink heeft ondervonden. In plaats van een onafhankelijke god, is een centrale bankier vooral een feilbare dienaar van het publieke belang, met een tijdshorizon die verder strekt dan die van de gemiddelde politicus.

De tweede profieleis betreft de monetaire school waaruit de kandidaat voortkomt. Rond de kandidatuur van Draghi voor het presidentschap van de ECB is er enige discussie over de vraag of hij wel uit het juiste Teutoonse hout is gesneden. De vrees is dat zijn monetaire visie een te Angelsaksische signatuur zou hebben. In macro-economische termen: dat Draghi een wat groter gewicht in de monetaire beleidsfunctie geeft aan hoge groei in plaats van lage inflatie, vergeleken met centrale bankiers uit de traditie van de Duitse Bundesbank. Deze redenering getuigt vooral van nostalgie naar de jaren zeventig, toen de centrale bank van Duitsland inderdaad een beter monetair beleid voerde dan de Angelsaksische of Zuid-Europese landen. Maar sinds de introductie van de euro is er weinig verschil in monetair beleid aan beide kanten van de Atlantische oceaan. Het belang van monetaire expertise voor centrale bank presidenten wordt overigens overschat. Centrale bankiers worden ondersteund door een uitstekend ambtelijk apparaat. Het is vooral van belang dat ze door de bomen het bos kunnen zien.

Belangrijker dan monetaire kennis is dan ook dat een centrale bankier kalmte, rust en vertrouwen uitstraalt en in tijden van crisis flexibiliteit van geest heeft en boven zichzelf kan uitstijgen. Maar deze eigenschappen zijn onmogelijk van een afstand te beoordelen, waardoor de discussies in de media over de monetaire poppetjes tamelijk zinloos zijn. We zullen erop moeten vertrouwen dat “the powers that be” de juiste keuze maken.

 

1The Economist, 12 november 1998


Publicatiedatum: 25 mei 2011



Ivo Arnold is opleidingsdirecteur en plaatsvervangend decaan aan de Erasmus School of Economics. Hij promoveerde in 1996 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam met een dissertatie over Europees monetair beleid. Tevens is hij hoogleraar aan Nyenrode Business Universiteit en hoogleraar Economisch Onderwijs aan de ESE. Hij vervulde bij Nyenrode achtereenvolgens de functies van PhD director, programme director van het executive MBA en voorzitter van de vakgroep Finance. Arnold heeft daarnaast een ruime onderwijservaring.