Belastingmaatregel tegen grondslaguitholling door bedrijven nu al mislukt

Door: Ruud de Smit
In de afgelopen jaren is via de media naar buiten gekomen dat Nederlandse concerns, zoals Hema, Van Gansewinkel, Ziggo en recentelijk Catalpa, na een overname door buitenlandse investeerders nauwelijks nog Nederlandse vennootschapsbelasting betalen. Daardoor is maatschappelijk en politiek terecht veel consternatie ontstaan. De staatssecretaris van Financiën Weekers heeft de handschoen opgepakt en per 1 januari jl. is nieuwe wetgeving die bovenstaande praktijk een halt zou moeten toeroepen in werking getreden.
De toegepaste constructie waardoor de Nederlandse belastinggrondslag door bedrijven wordt uitgehold, werkt in een notendop als volgt. De (buitenlandse) investeerders financieren de overname met vreemd vermogen, waarbij de verschuldigde rente ten laste van het resultaat van de overgenomen onderneming wordt gebracht. De overgenomen Nederlandse bedrijven worden met andere woorden volgepompt met schuld en daardoor ontstaat er een aftrekpost waartegen alle inkomsten worden uitgewist.
1 januari jl. is een maatregel van kracht geworden waarin kort gezegd de rente over de overnameschuld niet meer kan worden verrekend met de winst van de overgenomen vennootschap. Wel blijft de overnamerente aftrekbaar tot een bedrag van 1 miljoen euro of als er sprake is van een gezonde financieringsverhouding. Dat is het geval als de overnameschuld in het jaar van overname niet meer bedraagt dan 60% van de overnameprijs. Dit percentage wordt vervolgens in 7 jaar afgebouwd met 5% per jaar, naar 25%.
Werkt het?
In Nederland zijn afgelopen vijftien jaar al talloze (wettelijke) renteaftrekbeperkingen van kracht geworden die meebrengen dat de rente - in weerwil tot de hoofdregel – niet in aftrek kan worden gebracht teneinde te voorkomen dat bedrijven bovenmatig met vreemd vermogen worden gefinancierd. De wetgever heeft er tot nu toe voor gekozen om in specifieke situaties van misbruik de rente niet langer in aftrek toe te staan. De gekozen koers is voornamelijk vanwege de toegenomen globalisering niet succesvol gebleken. Het is namelijk buitengewoon lastig gebleken om de aftrekbeperkingen goed vorm te geven. Aan de bestaande wettelijke renteaftrekbeperkingen kleeft daardoor nogal eens overkill of juist underkill. Met andere woorden: soms treffen deze renteaftrekbeperkingen een renteaftrek door bedrijven waar helemaal geen onbedoeld gebruik in het spel is en soms kan onbedoeld gebruik juist onverminderd blijven plaatsvinden ondanks de wettelijke aftrekbeperkingen.
De nieuwe renteaftrekbeperking voor de overnameconstructies behoort tot de laatste categorie. Ondanks dat de inkt van de wetswijziging nauwelijks is opgedroogd, lijkt nu al gesteld te kunnen worden dat met alle relevante variabelen uit de wettelijke renteaftrekbeperking in de rechtspraktijk kan worden ‘gespeeld’, zodat de aftrekbeperking kinderlijk eenvoudig kan worden ontweken.
Een gestileerd voorbeeld waarbij ik geen rekening houd met de drempel van € 1.000.000: stel dat een bedrijf (‘target’) een waarde heeft van € 10.000.000 en er een potentiële koper is. Dan maakt het voor de kopende en verkopende partij niet uit dat in plaats van de overname tegen € 10.000.000, de target wordt overgenomen tegen € 1.000.000 indien daarnaast een vordering op dezelfde target van € 9.000.000 wordt gecreëerd die tevens wordt overgenomen door de kopende partij. De balans van de target verandert met andere woorden door aan de creditzijde het eigen vermogen te verlagen en het vreemde vermogen te verhogen. In commerciële zin maakt dit geen enkel verschil en het is in de praktijk zeer eenvoudig te construeren. Het gevolg hiervan is dat de schuld die de kopende partij aangaat bij de bank van € 10.000.000 om de target en de vordering op de target te kopen, slechts voor € 1.000.000 als overnameschuld kwalificeert. De rente op de schuld voor zover die verband houdt met de overgenomen vordering is hierdoor gewoon aftrekbaar.
Dit is slechts één van de vele voorbeelden die ik kan geven. Vanwege voorzienbare ontwijkconstructies vraag ik mij hardop af of deze wetgevingsoperatie één cent gaat opleveren. Ik vrees dat - indien het door mij gestelde wordt gestaafd met cijfers - dit opnieuw tot onrust gaat leiden vanwege de hernieuwde oproep om wijziging van de renteaftrekbeperkingen. En niet ten onrechte. Maar we weten dat het telkenmale wijzigen van de vennootschapsbelastingwetgeving buitengewoon slecht is voor het fiscale vestigingsklimaat. Voortborduren op de methodiek van symptoombestrijding door jaarlijkse (kleine) wijzigingen is naar mijn mening geen optie meer. De complexiteit, de overkill en de onderkill van de bestaande renteaftrekbeperkingen vragen om een fundamentele koerswijziging.
Wat moet er dan wel gebeuren?
In de vennootschapsbelasting wordt klassiek een onderscheid gemaakt tussen financiering met vreemd en eigen vermogen. De vergoeding van vreemd vermogen – rente – is aftrekbaar, terwijl de vergoeding van eigen vermogen – dividend – niet aftrekbaar is. Door de vennootschapsbelasting worden ondernemingen met andere woorden gestimuleerd om met vreemd vermogen te worden gefinancierd. De overheid zorgt er dus voor dat de financieringsverhouding van bedrijven op een ongewenste wijze wordt beïnvloed door de fiscale asymmetrie. Ondernemingen zijn door de overfinanciering van hun investeringen met vreemd vermogen een stuk kwetsbaarder voor insolventie. Gevestigde bedrijven worden bovendien bevoordeeld boven (innovatieve) starters. Laatstgenoemde partijen kunnen immers vaak moeilijker een banklening afsluiten, zodat zij vaker zijn aangewezen op de financiering met eigen vermogen. Bovendien hebben zij meer winstcapaciteit, waardoor de waarde van de rente-aftrek hoger is.
Er zijn twee fundamentele oplossingsrichtingen voor deze problemen. Enerzijds kan de wetgever ervoor kiezen om vreemd vermogen als eigen vermogen te behandelen. In die variant is rente dus helemaal niet aftrekbaar (CBIT). Anderzijds kan ervoor worden gekozen om eigen vermogen juist meer als vreemd vermogen te behandelen (ACE). Daarbij is de vergoeding voor eigen vermogen – net als rente - aftrekbaar. Beide oplossingen roepen echter ook bezwaren op. Bij defiscalisering (vreemd vermogen wordt behandeld als eigen vermogen) is voornamelijk de internationale weerstand van het geheel niet belasten van rente bij de Nederlandse crediteur en de benadeling van de (buitenlandse) investeerders in reële activiteiten problematisch, terwijl de aftrek op eigen vermogen bij een budgetneutrale herziening van de vennootschapsbelasting tot een tariefsstijging zou leiden.
In de economische literatuur is (daarom) een synthese van beide fundamentele oplossingen gesuggereerd(1). De synthese kan worden bereikt door zowel de vergoeding voor het eigen en vreemd vermogen beperkt aftrekbaar te maken. Rente is dan slechts nog gedeeltelijk aftrekbaar, terwijl ook een vergoeding voor eigen vermogen in aftrek mag worden gebracht. Uit economisch onderzoek blijkt dat zo’n synthese welvaartsverhogend werkt. Het aantrekkelijke is bovendien dat de fiscaliteit niet langer onderscheid maakt tussen de behandeling van eigen en vreemd vermogen, de complexiteit van de vennootschapsbelasting sterk afneemt, maar tegelijkertijd de economische gevolgen van de wijzigingen overzienbaar zijn. Ik zeg: doen!
Nadere informatie:
(2) Zie R.A de Mooij en M.P. Devereux, ‘An applied analyses of ACE and CBIT reforms in the EU’, International Tax and Public Finance (2011).
Publicatiedatum: maandag, 23 januari 2012

Ruud de Smit is verbonden aan het Fiscaal Economisch Instituut van de Erasmus Universiteit Rotterdam en tevens werkzaam bij het Wetenschappelijk Bureau van de Hoge Raad der Nederlanden. Dit artikel is geschreven in de eerst genoemde hoedanigheid.