EconomieOpinie.nl » Artikelen » detail

De bal ligt nu bij de student

Door: Ivo Arnold

Is het normaal wanneer een leerling op de middelbare school overgaat zonder het voorgaande jaar te hebben afgerond? Neen, natuurlijk niet. Ouders zouden raar opkijken wanneer hun kind zou doorstromen zonder een aantal essentiële vakken te hebben gehaald. Ouders zouden het ook niet accepteren als hun kind langer dan acht jaar over een zesjarige vwo opleiding zou doen.

Langstudeerders kom je op het vwo dan ook nauwelijks tegen. In het wetenschappelijk onderwijs is studievertraging echter staande praktijk. De Erasmus Universiteit wil dit veranderen door de norm voor het bindend studieadvies te verhogen naar het maximum van 60 studiepunten.

De lage lat
Studievertraging zit in het universitaire systeem ingebakken. Vanaf dag één wordt de lat te laag gelegd. Neem het bindend studieadvies (BSA). Aan de Erasmus Universiteit moeten studenten in hun eerste bachelorjaar minimaal 40 van de 60 studiepunten behalen. Slagen zij hier niet in, dan mogen zij zich niet herinschrijven voor de desbetreffende opleiding. Studentenorganisaties hebben altijd fel tegen het BSA geageerd als een te streng systeem, maar in feite is het huidige BSA dubbel slap. In de eerste plaats verheft het suboptimaal presteren tot de norm. En bij een negatief BSA kan de student ongelimiteerd overstappen naar andere academische opleidingen. Ter vergelijking: na twee keer zitten blijven op het vwo volgt toch echt de gang naar de havo.

De lage BSA-norm biedt volop ruimte aan het uitstelgedrag van studenten. Hoewel aan de Erasmus School of Economics gelukkig een grote groep gemotiveerde studenten studeert die het eerste bachelorjaar in één keer haalt, zijn er ook veel studenten die calculerend met de norm van 40 studiepunten omgaan. Een deel van de studenten die voortvarend aan de studie economie beginnen, laat de inspanning verslappen zodra de 40 studiepunten binnen zijn. Een ander deel begint te laat met serieus studeren en weet met een eindspurt nog net de 40 studiepunten te halen. Studenten halen ook niet het maximale rendement uit de herkansingsronde in de zomer. De vakantie lonkt en de resterende 20 studiepunten kunnen wachten tot het volgende jaar. Dit uitstelgedrag leidt er toe dat de studieinspanning op een inefficiënte manier wordt versnipperd over meerdere jaren en vele tentamenpogingen. Op halve kracht studeren kost de student uiteindelijk meer tijd en energie dan een serieuze eerste inspanning. Bovendien is het slecht voor de studiemotivatie.

Ook om onderwijskundige redenen is de lage lat onwenselijk. De meeste academische curricula kennen een volgtijdelijke opbouw, die wordt ondermijnd met het doorschuiven van eerstejaarsvakken naar later. Dit probleem valt natuurlijk op te lossen met het vaststellen van voorkennisvereisten per vak, maar daarmee veroorzaakt een opleiding alleen maar meer studievertraging. Een belangrijk onderwijskundig inzicht is verder dat de student zich het beste op een beperkt aantal vakken kan concentreren. Daarom is het beter als een student met een blanco blad aan zijn tweede jaar begint. Docenten die college geven in het tweede jaar klagen terecht dat studenten zich niet volledig inzetten, omdat ze hun aandacht versnipperen over vakken uit het eerste en tweede jaar.

De maatschappelijke acceptatie van de langstudeerdersregeling toont aan dat de samenleving steeds minder geduld opbrengt voor studievertraging in het hoger onderwijs. Dit is terecht. Het is echter de vraag of de gekozen maatregel effectief genoeg is. De probleemgroep in het hoger onderwijs bestaat uit studenten die te laat op gang komen. Zij kijken slecht vooruit en laten de nadelige lange-termijn consequenties van hun keuzes onvoldoende meewegen. Een financiële sanctie die pas na vier jaar wordt opgelegd, zal weinig indruk maken. Wie dan leeft, die dan zorgt. Het is beter om de student vroegtijdig kleur te laten bekennen en te laten bewijzen dat hij echt voor een academische opleiding wil gaan.

Nominaal is normaal
Onder het motto “nominaal is normaal” wil de Erasmus Universiteit vanaf het collegejaar 2012/2013 de BSA-norm naar 60 studiepunten verhogen. In tegenstelling tot de langstudeerdersregeling is dit een vroege interventie die de student prikkelt tot een vliegende start. Dit is pure tijdwinst voor de student, die efficiënter zal studeren en daardoor later in zijn bachelorstudie meer tijd overhoudt. De student zal mogelijke afleidingen uit het eerste jaar, zoals zich overmatig en exclusief onderdompelen in het uitgaansleven, vervangen door alternatieve tijdsbestedingen later in de studie, zoals zinvolle stages, interessante buitenlandse uitwisseling of uitdagende functies in het verenigingsleven of de universitaire gemeenschap. Kortom, de hogere lat is juist in het belang van de student.

De Erasmus Universiteit heeft de verhoging van de BSA-norm verpakt in flankerend onderwijskundig beleid, gericht op het activeren van de student en het bevorderen van kleinschalig onderwijs. Deze verpakking is nodig voor de politieke acceptatie, maar in een tijd van bezuinigingen niet langer vanzelfsprekend. Toen ik in het begin van de jaren tachtig economie studeerde in Rotterdam was de inrichting van de opleiding een onderwijskundige nachtmerrie, met massale hoorcolleges en practicumgroepen, veel simultane vakken en weinig studiebegeleiding. In de loop der jaren is de inrichting van deze opleiding sterk verbeterd, met de invoering van sequentieel blokonderwijs, kleine practicumgroepen, tussentijdse toetsing en een uitgebreid eerstejaars begeleidingssysteem. Deze dure maatregelen hebben de doorstroom van studenten economie duidelijk verbeterd, maar de uitval en de studievertraging zijn nog steeds te hoog. Het probleem van studieuitval en studievertraging is dan ook voor een deel hardnekkig en beleidsresistent. Nu de publieke middelen zo schaars zijn, kan men zich afvragen of het nog langer verantwoord is om verder te investeren in onderwijsintensivering. Wordt het niet eens tijd om een extra investering aan de student te vragen?

Meer uren maken
De extra inspanning zal dus uiteindelijk moeten komen van de student, die veel meer uren in zijn studie zal moeten steken dan nu gebruikelijk is. We weten dat de wekelijkse studieinspanning bij de overgang van het vwo naar het wo daalt van ca. 40 naar ca. 25 uren. Maar er is geen enkele reden waarom de samenleving deze plotselinge daling van het inspanningsniveau van een jongere zou moeten accepteren. De student moet zich ervan bewust worden dat zijn door de samenleving gefinancierde plek in het wetenschappelijk onderwijs een schaars goed is. Met ondermaats presteren zet de student deze plek op het spel. De 60-credit norm van de Erasmus Universiteit is dan ook een prima maatregel om nu het probleem van de studievertraging te leggen waar het hoort: bij de student.


Publicatiedatum: vrijdag, 27 januari 2012



Ivo Arnold is opleidingsdirecteur en plaatsvervangend decaan aan de Erasmus School of Economics. Tevens is hij deeltijdhoogleraar Economisch Onderwijs. Hij promoveerde in 1996 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam met een dissertatie over Europees monetair beleid.

Tevens is hij hoogleraar aan Nyenrode Business Universiteit. Hij vervulde bij Nyenrode achtereenvolgens de functies van PhD director, programme director van het executive MBA en voorzitter van de vakgroep Finance.

Arnold heeft daarnaast een ruime onderwijservaring. Hij wordt vaak geraadpleegd om zijn visie te geven op monetair economische onderwerpen.