Home   Over de EUR   Universitaire plechtigheden   Opening Academisch Jaar   Archief   Opening Academisch Jaar 2000-2001   Verwondering in de wetenschap

Verwondering in de wetenschap

Prof.dr.ir. J.H. van Bemmel

Geachte aanwezigen,

Het is mijn bedoeling om direct na mijn aantreden als rector dezer universiteit u mijn visie te bieden op enkele aspecten van het wetenschappelijk bedrijf aan onze universiteit. Ik heb daarvoor de titel "Verwondering in de Wetenschap" gekozen. Wat we mogen ontdekken in de wetenschap is niet vanzelfsprekend en geeft aanleiding tot verwondering en bewondering. Het was Plato die zei dat alle filosofie begint met verwondering.(1) Verwondering voedt denken, wat soms voert tot begrijpen.

Ik sta eerst stil bij de onstuimige groei van de wetenschap, daarna bij het rectoraat en tenslotte bij de taak van de universiteit inzake kennisverwerving en -overdracht. Ik wil mij in het bijzonder richten tot de studenten; zij zijn immers de hoofdreden voor het bestaan van de Universiteit. Als ik het in het vervolg over wetenschapsbeoefening heb, dan moeten zij bedenken dat hoger onderwijs ondenkbaar is zonder een gedegen wetenschappelijke basis.

Groei van de wetenschap

De eenheid van de wetenschappen is in de 20e eeuw voorgoed verbroken; het gevolg van de explosieve groei in menselijk kennen en kunnen. Er onstond weliswaar een methodische benadering van de werkelijkheid en het bedrijven van wetenschap kenmerkte zich door controleerbare uitspraken en een hoge mate van objectiviteit, maar er ontstonden ook disciplines, specialisaties en subspecialisaties.

Met name de techniek is de motor geweest achter de snelle groei van de wetenschap. Dijksterhuis laat zien dat het huwelijk tussen wetenschap en techniek het meest bepalend is geweest voor de veranderingen in de voorbije eeuw.(2) Casimir sprak in dit verband over de wetenschap-technologie spiraal.(3) Van Riessen onderkende reeds in 1952 scherp de grote invloed van de techniek op onze hele maatschappij.(4) Er ontstond door de grote mate van specialisatie een grote verbrokkeling en verenging van het wereldbeeld. Voor sommigen zijn de grenzen van de eigen wetenschap tot grenzen van de gehele wetenschap geworden, met alle gevolgen van dien.

In de laatste decennia kwamen wij er evenwel opnieuw achter dat de toekomst van de wetenschap vooral gediend is met interdisciplinaire samenwerking. De scheiding tussen de verschillende gebieden van wetenschap wordt op de meeste universiteiten, ook de onze, gereflecteerd door de verschillende gebouwen en terreinen. In het Rotterdamse is dit met name zichtbaar in de complexen Woudestein en Hoboken.

De studenten van de 21e eeuw zullen zich moeten voorbereiden op multidisciplinaire samenwerking.

De onstuimige ontwikkeling in de wetenschap werd zichtbaar in de ongebreidelde groei van het aantal wetenschappelijke tijdschriften. In de laatste jaren is dit ook te zien in de helaas chaotische toename van informatie, aangeboden via het Internet. Voor artikelen in wetenschappelijke tijdschriften hebben we tenminste nog een refereesysteem bedacht; voor informatie aangeboden via het Internet is het nog lang niet duidelijk hoe orde in de chaos aan te brengen. De vraag naar betrouwbare informatie voor onderzoeker, student en burger wordt steeds pregnanter. Het is moeilijk de juiste en vooral betrouwbare informatie te filteren uit het overgrote aanbod. Dat proces van beoordelen en filteren moet men leren tijdens de studie, of men nu economie, rechten, geneeskunde, sociologie, bedrijfskunde, geschiedenis, wijsbegeerte of wat dan ook studeert. De universiteit is eraan gehouden betrouwbare informatie aan te bieden, zeker wanneer steeds meer niet-wetenschappers, zoals patiënten of hun verwanten, daartoe toegang hebben.

De student van nu, van welke studierichting dan ook, moet worden voorbereid op het kunnen beoordelen van nieuwe, elektronisch aangeboden informatie en kennis.

Einde van de wetenschap?

Niet iedereen gelooft in een almaar uitdijende wetenschap met steeds grotere differentiatie. Sommige wetenschappers menen dat het einde van de wetenschap in zicht is, omdat naar hun opvatting bijna alle sleutelgeheimen bekend zijn.(5) We kennen, zo is de gedachte, in de fysica nu bijna alle kerndeeltjes en de wording van de kosmos bij de big bang is op enkele femtoseconden(6) na in model gebracht; de moleculaire biologie heeft de structuur van het menselijk genoom(7) bijna rond; volgens Fukuyama zijn de ideologische botsingen in de wereldsamenleving voorbij en is zelfs de geschiedenis voltooid;(8) en na de val van de muur heeft de westerse (lees: liberale) inrichting van de maatschappij de overhand gekregen.

Een wel erg vermetele uitspraak is dat wanneer we eenmaal een Theory of Everything(9) zullen hebben, op basis daarvan alles in de werkelijkheid zal kunnen worden verklaard. Ik zei "vermetel" omdat het van wel erg veel lef getuigt om op grond van in de wetenschap altijd voorlopige conclusies definitieve uitspraken te doen over je eigen vakgebied of zelfs over andere wetenschapsgebieden, laat staan over de hele werkelijkheid. Ik denk zo, dat dit komt doordat nogal wat wetenschappers zich niet de tijd gunnen eens buiten het eigen vakterrein op verkenning te gaan. Of misschien zijn ze gewoon het slachtoffer van hun hybris.

De student moet weet hebben van de uitgangspunten van zijn eigen wetenschapsgebied maar moet ook in staat zijn kritische vragen te stellen over de grondslagen van andere terreinen van wetenschap.

De meeste onderzoekers zijn gelukkig bescheiden mensen die beseffen dat er nog tal van fundamentele vraagstukken overblijven waar de wetenschap nog niet of nog maar nauwelijks aan toegekomen is. Ik geef een paar voorbeelden:

Kosmologie

Wie kent niet Stephen Hawking? Zijn boek "A Brief History of Time", vertaald als "Het Heelal", ligt nog steeds in grote oplagen in de boekhandel.(10) Het geeft een overzicht van de toegenomen kennis in de natuurkunde. Het boek eindigt met de uitspraak dat als we eenmaal de verklaring voor het ontstaan van de kosmos hebben we de "Mind of God" zullen kennen.(11) Over vermetel gesproken! Onze jongste Nobelprijswinnaar, Gerard 't Hooft, stelt zich heel wat bescheidener op en ontzenuwde op overtuigende wijze de uitspraak van Hawking.(12) Ik meen dat zo'n bewering een fraaie illustratie is van een extrapolatie en overschrijding van het eigen terrein van wetenschap. Vakwetenschappers kunnen immers zo gebiologeerd zijn door hun eigen discipline dat ze veel zoal niet alles willen herleiden tot die discipline en daarbij de grenzen van hun vak niet goed in de gaten houden. Juist de geschiedenis van de natuurkunde laat zien dat alle kennen voorlopig en beperkt is.

Economische modellen

Onderzoek op het gebied van macro-economische modellen heeft bepaald nog niet geleid tot beter inzicht in het hoe en waarom, laat staan het voorspellen van een beurskrach. Achteraf zijn er altijd verklaringen te over, waarom bijv. de Nasdaq is gedaald, of waarom de Euro het aflegt tegen de Dollar. De modellen bieden evenwel nauwelijks voorspellend inzicht.(13) De regels van de westerse economie zijn immers gebaseerd op menselijke keuzen en hebben in laatste instantie te maken met een tamelijk ongebonden krachtenspel in de markt, waarbij menselijke hebzucht bepaald geen ondergeschikte rol speelt. Volgens mij had de Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen(14) dat al goed begrepen toen hij zijn modellen aan onze universiteit ontwikkelde. Ook de econoom kan het niet stellen zonder normen en waarden die hem van elders worden aangereikt.

Genexpressie

Dat het menselijk genoom onlangs bijna geheel in kaart is gebracht, is niemand ontgaan. Het idee dat de moleculaire biologie nu dus het geheim van het leven zou kennen is gebaseerd op de veronderstelling dat het leven wordt gedetermineerd door onze ongeveer ruim 30.000 of wellicht 120.000 genen.(15) Maar dat er nog onvoorstelbaar veel research nodig is om aan het genoom de geheimen van genexpressie te ontfutselen, laat staan nog beschadigde genen te kunnen repareren, weet de basiswetenschapper maar al te goed.(16) Onderzoek op dit gebied kan onmogelijk zonder interdisciplinaire samenwerking.

Kunstmatige intelligentie

Het was in het begin van de jaren zestig dat de hype ontstond rond kunstmatige intelligentie. Mensen als Marvin Minsky(17) en Edward Feigenbaum(18) hadden het idee dat menselijk denken kan worden gereduceerd tot louter logisch redeneren. Welnu, de parallel tussen neuronen in het brein en de binaire schakelelementen van computers was snel gelegd. Toch prikte Joseph Weizenbaum al in 1976 de mythe stevig door(19) en het gelijk is aan zijn kant gebleken. De voortgang op het gebied van artificial intelligence is matig - zie bijv. het boek van Penrose(20) - en het begrijpen van wat menselijk denken eigenlijk inhoudt staat nog maar aan het begin.(21) Ik denk dat dit laatste naast genetische research tot de meest uitdagende terreinen van de wetenschap van de komende decennia behoort.

Er zouden tal van andere voorbeelden te geven zijn van grote wetenschappelijke vraagstukken en reductie van de werkelijkheid (zie bijvoorbeeld het boek van Horgan(22)). Sommige daarvan leiden tot verrassende nieuwe inzichten, andere tot ongefundeerde speculaties. Dat laatste impliceert dat niet alles wat door wetenschappers wordt beweerd of onderzocht automatisch van wetenschappelijke kwaliteit is. Ik denk dat het van het grootste belang is dat elke academicus(23) zich bewust is van de grenzen van zijn wetenschap. Het kan je behoeden voor wetenschappelijke aberraties. Een academische houding impliceert dat je je voortdurend afvraagt wat je eigen vertrekpunten zijn en wat de realiteitswaarde is van de ontwikkelde modellen en theorieën.

De student van nu dient zich in haar of zijn studie de wetenschappelijke kennis van het eigen vakgebied eigen te maken, maar ook besef te krijgen van de voorlopigheid en beperktheid daarvan. Het leidt tot bescheidenheid.

Rector et Universitas

De moderne wetenschap is gespecialiseerd en verkaveld. Toch blijft de benaming Universiteit voor een instelling van wetenschappelijk hoger onderwijs magistraal. De Universitas is een Middeleeuws concept dat nog steeds geldingskracht heeft. Het duidt op het universele karakter van de kennis die wordt verworven in onderzoek en overgedragen in onderwijs. De idee van de Universiteit gaat uit van het a priori dat de werkelijkheid één samenhangend, geordend geheel is. Over die samenhang en ordening van pico- naar mega-schaal kun je je alleen maar in hoge mate verwonderen. De samenhang tussen de verschillende aspecten van de werkelijkheid is sterker dan haar diversiteit; de ordening is overweldigend.

De scheiding die wij door de disciplines hebben aangebracht is van louter menselijke oorsprong. De samenhang blijft, ondanks de menselijke verkaveling, ondergronds aanwezig. Mede daarom kan de medicus zich niet aan de regels van het recht of de wetten van de fysica onttrekken, moet de socioloog bij het bestuderen van samenlevingsverbanden rekening houden met de inzichten van de psychologie, en kan de econoom zich niet onttrekken aan normen en waarden aangereikt door wijsbegeerte en ethiek.

Is het daarom niet uitermate boeiend dat wij naast decanen en vak-hoogleraren, die binnen de Universiteit verantwoordelijk zijn voor een bepaald gebied van onderwijs en wetenschapsbeoefening, ook nog steeds een Rector hebben, die - al is hij of zij afkomstig uit een bepaald terrein van wetenschap - geacht wordt boven de eigen kaders van de faculteiten uit te stijgen? De Rector dient de Universitas in het vizier te houden. Een magnifiek voorbeeld van zo'n Rector is de zo-even teruggetreden rechtsgeleerde professor Akkermans. Een Rector als hij was in staat op samenbindende wijze mede leiding te geven aan onderzoek en onderwijs. Als fysicus die de medische informatica mag beoefenen binnen de Geneeskunde hoop ik voor een volgende periode de helmstok van hem te mogen overnemen. Ik prijs mij gelukkig dat te mogen doen in eendrachtige samenwerking met de voorzitter van het College van Bestuur, doctor (eertijds professor) Henk van der Molen en de decanen van de faculteiten onzer universiteit.

Mijn directe voorganger, Professor Piet Akkermans, wil ik zeer veel dank brengen voor zijn bijzonder grote inzet gedurende twee rectoraatsperioden. Hij vervulde zijn ambt met zichtbaar enthousiasme, waarmee hij ook mij over de brug kreeg. Hij heeft laten zien dat wij nog steeds kunnen spreken van een universitaire gemeenschap. Professor Akkermans heeft op voorbeeldige wijze getoond dat de Rector boven de partijen staat en hij heeft zich met recht ingezet voor alle disciplines.

Taak van de universiteit

Ik wil, in het licht van het voorgaande, enkele ogenblikken stilstaan bij de taak van de universiteit, en wel in het bijzonder van onze Erasmus Universiteit. Het is de taak van de universiteit op zoek te blijven naar betrouwbare kennis, waarmee zorgvuldig moet worden omgegaan. Prometheus wordt wel model gesteld voor de wetenschap die kennis verwerft, maar niet kan hanteren. Overdracht van kennis aan de volgende generatie is nog steeds de hoofdtaak van de universiteit. Enerzijds tracht de universiteit deze kennis in academische vrijheid, d.w.z. onafhankelijk van derden, te verwerven, anderzijds is zij eraan gehouden zich kwetsbaar en toetsbaar op te stellen jegens de wetenschappelijke wereldgemeenschap, de maatschappij en degenen die haar de middelen tot onderzoek verschaffen. Kennisverwerving en -overdracht zijn dus de ene taak, maar verantwoording en toetsing zijn in steeds sterkere mate de andere opdracht van de universiteit. Daarnaast dient de universiteit, als een voor een groot deel door de gemeenschap bekostigde instelling, haar kennis ook ten dienste te stellen van de maatschappij: stad, land en wereld. De taken van de universiteit zijn dus, kort gezegd, (1) kennisverwerving in het onderzoek, (2) kennisoverdracht in het onderwijs, en (3) toepassen van deze kennis in de maatschappij als geheel. Ik stel de drie taken achtereenvolgens kort aan de orde.

Kennisverwerving in het onderzoek

De vroege universiteiten

Het is op wereldschaal gerekend nog maar kort geleden dat de eerste universiteiten in Bologna, Parijs, Oxford, Salamanca, Montpellier en Padua(24) werden gesticht. Dat de eerste universiteiten in West Europa ontstonden(25) had alles van doen met enerzijds ontwakend zelfbewustzijn en de herontdekking van het antieke denken en anderzijds met de christelijke wortels van de Europese beschaving, waarin de werkelijkheid werd gezien als door God geschapen en waarin de mens een cultuuropdracht heeft.(26) Ik ben tot de dag van vandaag enthousiast over dat inzicht van de eerste universiteiten. De universiteiten waren en zijn nog steeds ontmoetingsplaatsen van geleerden.

Studenten zagen er geen been in om reizend door Europa hun onderwijs bij de meest beroemde professoren te genieten. Studenten reizen nog steeds, maar helaas zelden om geleerden te ontmoeten. Wellicht dat de kort geleden door de Minister ondertekende Bolognaverklaring in dat laatste weer enige verandering kan brengen.

Uit de tijd van de vroege universiteiten kennen we de namen van Erasmus, Pascal en Newton.(27) De wetenschap was toen nog niet verkaveld. Indeling van faculteiten in Alpha en Bèta, laat staan Gamma, bestond niet. Geloof en wetenschap waren niet gescheiden. Erasmus was zowel een humanist, die de Griekse bronnen van de beschaving herontdekte, als een afhankelijk gelovige die, na zijn hele leven Latijn te hebben gesproken, op zijn sterfbed in Bazel in zijn moedertaal zijn laatste woorden slaakte: "lieve God".(28) Pascal kon zowel filosoof en theoloog als natuurkundige en wiskundige zijn. Hij verwonderde zich over de menselijke geest die tot creatief denken en wetenschapsbeoefening in staat was. Zijn beroemde gedachte dat "de mens slechts een riet, maar een denkend riet" is,(29) was ongetwijfeld ook een reflectie op zijn eigen zwakke fysieke gezondheid. Newton zag achter de orde in de werkelijkheid de hand van een scheppende God,(30) maar had geen idee van latere kosmologische en evolutionistische theorieën, laat staan van de relativiteitstheorie en de quantummechanica. Het was de tijd dat de wetenschappen nog één waren en gemeenschappelijke wortels hadden. Kennis was universeel en werd ook toen wereldwijd verspreid.

Verspreiden en verificatie van kennis

Toen Erasmus zijn gedachten ontwikkelde was hij in staat deze uit te dragen door middel van de inmiddels opgekomen boekdrukkunst. Het was het medium bij uitstek om in contact te komen met geleerden elders, om zijn ideeën te toetsen aan die van anderen. De wetenschap van die dagen zou ondenkbaar zijn geweest zonder het gedrukte woord. Ook de wetenschap van de voorbije eeuw zou geen hoge vlucht hebben kunnen nemen zonder de opkomst van het wetenschappelijke tijdschrift, waarin onderzoekers nog steeds maar al te graag hun resultaten publiceren als de impact factor maar hoog genoeg is.

Het verspreiden van kennis, zoals Erasmus dit deed, blijft de kerntaak bij uitstek van de universiteit.

Het gedrukte tijdschriftartikel en het boek zullen in de komende decennia worden aangevuld en misschien vervangen door elektronische publicaties en de aard van zulke publicaties zal drastisch veranderen. Gedrukte boeken en tijdschriftartikelen zijn immers noodzakelijkerwijze beperkt van omvang; aan elektronische publicaties behoeven geen beperkingen te worden gesteld.(31)

Het elektronische artikel zal ongetwijfeld vergelijkbare aspecten bevatten als gedrukte artikelen, maar editorial boards en lezers zullen verlangen dat de auteurs tevens inzicht bieden in hun basisgegevens, de wijze waarop zij hun experimenten opzetten, in de methoden en computerprogramma's die zij gebruikten, en ook in negatieve uitkomsten van hun onderzoek. Verificatie van uitkomsten van onderzoek zal door de lezers en ook studenten mogelijk worden.

Deze nieuwe wijze van verantwoording afleggen en verificatie zal ongetwijfeld invloed hebben op de betrouwbaarheid van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek. Het zal mogelijk ook preventief werken op het ontstaan van fraude in de steeds complexer wordende wetenschap, waarbij het voor referees en peers steeds moeilijker wordt na te gaan hoe onderzoekers tot hun resultaten kwamen.

Ook studenten zullen in staat moeten zijn de resultaten van gepubliceerd onderzoek, bijvoorbeeld via de mogelijkheden van het Internet te verifiëren.

De ethiek van de wetenschapsbeoefening

Op de universiteit zijn wij, onderzoekers en docenten, eraan gehouden onze studenten en promovendi niet alleen kennis bij te brengen, maar hen - in het verlengde van het afleggen van verantwoording - ook een positief-kritische ethische houding bij te brengen. De KNAW heeft niet zo lang geleden daartoe een handzaam boekje doen publiceren onder de titel: Wetenschappelijk Onderzoek: Dilemma's en Verleidingen.(32)

Onlangs verscheen een editorial van de hand van Gérard Toulouse, directeur onderzoek van de Ecole Normale Supérieure in Parijs.(33) Het handelt over de ethiek van de wetenschapsbeoefening. Toulouse schrijft dat President Jacques Chirac van Frankrijk meent dat, waar de 20e eeuw een ongekende wetenschappelijke creativiteit en ook ongebreidelde destructie heeft laten zien, de 21e eeuw die van de ethiek zal moeten worden. Toulouse vult daarbij aan dat hij vindt dat onze eeuw vooral die van wetenschappelijke evaluatie zal moeten worden. Inderdaad, de wetenschapper kan het niet maken - na Hiroshima, Three Mile Island, Boopal, Tchernobyl, BSE en het ozongat - zich afzijdig te houden van de ethiek van de wetenschapsbeoefening. Let wel: dat geldt niet alleen de natuurwetenschapper, maar evengoed de biomedicus, de econoom, de socioloog, de ingenieur en de rechtsgeleerde.

Steeds meer zal de verantwoording, inclusief de evaluatie van wetenschappelijk onderzoek een taak zijn van de onderzoekers zelf. Ook studenten zullen daarmee vertrouwd moeten raken.

Ik mocht onlangs een commissie voorzitten die een rapport daaromtrent heeft aangereikt aan KNAW, VSNU en NWO.(34) Het impliceert, bondig gezegd, dat het verantwoording afleggen van het verwerven van wetenschappelijke kennis wordt ingebouwd in het hele proces van kennis verwerven en het sturen van wetenschappelijk onderzoek.

Kennisoverdracht in het onderwijs

Het bijzondere en aardige van wetenschappelijk onderwijs is de hechte relatie tussen onderzoek en onderwijs. Dat impliceert dat niet alleen wetenschappelijke kennis wordt overgedragen, maar - in het licht van het eerder gestelde - ook een wetenschappelijke attitude wordt aangekweekt en een hoge mate van eigen verantwoordelijkheid. En nu moet mij toch echt iets van het hart.

Het is toch eigenlijk onverteerbaar dat wij jonge mensen, die aan de Nederlandse universiteiten worden opgeleid in het zelfstandig kunnen verwerven en toepassen van wetenschappelijke kennis en tot het dragen van grote eigen verantwoordelijkheid, niet de mogelijkheid bieden om ook in grote zelfstandigheid en verantwoordelijkheid te studeren. Het hanteren van verantwoordelijkheid moet worden geleerd en dat kan niet zonder besef van grenzen en regels. Maar zijn wij in ons rijke land dan echt niet voldoende creatief om een ander systeem te bedenken dan dat van loten, vakverenging, studiepunten, en eindige studieduur?

Het is van het hoogste belang dat studenten in staat worden gesteld om buiten de grenzen van hun eigen vakgebied te kijken.

Ik meen in het eerdere betoog voldoende argumenten te hebben aangevoerd. Is het niet van zelfs nog groter belang dat academici - want dat zijn ze in statu nascendi, onze studenten - in staat worden gesteld te verkennen wat de grondslagen van wetenschappelijk kennen zijn, wat de effecten zijn - ook in ethisch opzicht - van het toepassen van deze kennis in de maatschappij van morgen? Is het niet van uitermate groot gewicht dat we de student vooral bijbrengen hoe nieuwe kennis kritisch te beoordelen?

Kortom, evenals we voor de wetenschappelijk onderzoekers in de afgelopen jaren een nieuw plan hebben gelanceerd met betrekking tot de beoordeling en sturing van het onderzoek, pleit ik er voor dat de wijze van studeren op de universiteit opnieuw grondig wordt doordacht. Er zijn, zo las ik de laatste maanden in de krant, reeds diverse ideeën gelanceerd die het doordenken waard zijn.(35) Ik geef een lijstje:

  • maak de totale studieduur veel ruimer dan 4 jaar, wat mij betreft 6 of 7 jaar;
  • geef de student de vrijheid in eigen tempo studiepunten te verzamelen;
  • geef de student per jaar een financieel voorschot en zet het voorschot bij goed resultaat om in een beurs;
  • geef een bonus aan studenten die buiten het kerncurriculum kennis verwerven;
  • stel studenten in de eindfase (MSc) in staat ook elders kennis op te doen.

Samengevat: nu de discussie over flexibel uittreden in feite is voltooid moeten we het gesprek over flexibel intreden niet laten liggen. Dit heeft uiteraard consequenties voor de bekostiging van het hoger onderwijs, maar bij belangrijke zaken gaat toch altijd de cost voor de baet uit? Ik geef toe dat ik, enkele minuten na de rectoraatsoverdracht, mijn nek uitsteek. Door dit te zeggen wil ik evenwel aangeven dat het mijn intentie is hierover in gesprek te raken met studenten, bestuurders, ondertekenaars van Manifesten en bewindspersonen. Naar mijn mening is de tijd echt rijp voor een hernieuwde discussie. De inloting is in feite al op de helling gezet en de beraadslagingen over Europese Bachelor's en Master's diploma's zijn nog maar net begonnen.

Toepassen van kennis in de maatschappij

Mijn laatste opmerkingen betreffen de overdracht van binnen de universiteit verkregen kennis naar de maatschappij. Ik hoor wel eens de opmerking van Nederlandse bedrijven dat kennis die zij bij de universiteit wensen te verkrijgen gewoon gratis moet zijn, omdat zij deze via de vennootschapsbelasting in feite reeds hebben betaald. Dat klinkt heel gevat, maar dat is maar een klein deel van het verhaal. Het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek is gemiddeld weliswaar nog steeds van goede, soms uitstekende kwaliteit, maar het wordt steeds minder bekostigd vanuit overheidsgelden. Als wij het werkelijk goed voor hebben met de komende generatie dan zullen wij zeer aanzienlijk veel meer moeten besteden aan het wetenschappelijk onderzoek binnen de universiteit. Alle politieke partijen onderschrijven dit, maar er gebeurt al vele jaren bijna niets, daargelaten de uistekende initiatieven als Spinozabeurzen en beurzen voor akademie-onderzoekers. Het zijn evenwel druppels op een steeds hetere plaat. Ik blijf mij verwonderen over de geringe daadkracht van een reeks van kabinetten om eindelijk ernst te maken met het ombuigen van de neerwaartse spiraal van de stimulering van het onderzoek in dit rijke land.

De overheid zal moeten beseffen dat het voor de toekomst van ons land van levensbelang is nu eindelijk eens serieus te worden en metterdaad het roer om te gooien inzake de financiering van het wetenschappelijk onderzoek. Het gebrek aan daadkracht heeft op termijn ook grote consequenties voor de overdracht van kennis naar het bedrijfsleven. Het is naïef te denken dat wij over 25 jaar nog wetenschappelijk kunnen concurreren met vergelijkbare landen als Zwitserland of Zweden, waar een aanzienlijk hoger percentage van het bruto nationaal product aan wetenschappelijk onderzoek wordt besteed.

De Erasmus Universiteit heeft gelukkig niet gewacht met het stimuleren en uitdragen van haar onderzoek tot de overheid tot actie overging. Inmiddels is er een Erasmus Holding met vele aan de researchinstituten verbonden besloten vennootschappen. Wat mij betreft mag in samenwerking met het Rotterdamse en ander bedrijfsleven een nog grotere bedrijfsmatige activiteit ontstaan rond onze universiteit. Het komt ook de oriëntatie van de student op het toekomstige beroep zeer ten goede. Daarbij hecht ik er zeer aan dat de academische vrijheid blijft gewaarborgd.

Afsluitende opmerkingen

De universiteit is boeiend. Het is een gouden greep dat aan onze universiteit de naam van Erasmus is verbonden, de eerste grote geleerde met Europese uitstraling (Fig. 9). Vol dankbaarheid en verwondering mag ik deel uitmaken van haar gemeenschap. Dankbaar ben ik dat God mij daartoe het leven geeft; dankbaar dat onze universiteit mij daarin deze plaats gunt. De verwondering vangt aan met de wetenschappelijke vraagstelling en resulteert in het uitdragen van kennis aan studenten en het inzetten daarvan voor de maatschappij. Ik hoop dit alles gedurende mijn rectoraatsperiode te mogen bevorderen.

Hiermee verklaar ik het academisch jaar voor geopend.

Noten

  1. Plato (427-348/7 v.Chr.). Theothètos, 155D; Citaat: Mαλα γαρ φιλοσοφου τουτο παθος: το θαυμαζειν. Ού γαρ άλλη άρχη φιλοσοφια ή αύτη [Want heftig is dit gevoelen van de filosoof: het zich verwonderen. Want voor de filosofie is er geen ander begin dan dit]. Idem: Aristoteles (384-322/1 v.Chr.). Metaphysica, 982B; Citaat: Δια γαρ το θαυμαζειν οί άνθρωποι, και νυν και τοπρωτον, ήρξαντο φιλοσοφειν [Want immers door zich te verwonderen zijn de mensen, zowel die van nu als die van vroeger, begonnen met filosoferen]. (Met dank aan Dr. Gerard van Herpen voor het traceren van de citaten.)
  2. Dijksterhuis EJ. De Mechanisering van het Wereldbeeld. Amsterdam: Meulenhoff, 1950 (6e druk 1989).
  3. Casimir HBG. Natuurwetenschap, techniek en maatschappij. In: Casimir HBG. Waarneming en Visie. Over Wetenschap en Maatschappij. Amsterdam: Meulenhoff, 1987:40.
  4. Van Riessen H. De Maatschappij der Toekomst. Franeker: Wever, 1952.
  5. Horgan J. The End of Science: Facing the Limits of Knowledge in the Twilight of the Scientific Age. Reading MA: Addison Wesley, 1996.
  6. femto: 10-15.
  7. Het Menselijk Genoom Project (Human Genome Project) is een internationale samenwerking die begon in 1990 met het doel te komen tot sequentie-analyse en labelling van de 3,3 miljard basen van het menselijk genoom en tot lokalisering van de (aanvankelijk) geschatte 100.000 genen. Zo werd (juni 2000) de complete structuur van twee chromosomen bepaald (nrs 21 en 22), die ongeveer 2-3% van het totaal aan genen beslaan. Het aantal genen is mogelijk veel lager dan aanvankelijk gedacht (zie Nature Genetics, issue 25, jaar 2000). Onlangs (juni 2000) werd de sequentie-analyse van het menselijk genoom bijna geheel voltooid.
  8. Fukuyama F. The End of History and the Last Man. London: Hamilton, 1992.
  9. De uitdrukking Theory of Everything vindt men o.m. bij S. Hawking en J. Horgan; deze wordt becommentarieerd door G. 't Hooft (zie hierna de aangehaalde boeken).
  10. Hawking S. A Brief History of Time. New York: Bantam Books, 1988. (Ned. vert: Het Heelal. Verleden en Toekomst van Ruimte en Tijd. Amsterdam: Bert Bakker, 1988.)
  11. Hawking op.cit., slot.
  12. 't Hooft G. De Bouwstenen van de Schepping. Amsterdam: Prometheus, 1999.
  13. Zie bijv. Fox J. What in the world happened to economics? Fortune, Maart 1999; Citaat: When it comes to explaining the behavior of the global economy, economists can't agree in fact, most of them no longer seem to believe there is a single correct explanation. Economists rule the world, but they aren't quite sure what to do with it.
  14. Jan Tinbergen (1903-94) kreeg in 1969 de eerste Nobelprijs voor Economie. Hij was hoogleraar aan de Erasmus Universiteit van 1933 tot 1973.
  15. Zie: Nature Genetics 2000;25/2:232-4 en 2000;25/2:239-40.
  16. Oostra BA. Zit er Toekomst in ons DNA? Inaugurele rede Erasmus Universiteit Rotterdam, januari 2000.
  17. Minsky M. The Society of Mind. New York: Simon and Schuster, 1985.
  18. Feigenbaum E, Feldman J, eds. Computers and Thought. New York: McGraw Hill, 1963.
  19. Weizenbaum J. Computer Power and Human Reason. From Judgment to Calculation. San Fransisco: WH Freeman, 1976.
  20. Penrose R. The Emperor's New Mind. Oxford: Oxford University Press, 1989.
  21. Zie bijv. Damasio AR. How the brain creates the mind. Sci Amer 1999:74-9.
  22. Horgan J. op.cit.
  23. Een academicus is iemand die op een Academie zoals de Erasmus Universiteit studeert of heeft gestudeerd, zodat alle nuldejaars na de opening van dit academisch jaar opeens academicus (in spe) zijn geworden. De Άκαδεμια werd door Plato gesticht.
  24. Bologna: 1088, Parijs: 1119, Oxford: ~1175, Salamanca: 1218, Montpellier: 1220 en Padua: 1222.
  25. Zie bijv. De Ridder-Symoens H, Ruegg W, eds. A History of the University in Europe (Vols I and II). Cambridge University Press, 1991.
  26. Sommige lijfspreuken van onze oudste universiteiten laten die relatie zien: Leiden, 1575:Praesidium Libertatis (Bolwerk van de vrijheid, verkregen in de strijd tegen Spanje); Groningen, 1614: Verbum Domini Lucerna Pedibus Nostris (Het woord van de Heer is een lamp voor onze voeten, Psalm 119:105); Amsterdam, 1632: Mercator Sapiens (De wijze koopman, wellicht naar Mattheus 13:45); Utrecht, 1636: Sol Iustitiae Illustra Nos (Zon der gerechtigheid, verlicht ons, Maleachi 4:2).
  27. Desiderius Erasmus (1469-1536) en Thomas More (1478-1535), Copernicus (1473-1543) en Galileo Galilei (1564-1642), Blaise Pascal (1623-1662) en Isaac Newton (1642-1727).
  28. Zie: Koldeweij AM. Erasmus naar het leven. In: Jensma GT, Blockmans WP, Sperna Weiland J et al, eds. Erasmus. De Actualiteit van zijn Denken. Zutphen: De Walburg Pers, 1986: 168.
  29. Pascal B. Pensées. Paris: Éditions Garnier Frères, 1958: 162 (Article VI, Pensée 347); Citaat: L'homme n'est qu'un roseau, mais il est un roseau pensant.
  30. Zie bijv. Dijksterhuis op.cit., p. 534.
  31. Zie bijv. Van Bemmel JH en Musen MA, eds. Handbook of Medical Informatics. Houten/Diegem: Bohn, Stafleu en Van Loghum, 1997 en Heidelberg/New York: Springer-Verlag, 1997. Aan het boek is een web site verbonden: www.mieur.nl/mihandbook en www.mihandbook.stanford.edu.
  32. Heilbron J, Van Bottenburg M, Geesink I. Wetenschappelijk Onderzoek: Dilemma's en Verleidingen. Amsterdam: Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, 2000.
  33.  Toulouse G. The century of evaluation. Europhysics News, November/December 1999:127-9.
  34. Werkgroep Kwaliteitszorg Wetenschappelijk Onderzoek. Kwaliteit Verzekerd. Naar een nieuw stelsel van kwaliteitszorg voor het wetenschappelijk onderzoek. Amsterdam, april 2000.
  35. Zie bijv. Van Oostrom F. Niet slimmer maar wijzer. Nederlandse studenten worden te eenzijdig opgeleid. NRC, 22 april 2000, W&O bijlage:4; of Meijerink R. Meer invloed op studietempo voor studenten. Volkskrant, 27 maart 2000:9; of Idema W. Geverfd gazon. NRC, 13 mei 2000, W&O bijlage:2.