Informatietechnologie en de kwaliteit van het werk, een spannende verhouding?[1]
Hans Pruijt
(gepubliceerd in: Kals, J.J. e.a. red., Handboek CAD/CAM, J6000-1 - J6000-36, Alphen aan den Rijn 1990, Samsom)
Inleiding
Het begrip "kwaliteit van het werk" heeft vele dimensies, zoals het niveau van de voor het werk vereiste kennis en vaardigheden, de autonomie in het werk, de mate van medezeggenschap, de werkbelasting, de afwisseling, de sfeer op het werk, de werkzekerheid, en de hoogte van het inkomen.
Deze dimensies hangen op allerlei punten samen.Bijvoorbeeld, het niveau van vaardigheden en kennis, dat bij een baan hoort, kan via functieclassificatie van invloed zijn op het inkomen.Werk, dat de mogelijkheid geeft om kennis en ervaring op te doen, is gunstig voor de werkzekerheid en de arbeidsmarktpositie, en geeft kansen om het verrichten van routinewerk te ontlopen. Dit artikel gaat over de risico's, die bij automatisering ontstaan voor de kwaliteit van het werk, en over de kansen om de kwaliteit van het werk te verbeteren.Hierbij beperk ik mij tot deze twee dimensies:
-
het niveau van kennis en vaardigheden, dat reëel nodig is om het werk te kunnen doen (dit valt niet samen met het opleidingsniveau dat in personeelsadvertenties gevraagd wordt),
-
de beheersingsaspecten van het werk (autonomie, controle, medezeggenschap).
Tenslotte komt de vraag aan de orde, in hoeverre automatiseringsprocessen ruimte bieden voor politieke beïnvloeding van de kwaliteit van het werk.
Risico's voor de kwaliteit van het werk
De technologische veranderingen worden begeleid door een discussie over de ontwikkeling van de kwaliteit van de arbeid. De pessimistische stroming in deze discussie wordt gevormd door auteurs die in grote lijnen het volgende standpunt innemen: bij automatisering gaat de kwaliteit van het werk er voor het grootste deel van de werknemers op achteruit.Deze achteruitgang wordt niet gezien als een gevolg van de technologie op zich, maar van de manier waarop het werk wordt gereorganiseerd.
Het klassieke werk uit deze stroming is het in 1974 verschenen "Labor and Monoply Capital, the Degradation of Work in the twentieth Century" van Harry Braverman. Dit werk was dermate meeslepend, dat er een "Bravermania" op volgde.[1]De pessimisten legden de vinger op verschillende bedreigingen voor de kwaliteit van het werk.
1.1 Verdergaande detail arbeidsdeling
Er kunnen twee vormen van arbeidsdeling worden onderscheiden:
-
specialisatie, waardoor het mogelijk wordt zich in een beroep te ontplooien,
-
'detail' arbeidsdeling, die veel verder gaat dan specialisatie, en die mensen reduceert tot uitvoerders van routinehandelingen.
Detail-arbeidsdeling houdt in, dat het arbeidsproces wordt geanalyseerd en in de samenstellende delen opgesplitst. De onderdelen worden dan over verschillende mensen verdeeld. Een ambachtelijk arbeidsproces, dat beheerst wordt door de werknemers zelf, wordt zo uit elkaar getrokken. De onderdelen worden weer in elkaar gezet tot een proces dat door de managers wordt beheerst.[2]
Hierbij komt dan nog het "Babbage principe", voor het eerst duidelijk geformuleerd door Charles Babbage in 1832 (dezelfde Babbage die de moderne computerarchitectuur bedacht), dat bij arbeidsdeling voordeel behaald kan worden door de versimpeling van het werk, waardoor goedkopere werklieden kunnen worden ingeschakeld.[3] Aldus volgens Braverman: "The capitalist mode of production systematically destroys all-round skills where they exist, and brings into being skills and occupations that correspond to its needs. Technical capacities are henceforth distributed on a strict "need to know" basis. (..) Every step in the labour process is divorced, so far as possible, from special knowledge and training and reduced to simple labor. Meanwhile, the relatively few persons for whom special knowledge and training are reserved are freed so far as possible from the obligations of simple labour. In this way, a structure is given to all labor processes that at its extremes polarizes those whose time is infinitely valuable and those whose time is almost nothing."[4]
Vormen van detail-arbeidsdeling kunnen nog steeds worden aangetroffen. Een voorbeeld in de grafische sector is de splitsing die wel wordt aangebracht, tussen het invoeren van "platte tekst" en het geven van zetinstructies.[5] Bij het automatiseren van administratieve processen komt het voor, dat er aparte data-entry functies worden gecreëerd. Een andere vorm van verdergaande arbeidsdeling is het maken van een splitsing tussen tekstverwerking en het overige administratieve werk.[6] Dit soort afgesplitste eenvoudige taken wordt vooral door vrouwen gedaan. Deze werkneemsters zijn gebonden aan de kantoormachinerie, waardoor het sociale karakter van het kantoorwerk vermindert.
Traditionele promotieroutes worden bij een dergelijke arbeidsdeling afgesneden, de werkneemsters in de data- en tekst-invoer functies hebben weinig toekomst.[7]
Een deel van de afgesplitste werkzaamheden wordt gedaan door thuiswerksters met een slechte rechtspositie. Informatietechnologie maakt dit soort arbeidsdeling gemakkelijk te realiseren, doordat informatie eenvoudiger te verplaatsen wordt.[8]
Wright Mills wees erop, dat verdergaande arbeidsdeling tot een tijdelijke verhoging van het vaardigheidsniveau kan leiden: "In its early stages, a new division of labor may specialize men in such a way as to increase their levels of skill; but later, especially when whole operations are split and mechanized, such division develops certain faculties at the expense of others and narrows all of them. And as it comes more fully under mechanization and centralized management, it levels men off again as automatons. Then there are a few specialists and a mass of automatons; both integrated by the authority, which makes them interdependent and keeps each in his own routine. Thus, in the division of labor, the open development and free exercise of skills are managed and closed."[9]
1.2 Taylorisering
Braverman benadrukt de actualiteit van de principes van het "Scientific Management", zoals die geformuleerd werden door Frederick W. Taylor aan het begin van de 20e eeuw:
Het eerste principe is het loskoppelen van het arbeidsproces van de bekwaamheden van de arbeiders: (in de woorden van Taylor zelf) "The managers assume (...) the burden of gathering together all of the traditional knowledge which in the past has been possessed by the workmen and then of classifying, tabulating, and reducing this knowledge to rules, laws, and formulae (..)"[10]Dit lijkt overigens op het ideaal dat in het "Artificiële Intelligentie" onderzoek wordt nagestreefd bij de ontwikkeling van expertsystemen. Verderop kom ik hier op terug.
Het tweede principe is de scheiding van conceptie en uitvoering: "All possible brain work should be removed from the shop and centered in the planning or laying-out department (..)"[11]
Het derde principe is, dat het management de details van het werk niet meer aan het uitvoerend personeel moet overlaten, maar de manier van werken precies moet voorschrijven.Het management moet gebruik maken van haar "monopolie over de kennis, om iedere stap van het arbeidsproces en hoe het wordt uitgevoerd, te beheersen."[12]
Scientific Management raakte als expliciete methode na de jaren '30 uit de mode. Volgens Braverman blijven de principes echter tot op de dag van vandaag hun stempel drukken op het ontwerp van arbeidsplaatsen.[13]Braverman realiseert zich overigens, dat de mogelijkheden voor Taylorisering aan allerlei beperkingen onderhevig zijn, en dat de effekten van Taylorisering tot op zekere hoogte worden gecompenseerd door het ontstaan van nieuwe vaardigheden.[14]
Er zijn voorbeelden te vinden waaruit blijkt dat Tayloristische werkorganisatie bij automatisering nog steeds voorkomt. Een reeks voorbeelden zegt natuurlijk nog niets over de vraag, of deze organisatievorm dominant is. Zij geven eerder risico's aan voor de kwaliteit van het werk.Veel aandacht is in de discussie besteed aan de numeriek bestuurde machines. (N.C. machines). Numerieke besturing van machines maakt een scheiding mogelijk tussen aan de ene kant de voorbereiding en het programmeren, en aan de andere kant het bedieningswerk.[15Het bedienen van draaibanken e.d. was vroeger hoog gekwalificeerd werk, numerieke besturing maakt het technisch mogelijk om het te degraderen tot routinewerk.Deze wijze van organiseren is geen technische noodzaak, het is ook mogelijk om het programmeren op de werkvloer te laten plaatsvinden.
Een studie van het Office of Technology Assesment, naar bedrijven in de VS die CNC (Computer Numerically Controlled) machines gebruiken, geeft aan dat er duidelijke grenzen zijn aan deze routinisering: er treden bugs op in de programma's, er duiken onvoorziene problemen op, soms is er sprake van niet-standaard gietstukken.[16]
Jones ziet een beperkende factor bij Taylorisering in de splitsbaarheid van kennis.Hij wijst op de paradox, dat om NC machines te kunnen programmeren metaalbewerkingskennis nodig is, die vaak alleen maar op de werkvloer kan worden opgedaan.Omdat de voor het inzetten van NC machines benodigde kennis niet kan worden gesplitst, is overlapping van de functies van programmeren en bedienen nodig.[17]
Gill noemt een aantal economische en technische grenzen aan de uitbreiding van het Taylorisme in de productie:
-
de mogelijkheid om taken op te splitsen hangt af van doorstromingssnelheid van het product,
-
opsplitsing van taken vereist speciale machines, en die zijn soms (nog) niet beschikbaar.
-
Taylorisering vereist een uitgebreide coördinatie, controle, en planning. Dit is kostbaar.
-
het eentonige, vervelende werk brengt met zich mee, dat met name in perioden met volledige werkgelegenheid hoge kosten gemaakt moeten worden om zich van de medewerking van de werknemers te verzekeren.[18]
Nog een beperking is, dat een bepaalde mate van product- en materiekennis in het bedrijf aanwezig moet blijven, om innovatie mogelijk te maken.
Bij reorganisaties van kantoorwerk blijken de Tayloristische principes niet verdwenen.Met name bij banken en verzekeringsmaatschappijen bestaat de neiging om het werk voortdurend te analyseren en te standaardiseren. Het routinewerk wordt gedaan door een groep werknemers die zich uitsluitend met het "bulk" werk, volgens strak vastgelegde regels bezighouden. Het werk van deze groep wordt geërodeerd door automatisering.De moeilijkere, incidentele gevallen worden door een "elitegroep" behandeld. Het werk van deze groep wordt steeds bekeken of gedeelten kunnen worden geformaliseerd en afgesplitst naar de "bulkgroep".[19]Een beperkende factor bij dit proces is, dat steeds weer nieuwe uitzonderingen en om deskundige beoordeling vragende gevallen ontstaan.Het gebruik van informatietechnologie kan de routinisering en versimpeling ("deskilling") van kantoorwerk in de hand werken. Informatiesystemen leggen de manier, waarop gegevens ingevoerd moeten worden, sterk vast. Beslissingsregels kunnen in de programma's worden ingebouwd.Overigens lijkt het erop, dat waar "deskilling" van het kantoorwerk plaatsvindt, dit voornamelijk wordt wordt veroorzaakt door standaardisatie van procedures e.d.
N.a.v. een case study in de verzekeringsbranche merkt Rolfe over de veranderingen in het niveau van vakmanschap op: "Task variety is small, and the range of tasks has reduced, particularly since information is immediately accessible and premiums calculated automatically. Much of the clerk's working day is spent in routine processing and dealing with enquiries. The administation manager considered it 'flattering' to call the clerks underwriters, stating that 'zombies' could do much of the work and that underwriting is now a 'process'."[20]Kantoorwerk kan kenmerken van lopende bandwerk gaan krijgen.[21]Verder kunnen bij automatisering de management-aspecten van kantoorwerk verloren gaan.[22]Het kantoor was altijd al onderworpen aan beheersing via regels. Deze beheersing werd traditioneel "bemiddeld" via de employé's, die speelden daar een rol in. Dit type beheersing kan bij automatisering verdwijnen.[23]
Ook in de automatiseringswereld zijn Tayloristische patronen te zien. Hier is een scheiding tussen conceptie en uitvoering ontstaan in de vorm van een arbeidsdeling tussen informatie- of systeemanalisten aan de ene kant, en programmeurs en codeurs aan de andere kant.[24]Tenslotte kan ook in de dienstensector het Taylorisme niet als compleet achterhaald worden beschouwd, gezien bijvoorbeeld de opmars van McDonalds.
1.3 In systemen verdwijnend vakmanschap
R. Bright, schrijvend in de jaren "50, onderscheidt verschillende graden van mechanisering in de industrie, die hij samenvat in 4 hoofdgroepen:
-
"hand control"
-
"mechanical control"
-
"variable control, signal response" (dwz. de machine geeft meldingen over het verloop van het produktieproces)
-
"variable control, action reponse"(de machine stuurt zichzelf bij)
In deze vier groepen kijkt hij wat er gebeurt met verschillende indicatoren van de vaardigheid ("skill"), die nodig is om de systemen te bedienen.[25]In de laatste groep, die van de zichzelf bijsturende systemen, gaan al deze indicatoren achteruit.In zijn beschouwing besteedt Bright aandacht aan de mogelijke compenserende effekten op het gebied van het onderhoud van de steeds complexere machinerie. Hij concludeert echter, dat de "upgrading" hierdoor veel minder is dan meestal wordt verondersteld. In geautomatiseerde bedrijven blijkt het onderhoudswerk vaak niet toe te nemen. De aparatuur wordt complexer, maar ook compacter, het onderhoud wordt versimpeld.[26Na het debuggen in het begin vereisen automatische machines weinig onderhoud.[27]
Er zijn voorbeelden te vinden, waar vakmanschap verloren gaat, doordat machines worden ingezet waarmee een ingewikkeld proces geheel of gedeeltelijk wordt geautomatiseerd.Wilkinson geeft als voorbeeld machines die automatisch lenzen slijpen.[28]Andere voorbeelden zijn het gebruik van machines om bloed te analyseren in ziekenhuizen, en foto-ontwikkelmachines.
1.4 Computer ondersteunde disciplinering
Het is niet vanzelfsprekend, dat gehuurde arbeidskracht wordt omgezet in werkelijk verrichtte arbeid.In deze omzetting speelt "beheersing" ("control") een rol. Beheersing houdt in het aangeven door het management wat er moet gebeuren, op welke manier en binnen welke grenzen, het evalueren van de arbeidsprestatie en het toepassen van sancties.[29]Eén van de mogelijkheden voor het beheersen van het arbeidsproces is, de techniek daarvoor te gebruiken. Edwards spreekt van technische beheersing, als het hele productieproces of grote segmenten op een technologie zijn gebaseerd, die het tempo regelt en het arbeidsproces beheerst.Het is een structurele vorm van beheersing, die in de jaren '20 de directe beheersing door voorlieden begon te vervangen.[30]
Het klassieke vroege voorbeeld van technische beheersing is de lopende band. De lopende band komt in de plaats van het directe conflict tussen arbeider en voorman.
Computertechnologie biedt de mogelijkheid om terugkoppeling toe te voegen aan het beheersingsproces.Een computersysteem kan een productieproces volgen, en opdrachten uitdelen.
Het is verder mogelijk om producten automatisch te testen. Hierbij kan managementinformatie wordt gegenereerd, die weer tot opdrachten aan het personeel leidt.Het inzetten van de techniek is in de visie van Edwards niet het definitieve antwoord op het beheersingsprobleem. Een beperking van technische beheersing is de kwetsbaarheid. Een staking op een enkel punt in een op de lopende band gebaseerde fabriek, kan bijvoorbeeld het hele bedrijf platleggen.Daarom stelt Edwards, dat deze beheersingsvorm voorzover die betrekking heeft op het centrale personeel, d.w.z. het belangrijke, moeilijk te vervangen gedeelte van het personeel, aangevuld wordt met "bureaucratische beheersing".
Bureaucratische beheersing is gebaseerd op regels, gedetailleerde funktiebeschrijvingen en geïnstitutionaliseerd overleg met de vakbonden.Het belang van technische beheersing wordt verder gerelativeerd door het werk van Andrew Friedman. Hij stelt dat naast directe beheersing ("Direct Control") ook een type beheersingsstrategie voorkomt die gebaseerd is op het geven van autonomie aan werknemers ("Responsible Autonomy").[31]"Responsible Autonomy" wordt in een organisatie eerder toegepast op het "centrale" personeel (de elitegroep, waar de vitale vakkenis geconcentreerd is en die het moeilijke werk doen), Direct Control wordt eerder toegepast op "perifeer" personeel (gemakkelijk vervangbaar personeel, dat voor routinewerk wordt ingezet).Het is overigens nog maar de vraag, in welke mate beheersing een essentiële voorwaarde is voor de omzetting van gehuurde arbeidskracht in geleverd werk.
Naast beheersingsstrategieën komen er strategieën voor waarmee consensus wordt geproduceerd.[32]Natuurlijk is er lang niet alleen sprake van slinkse strategie. Veel gebeurt in een algemeen raamwerk van consensus, dat binnen en buiten de werkorganisatie wordt gereproduceerd.
Verder kan zelfs van maatschappelijke tegenstellingen soms aannemelijk worden gemaakt, dat ze bijdragen tot ongestoord verloop van het arbeidsproces. Paul Willis beschrijft de "anti-schoolcultuur" waarin een deel van de scholieren uit het arbeidersmilieu zich verzet tegen de waarden van de school. In de anti-schoolcultuur bestaat een duidelijk beeld van het (gedegradeerde) werk waarin deze scholieren later terechtkomen. Dit beeld is realistischer dan het perspectief dat door de school wordt geboden. Toch brengt deze anti-school cultuur als onbedoeld effect het accepteren van gedegradeerd werk met zich mee.[33]
Littler en Salaman wijzen op het belang van de afhankelijkheid van het werkverband als factor die werknemers op hun plaats houdt.[34] Soms wordt dit versterkt door gebrek aan alternatieve werkmogelijkheden, en door verdeeldheid binnen de werkende bevolking, bijvoorbeeld langs ethnische scheidslijnen.Hierdoor hoeft "beheersing" vaak niet expliciet op de agenda van het management te staan.Bureaucratische beheersing, "Responsible Autonomy", het gebruikmaken en bevorderen van consensus, de tucht van de arbeidsmarkt, lijken voldoende om personeel aan het werk te houden.Toch blijkt in tal van informatiesystemen de functie "computer ondersteunde disciplinering" ingebouwd te worden.
Franco de Benedetti, topman van Olivetti, over de mogelijkheden op dit gebied:
-
"Information technology is basically a technology of coordination and control of the labour force, the white collar workers, which Taylorian organisation does not cover.
-
(..) EDP is in fact an organisational technology and, like the organisation of labour, has a dual function as a productive force and a control tool for capital (..).
-
To sum up: the easy adaptability of work to the machine, the diffusion of equipment thanks to technological developments, the measurability of the improvement obtained and finally the increased power which the manager acquires are the cause of the exceptional diffusion of the mechanisation of the office."[35]
In financiële instellingen en telecommunicatiebedrijven wordt automatische registratie van werkprestaties aangetroffen.[36]Het management hoeft deze informatie niet voor beoordeling te gebruiken, maar heeft wel de macht daartoe. In de terminologie van Foucault wordt hierbij het "panoptisch" principe toegepast, d.w.z. er is een centraal punt van waaruit werknemers kunnen worden geobserveerd, zonder dat die werknemers in staat zijn om waar te nemen of ze op een bepaald moment geobserveerd worden.[37]Logistieke informatiesystemen kunnen aan tijd gebonden opdrachten aan werknemers uitdelen, waarbij het programma controleert of die in de gestelde tijd worden uitgevoerd.[38]In de al genoemde studie van het OTA werd een aan de CNC machines gekoppeld systeem aangetroffen wat de productie registreerde.Dit was gericht tegen het opsparen van werk, wat de werknemers deden om maximaal te profiteren van aanmoedingingspremies.
1.5 Conclusie
De auteurs uit de pessimistische stroming maken aannemelijk dat er bij automatisering bedreigingen voor de kwaliteit van de arbeid onstaan, maar geven daarbij factoren aan die grenzen aan deze bedreigingen inhouden. Er zijn dus redenen om een eventueel pessimisme te temperen.Of en in hoeverre deze bedreigingen effectief worden hangt af van:
-
compenserende effecten, zoals het onstaan van nieuwe vaardigheden,
-
de mate waarin het management de gewraakte organisatieconcepties, m.n. die van (crypto-) scientific management werkelijk nastreeft,
-
de mate waarin (crypto-)scientific management vastloopt op inherente beperkingen.
2 Kansen voor verbetering van de kwaliteit van het werk
Naast bedreigingen zijn er ook kansen voor verbetering van de kwaliteit van het werk. Naar analogie met de risico's kunnen aan de kansen overwegingen worden gekoppeld, die het optimisme weer enigszins temperen.
2.1 Uitdagender werk
Een voorbeeld van een toepassing waarbij na automatisering hogere eisen aan de werknemers gesteld worden dan daarvoor, is Computer Aided Design ( CAD ). Doordat een beeldscherm maar een beperkt venster op de tekening biedt, die bovendien vaak weer uit verschillende "lagen" is opgebouwd, is het lastiger om zich een een adequaat mentaal model van het onderhanden project te vormen.
In vergelijking met het werken aan een tekentafel wordt met een CAD systeem op een meer "wiskundige" manier getekend, doordat veel gebeurt door opdrachten via het toetsenbord te geven.De neiging zal bovendien bij het management bestaan, om grotere precisie te verlangen, bijvoorbeeld dat elke tekening geheel maatvast wordt. Terwijl CAD nieuwe eisen aan de werknemers stelt, verdwijnt tegelijk veel van het routine tekenwerk, bijvoorbeeld arceren. Om de mogelijkheden van een CAD systeem maximaal te benutten, moeten er voor veel gebruikte symbolen en handelingen "macro's", d.w.z. aparte programmaatjes geschreven worden. Dit voegt een automatiseringselement aan het CAD werk toe.Dit laatste leent zich overigens wel voor afsplitsing in een aparte functie.Een andere vorm van arbeidsdeling die bij CAD werk (nog) wel voorkomt, is het afsplitsen van het handmatig digitaliseren van bijvoorbeeld oude tekeningen.
Het bovenstaande heeft betrekking op het automatiseren van tekenwerk. Voor het ontwerpen van belang zijnde berekeningen, zoals sterkte analyse, kunnen uiteraard ook worden geautomatiseerd. Mike Cooley stelt dat hierbij een tendens ontstaat om kwantitatieve aspecten een groter belang toe te kennen dan kwalitatieve, en om de creativiteit van de ontwerper te beperken door het gebruiken van standaardroutines en -optimaliseringen. Hij wijst er ook op, dat de kostbaarheid van CAD systemen een druk met zich mee brengt om het werk te intensiveren, en de bedrijfstijd te verlengen: een geval van proletarisering van intellectueel werk.[39] Automatisering brengt onophoudelijke "aanloopproblemen" met zich mee, voor werknemers op alle niveaus in een organisatie. Hoewel dit soms als vervelend ervaren wordt, is het niet bepaald nadelig voor de kwaliteit van de arbeid, volgens onze definitie tenminste. Automatisering stelt eisen aan het improvisatie- en probleemoplossend vermogen en brengt voortdurende leerprocessen met zich mee. Tenslotte heeft informatietechnologie, indien het niet gebruikt wordt om strikt geroutiniseerde arbeidsplaatsen te creëren, een belangrijke speelgoedwaarde.
2.2 Verdwijnen van eentonige, belastende taken
Een klassieke verwachting is, dat de kwaliteit van het werk zal verbeteren, door het verdwijnen van vervelend en/of ongezond werk. Een duidelijk voorbeeld van het wegautomatiseren van ongezond werk, is het inzetten van robots bij het lassen en spuiten.Mogelijkheden om simpel werk te laten verdwijnen doen zich voor bij automatiseren van het transport van werkstukken tussen verschillende machines, en van het "laden" van machines.In 1988 verscheen een onderzoek naar "kort cyclische arbeid" (d.w.z. werk dat in minder dan 90 seconden wordt uitgevoerd en dan op dezelfde manier wordt herhaald) van TNO. Hierin wordt gesteld, dat zeker een kwart miljoen werknemers in Nederland kort cyclisch werk doen. De onderzoekers verwachten dat bestaande vormen van kort cyclisch werk tendentieel zullen worden weggeautomatiseerd, maar dat het niet zal verdwijnen. Restanten zoals inpakwerk, en het in- en uitvoeren van materiaal (voorzover niet geautomatiseerd) blijven bestaan. Hiernaast ontstaat ook weer nieuw kortcyclisch werk, bijvoorbeeld door vereenvoudigde assemblage van producten, die speciaal met het oog daarop zijn ontworpen. Verder zijn lang niet alle nieuwe operatorsfuncties hoog gekwalificeerd. Een deel van de operators doet voornamelijk eentonig bewakingswerk.[40]
2.3 Taakintegratie
Waar in onderzoeksverslagen gesproken wordt over "upskilling" van uitvoerende taken, is dat meestal te danken aan het integreren van taken.Hendry beschrijft een voorbeeld waar bij automatisering "upskilling" van het werk van productiearbeiders in een metaalbedrijf plaatsvindt. Dit gebeurt door het samenvoegen van taken. De productiearbeiders krijgen een deel van de onderhoudstaken, en verrichten tevens aanpassingen aan programma`s.Hendry noemt een aantal factoren die deze "upskilling" bevorderen:
-
de bestaande vaardigheden en ervaring mogen niet verdwijnen, er moet bij het gebruik van de nieuwe technologie op voortgebouwd worden,
-
een aantal "indirecte" personeelsleden, zoals controlerend en toezichthoudend personeel, en onderhoudspersoneel, worden wegbezuinigd. Hun taken worden door het uitvoerend personeel overgenomen,
-
het gebruik van CAD/CAM maakt het werk voor de ontwikkelingsingenieurs moeilijker. Hierdoor zijn zij geneigd om wat routinetaken af te stoten naar het productiepersoneel,
-
mensen die software kunnen ontwikkelen zijn duur en schaars. Het is dus economisch om productie-personeel te trainen om enige taken op dit gebied uit te voeren.[41]
Een andere mogelijkheid voor taakintegratie in de industrie is het combineren van het onderhoud van machines met het bedienen ervan. Dit komt handig uit, immers als de machines draaien zitten de onderhoudsmensen zonder werk en andersom.
Een voorbeeld van integratie van administratieve taken vinden we in een studie van Doorewaard. Hij beschrijft een verzekeringsbedrijf waar men met het probleem zat, dat klanten moeilijk informatie konden krijgen, omdat de verwerking van hun "geval" over verschillende afdelingen verspreid was. Daarom werd het werk zo gereorganiseerd, dat alle facetten van het geval van een klant onder de hoede van één medewerker werden gebracht. D.w.z. taken werden geïntegreerd tot een "allround" functie.[42] Een aantal bedenkingen bij het perspectief van taakintegratie:
-
Integratie van taken kan verschillende vormen hebben:
-
"taakverrijking", waarbij interessantere taken en elementen van planning, voorbereiding en ondersteuning worden toegevoegd. Een voorbeeld is "werkvloerprogrammering", d.w.z. dat het programmeren van CNC machines gedeeltelijk of geheel plaatsvindt door de werknemers, die de machines bedienen, in plaats van door een programmeerafdeling. De "regelcapaciteit" neemt hierbij toe.
-
"taakverbreding". In laatste geval worden routinetaken samengevoegd, waardoor men kan invallen voor afwezige medewerkers. De personeelsbezetting kan hierdoor worden verkleind. Taakverbreding kan moeilijk als verbetering van de kwaliteit van de arbeid worden gezien: nul plus nul is nul. Bij kortcyclische arbeid kan hiermee wel een verlenging van de arbeidscyclus bereikt worden.
Taakintegratie kan zo worden georganiseerd dat andere funkties worden verschraald.
Een reden om taken te integreren is het bereiken van een hogere arbeidsproduktiviteit, dus vermindering van het aantal arbeidsplaatsen of "jobless growth". Fortune Magazine verkoopt bijvoorbeeld met dit argument taakintegratie aan managers:
-
-
"Few companies in any field have done much better at improving productivity than Federal Kemper Life Assurance CO., part of Kemper Group, a big insurance company headquartered near Chicago. From 1972 to 1985 productivity increased fivefold, as measured by policies issued per employee per year. Federal Kemper installed a new computer system in 1974, but for a while things were done much the same as before. Work moved from one station to another in a sort of assembly line. Employees at terminals had faster access to information than before, but clerks still moved stacks of paper from one work station to the next. Productivity gains were imperceptible. Employees jokingly referred to the computer system as an electric pencil.
-
After a year or so Gerald F. McCann, vice president for operations, proposed a radical transformation of the work process, and management adopted his idea. Federal Kemper abandoned the assembly-line workflow and regrouped employees into self-contained three person teams, each handling all the functions involved in the issuance of policies.
-
John B. Scott, who succeeded McCann as vice president for operations, remarks that his predecessor's revolution "created a bunch of small companies." It worked. McCann subsequently moved up to executive vice president."[43]
-
2.4 Meer egalitaire werkorganisatie
Een mogelijkheid is het werk te laten verrichten in semi-autonome groepen, die naast uitvoerend werk ook plannings-, werkverdelings-en controletaken verrichten.Het komt echter voor, dat deze automie wordt gecombineerd met één of andere vorm van technische beheersing.Bij GM en Volvo is de lopende band gedeeltelijk vervangen door een systeem met computerbestuurde transportwagentjes, die werkstukken van werkstation naar werkstation transporteren, waarbij ieder werkstation het domein is van een groep.De groep bepaalt zelf het werktempo, en de karretjes kunnen alleen vertrekken van het werkstation als ze door de groep zijn vrijgegeven. Er is echter wel een computersysteem, dat de bewegingen van de karretjes volgt, en dat signaleert als er een groep achterblijft bij de rest.[44]
2.5 Gebruikersparticipatie
Als een bestaand proces wordt geautomatiseerd, is informatie van de (toekomstige) gebruikers onontbeerlijk. Dat kan door ze te interviewen, maar een andere manier is het organiseren van een vorm van gebruikersparticipatie. Het is een wijd verspreid idee, dat gebruikersparticipatie het risico voor mislukking bij automatisering verkleint, en helpt de acceptatie te vergroten.[45]Beirne en Ramsey hielden in Engeland een postenquête naar gebruikersparticipatie.[46]Van 15 van de ca. 200 aangeschreven bedrijven en instellingen kwamen antwoorden terug die voldeden aan een aantal criteria waaronder:
-
ook lager personeel werd bij de meeste stadia betrokken,
-
gebruikers kregen de relevante informatie voorafgaand aan bijeenkomsten,
-
gebruikersgroepen hadden vetorecht en een zekere beslissingsmacht.
Van deze 15 wilden er 8 meewerken aan verder onderzoek.Hierbij vielen er 4 af, omdat ze bij nader onderzoek toch niet aan de criteria voldeden.Overbleven:
-
een financiële instelling. Hier werden een aantal gebruikers tijdelijk full-time toegevoegd aan de ontwikkelingsgroep.
-
een vakbond. Hier werd de automatisering gestuurd door een werkgroep van management vertegenwoordigers, specialisten van afdelingen, potentiële gebruikers en "shop stewards" van de vakbond APEX (het vakbondspersoneel was zelf lid van APEX).
-
bij de onderwijsinstelling was er een vaste ontwerpgroep, gerekruteerd uit de hogere echélons. Deze groep consulteerde de gebruikers.
-
een multinationale computerfirma (pseudoniem "Blue Chip").Hier werd het volgende systeem gehanteerd: bij elk automatiseringsproject werden enige managers, de "eigenaars" van het te ontwikkelen systeem, full time bij de ontwikkeling betrokken worden. Deze managers werden ondersteund door een groep van 10-15 employés, die verbonden bleven aan hun eigen afdelingen, en die op moesten treden als bewakers van de gebruikersbelangen. Deze groep werd door managers en employé's aangesproken, als die problemen of twijfels hadden m.b.t. de systeemontwikkeling.
Er vonden zgn. "sign-off" meetings plaats, waar besloten werd of een projekt door kon naar de volgende fase. Hierbij waren de managers betrokken. De teams die participeerden werden van bovenaf geselecteerd. "Blue Chip" bleek dit model van gebruikersparticipatie te introduceren bij hun klanten. In die zin is er sprake van "standaardisering" van gebruikersparticipatie.Bij "Blue Chip" kwam het probleem naar voren dat er te weinig informatie aan de gebruikers werd gegeven, en dat de systeemontwikkelaars, waarmee de participerende gebruikers moeten samenwerken, zelf in het duister tastten over de algemene richting van de projecten.
Behalve bij de vakbond, werden de meeste gebruikers alleen in specifieke stadia bij de systeemontwikkeling betrokken, slechts weinigen waren in het hele traject betrokken. Het lager personeel participeerde weinig. Respondenten konden slechts kleine wijzigingen noemen als bewijs van invloed, zoals veranderingen in schermlayout en het plaatsen van geluiddempende printerkappen. De respondenten waarschuwden steeds tegen overschatting van hun invloed (behalve bij de vakbond).Beirne en Ramsey concluderen dat gebruikersparticipatie "highly managed" is, het heeft volgens hen "weinig te maken met actuele of potentiële autonomie, en alles met conformiteit". De afstand tussen gebruikers en automatiseerders is ook een belemmering voor gebruikersparticipatie. Bij een grote bank in Nederland werden gebruikers toegevoegd aan de automatiseringsstaf. Een systeemanalist vertelt over zo'n gebruiker:
-
"Hij hield het niet vol. We gaven hem eerst een boekje met banktermen en afkortingen: 'lees dat, daar heb je wat aan'. Daarna kwam hij bij een vergadering van systeemprogrammering, waar de hele tijd weer nieuwe termen vielen. Toen gaven we heb een termen en afkortingenlijst over het project. Vervolgens weer een vergadering, waar weer voortdurend compleet nieuwe termen vielen. Toen gaf ik hem een notitie over "overnight processing in local areas". Hij heeft gevraagd of hij weer terug naar z'n baas mocht. Achteraf gezien is dit wel het meest frustrerende wat je iemand kunt aandoen. Je wijst hem een punt, dat hij moet bereiken, en zegt dat hij op een trap moet klimmen. Staat hij erop, dan schop je het trapje weg, en zegt dat hij bij een touw moet komen, wat ergens in de hoogte hangt. Heeft hij met veel moeite kans gezien in in dat touw te komen, dan snijd je het door. Dan zeg je, daar op de grond ligt een bal, ga daar maar wat mee liggen rollen. (..)
-
Wij zitten niet alleen in een ivoren toren, maar we hebben rondom ons heen mijnen gelegd. Dat is begonnen op het moment, dat we niet meer aan de gebruikers gingen vragen hoe ze het deden, maar dat we zelf gingen bepalen hoe er gewerkt moest worden. Toen ik een handleiding gemaakt had, zei iemand: kun je dat niet relateren aan hoe er vroeger gewerkt werd. Ik zei nee, omdat het niet relevant is. Bovendien wist ik niet goed, hoe er vroeger gewerkt werd."
2.6 Conclusies
De genoemde risico's:
-
verdergaande detail-arbeidsdeling,
-
Taylorisering,
-
in systemen verdwijnend vakmanschap,
-
computer ondersteunde disciplinering,
-
en kansen:
-
meer uitdagend werk,
-
het verdwijnen van eentonige, belastende taken,
-
taakintegratie,
-
meer egalitaire werkorganisatie,
-
gebruikersparticipatie,
zijn alle tot op zekere hoogte actueel.
Kansen en risico's sluiten elkaar ook niet wederzijds uit.Zo kan een meer egalitaire werkorganisatie op werkgroepniveau gecombineerd voorkomen met een vorm van computer ondersteunde disciplinering.Taakintegratie in één segment van een productieproces, kan samengaan met Taylorisering en verdergaande detail-arbeidsdeling in een ander segment van datzelfde productieproces. Dit laatste wordt bevorderd door de tendens tot het afstoten van werk naar onderaannemers.Gebruikersparticipatie in de opbouwfase van een informatiesysteem, sluit niet uit dat er geroutiniseerde taken ontstaan.
3 Welke kant gaat het op?
Valt er een netto-effect van de risico's en kansen aan te wijzen?Een aantal complicaties bemoeilijken het vormen van een overall beeld:
-
Er is geen algemeen aanvaarde definitie van "niveau van vakmanschap" ("skill"),
-
Vanwege de diploma-inflatie kan het opleidingsnivo van werknemers moeilijk worden gebruikt als indicator voor het niveau van vakmanschap, dat reëel nodig is om hun werk te doen.
-
Het beheersingsaspect van werk is zo mogelijk nog multidimensioneler dan het vaardigheidsapect.
-
De effecten, die met informatietechnologie samenhangen, laten zich niet isoleren van andere veranderingen, omdat er nauwelijks een gebied te bedenken is waar deze technologie niet wordt toegepast.
W. Form probeerde op basis van 83 studies, waarvan er 20 betrekking hebben op het tijdperk van de automatisering, een antwoord te vinden op de vraag, of het geaggregeerde "skill" niveau stijgt of daalt. Voorzover er iets uit de studies geconcludeerd kan worden, is het dat er geen of weinig geaggereerde verandering in het "skill" niveau is geweest.[47]Nederlandse onderzoekers (Huijgen, Riesewijk en Conen) vonden een zeer zwakke degradatie van de functieniveaustructuur van de bevolking in loondienst, in de periode 1960 - 1977.[48]
Op grond van de literatuur kan in elk geval niet geconcludeerd worden, dat er een dramatische up- of downgrading van het geaggregeerde "skill" niveau plaatsvond en -vindt.Case-studies geven indicaties, dat er achter het ontbreken van geaggregeerde verandering een polarisatietendens schuilgaat.
Bij rationalisering en automatisering ontstaat aan de ene kant hoog gekwalificeerd werk, aan de andere kant half geschoold werk, waarin in essentie voornamelijk bedrijfsspecifieke kennis en vaardigheden voor nodig zijn.Het middenniveau, dat van de traditionele geschoolde arbeid, krijgt bij rationalisering de grote klappen. Het polarisatiemodel wordt duidelijk geformuleerd door Kern en Schumann in hun vroege werk.[49]
3.1 Een omslag?
Al in de 19e eeuw wees een managementexpert op het belang van het kwalificatieniveau van werknemers voor het functioneren van de industrie:"Modern industry, indeed, compels society, under penalty of death, to replace the detailworker of today, crippled by lifelong repetition of one and the same trivial operation, and thus reduced to the mere fragment of a man, by the fully developed individual, fit for a variety of labours, ready to face any change of production, and to whom the different social functions he performs, are but so many modes of giving free scope to his own natural and acquired powers."[50]
Meer dan honderd jaar later lijkt dit denkbeeld werkelijk opgang te maken. In hun in 1984 verschenen boek "Das Ende der Arbeitsteilung?" melden Kern en Schumann een omslag in het managementdenken.
In de drie kernsectoren van de Duitse industrie (auto-, machinebouw- en chemische industrie) zien zij nieuwe "productieconcepten" opkomen, waarin een groot belang wordt toegekend aan het vakmanschap en de persoonlijke betrokkenheid van alle werknemers.[51]In plaats van polarisatie tussen elite- en routinewerknemers zou in de kernsectoren, door het samenvoegen van taken over de hele linie een opwaardering van banen plaatsvinden.Als oorzaken hiervoor noemen zij:
-
zelfs het simpelste werk (bijv. montagewerk in de
-
auto-industrie) is van vitaal belang voor de kwaliteit van het
-
eindproduct,
-
er moet op een flexibele manier een groot assortiment producten
-
gemaakt worden,
-
nieuwe technologie maakt een flexibele organisatie van de productie mogelijk,
-
deze bedrijven hebben het geld voor een verandering van de
-
manieren van produceren.
Kern en Schumann benadrukken, dat dit beeld alleen opgaat voor de sterkste sectoren. In een wat zwakkere sector, als de voedingmiddelenindustrie, vindt wel polarisatie plaats. In deze sectoren wordt een groot deel van het werk door "Jedermannsarbeiter" gedaan.
Een nieuw productieconcept is ook geen panacee. Als voorbeeld noemen zij de scheepsbouwsector, waar het vakmanschap op een hoog peil staat, wat deze sector ekonomisch toch niet kan redden.
Volgens Kern en Schumann onstaat er een "segmentatie " tussen werknemers in de sterke sectoren en werknemers in de zwakkere.Een Amerikaanse variant op deze stelling is naar voren gebracht door Piore en Sabel. Zij stellen in "The Second Industrial Divide" dat de Tayloristisch georganiseerde massaproductie plaats zou kunnen gaan maken voor "flexible specialisation".In hun visie komt dit door de combinatie van een fragmentering van de markten en de beschikbaarheid van flexibele productietechnologie.Diverse kanttekeningen kunnen bij deze stellingen worden gemaakt:
-
Het betreft een deel van de productiesector. Werknemers in zwakke sectoren en in de dienstensector profiteren er niet van,
-
de banen die hier ontstaan houden vaak eenvoudig routinewerk in.
-
Het zijn hoofdzakelijk mannen, waarvan de baan opgewaardeerd wordt,[52]
-
Flexibele technologie hoeft nog geen flexibele werkorganisatie met zich mee te brengen.
-
In Nederland zijn deze nieuwe vormen, met een upgrading over de hele linie, nog niet zo zichtbaar.
F. Huijgen en Fr. Pot maakten een overzicht op basis van 22 Nederlandse studies, verricht in 1984, '85 en '86. Het gaat hier om studies die bestaan uit één of meer casestudies.Zij concluderen dat er een tweedeling onstaat:
-
een bovenlaag van werknemers die zich bezig houdt met complexe besturing en het hanteren van uitzonderingsgevallen. Werknemers met nieuwe vaardigheden vallen hier ook onder.
-
In nieuwe kantoren en fabrieken vindt opwaardering van de arbeid plaats.
-
een onderlaag van werknemers die het zgn. bulkwerk doen. Deze werknemers hebben een zwakke arbeidsmarktpositie. M.n. vrouwen bevinden zich in deze categorie.
-
Polarisatie is dus in Nederland de hoofdlijn.
Automatisering, en het beter benutten van de kwalificaties van het overblijvende personeel (evenals onder concurrentieverhoudingen het achterwege laten hiervan), zijn evenzovele pijlen die wijzen in de richting van vermindering van arbeidsplaatsen. Daarom is in een artikel als dit, overigens geschreven in het kader van een 38-urige werkweek, een ritueel pleidooi voor arbeidstijdverkorting op zijn plaats.Helaas lijkt dit onderwerp, net nu bovengenoemde ontwikkelingen zich verscherpt gaan doorzetten, van de politieke agenda verdwenen.
3.2 Heeft de technologie het laatste woord?
Geprobeerd zou kunnen worden, uit de technologische ontwikkelingen een indicatie af te leiden voor lange termijnsveranderingen van de kwaliteit van het werk.Informatietechnologie wordt meestal gezien als een factor, die de keuzemogelijkheden voor de organisatie van het werk verruimt.Omgekeerd kunnen de technische mogelijkheden ook beperkingen aan de keuzeruimte voor de werkorganisatie opleggen. Deze keuzeruimte wordt wel de ontwerpruimte (design space) genoemd.Fabrikanten die "turn key" oplossingen verkopen, ontwikkelen die op basis van de gangbare werkorganisatie. Met het "turn key" systeem wordt dan die standaard werkorganisatie weer min of meer meegeleverd.Noble benadrukt dat technologie een sociale geschiedenis heeft.[53] Bij het ontwerpen worden keuzen gemaakt, alternatieven geselecteerd en verworpen. Maatschappelijke verhoudingen weerspiegelen zich in die keuzen. De uitkomsten van technologische ontwikkelingen worden echter gekenmerkt door een ruime proportie onbedoelde effecten.Noble traceerde de ontwikkeling van de NC (numeriek bestuurde) machine. Oorspronkelijk bestonden er twee concurrende principes die toegepast werden bij het ontwikkelen van automatische gereedschapsmachines:
-
het "record playback" principe, waarbij een gekwalificeerde arbeider via handbediening een eerste werkstuk maakt, dat daarna een x aantal keren wordt gekopiëerd. Deze technologie is dus afhankelijk van de vaardigheid van arbeiders.
-
het NC principe, waar de instructies voor de machine op een tape of ponsband worden aangeleverd. Dit systeem maakt een verdergaande scheiding van conceptie en uitvoering mogelijk.
Het NC principe kreeg de overhand, m.n. door grote financiële steun uit de defensie sector. Men wilde er vanaf, dat arbeiders op de werkvloer de beschikking hadden over werktekeningen van defensie-materiaal. ( dit speelde in het McCarthy tijdperk)Toch determineert de keuze voor NC de werkorganisatie niet volledig: naast programmering in een aparte afdeling is ook programmering op de werkvloer mogelijk.
De NC machine werd verder ontwikkeld tot de CNC machine, dwz. er werd een computer aan toegevoegd. Volgens Sorge c.s. leidt de toevoeging van computertechnologie aan de NC machine ( CNC ) ertoe, dat werkvloerprogrammering gemakkelijker te realiseren is.Aan de andere kant maakt de CNC machine ook een centralistische organisatievorm gemakkelijker te realiseren.[54]
De volgende stap in de ontwikkeling wordt de DNC (directly numerically controlled) machine. Hierbij is er een directe koppeling tussen het CAD (computer aided design) systeem en de bewerkingsmachines. Logischerwijs worden bij het gebruik van DNC de mogelijkheden voor het verrichten van programmeerwerk op de werkvloer weer kleiner.
3.3 Tegenstrijdige onderliggende trends in de informatietechnologie
Een voortdurende tendens in de informatietechnologie is het ontwikkelen van software waardoor het programmeren van computers gemakkelijker wordt. Het woord "programmeren" is hier gebruikt met een brede betekenis. Het omvat niet alleen het creëeren van applicatieprogramma's, maar ook het aanpassen van applicatieprogramma's.
Sinds het begin van de computertechnologie is er een sterke tendens geweest om de computer zelf te gebruiken om het programmeren te vergemakkelijken. Een belangrijke fase hierin was het ontwikkelen van "high level" of derde generatie programmeertalen als COBOL en PASCAL in de jaren '50 en '60. Deze talen isoleren de programmeurs van de complexiteiten van de "hardware" en stellen hen in staat zich meer te concentreren op de problemen die m.b.v. de programma's moeten worden opgelost.
In de jaren '70 en '80 volgt er een nieuwe stap met de introductie van database managementsystemen. Een database managementsysteem (DBMS) biedt de essentile functies voor het opslaan, toevoegen, verwijderen, ordenen en selecteren van informatie, en dat op een een universele manier. Dit betekent dat het mogelijk is om m.b.v. een DBMS een informatiesysteem in veel kortere tijd te ontwikkelen, dan wanneer het hele systeem in een derde generatietaal zou worden geprogrammeerd.Doordat het DBMS de gecompliceerde technische details verzorgt, is minder technische programmeervaardigheid nodig.
Nog een element in deze toenemende "programmeurs-vriendelijkheid" is dat vaak programmeerfaciliteiten worden ingebouwd in kant-en-klare paketten. Hierdoor kunnen eigenschappen worden veranderd of toegevoegd. Traditioneel is er een sterke arbeidsdeling tussen "gebruikers" en automatiseerders. Deze arbeidsdeling is historisch verklaarbaar uit de voor het programmeren benodigde vaardigheden, en uit het tijdrovende karakter van het programmeren.
De technische faciliteiten zijn inmiddels beschikbaar om het programmeerwerk, in de betekenis van het creatief gebruik van informatietechnologie, over alle geledingen een organisatie te spreiden.Het lijkt er echter op, dat de toenemende "programmeervriendelijkheid" vooral wordt benut om de kosten van applicatie-ontwikkeling omlaag te brengen.Slechts in incidentele gevallen gaan niet-automatiseringsmedewerkers over tot het zelf uitvoeren van programmeerwerk, daarmee hun werksituatie zelf vormgevend.Dit neemt niet weg, dat de technische mogelijkheden toenemen om het programmeren, in de betekenis van bepalen hoe een informatiesysteem zich gedraagt, te democratiseren.
3.4 Ai
Hier staat tegenover, dat een andere ontwikkelingslijn in de softwaretechnologie, die van de artificiële intelligentie ( AI ), mogelijkheden biedt om op degradatie van het werk gerichte strategieën te ondersteunen.Een traditionele ( d.w.z. niet - AI ) automatiseringsoplossing veronderstelt dat er een algoritme bekend is om het probleem op te lossen, d.w.z. dat alle stappen die tot de oplossing leiden, bekend zijn. AI kan worden gedefiniëerd als het gebied van de informatica, waarin geprobeerd wordt die aspecten van het menselijk handelen door computers laten nadoen, waar geen algoritmes voor bekend zijn. Voorbeelden hiervan zijn o.a. het verwerken van natuurlijke taal en patroonherkenning.
Een van deze aspecten is het nemen van beslissingen op basis van expertise, d.w.z. vage vuistregels en gedeeltelijk onbewuste heuristieken. Deze expertise kan gezien worden als de kern van het vakmanschap.De ontwikkeling van expertsystemen (programma's om beslissings- of beoordelingsprobemen op te lossen op basis van de ingebouwde expertise van één of meer menselijke experts) is de meest bloeiende tak van de AI, d.w.z. in termen van commerciële toepassingsmogelijkheden.
Het principe is, dat een expert wordt geïnterviewd (in de AI terminologie heet dit "elicitatie") door een zgn. "knowledge engineer", die de bij stukjes en beetjes expliciet gemaakte expertise vastlegt in een door de computer verwerkbare vorm.Hier is tenminste een oppervlakkige overeenkomst met het programma van F.W. Taylor.Meestal wordt de kennis gerepresenteerd in "productieregels", regels met een "als ... dan ..." vorm.Het expertsysteem bestaat dan uit een kennisbank van productieregels en een "inference engine", dat regels selecteert, en combineert met gegevens en andere regels.De norm voor succes bij de ontwikkeling van expertsystemen is, dat het systeem even goede of betere resultaten moet leveren als een menselijke expert.De AI lijn in de informatica is dus meer gestructureerd volgens het principe van wedijveren met de menselijke mogelijkheden, dan van het ondersteunen daarvan.Tot dusver leverde het AI onderzoek voornamelijk experimentele programma's op, die binnen een heel beperkt kennisdomein werken, en een filosofische discussie over het al dan niet bestaan van principiële grenzen voor het "intelligent" maken van computerprogramma's.[55]
Eén van de schaarse voorbeelden van een expertsysteem dat succesvol wordt gebruikt, is XCON van Digital Equipment Corporation. Het wordt gebruikt voor het configureren van VAX computers. Ieder VAX computersysteem is een vaak unieke combinatie uit een universum van duizenden verschillende onderdelen. Aanvankelijk werd geprobeerd om delen van dit proces op een traditionele manier te automatiseren, deze aanpak bleek echter geen succes. Een factor die in het nadeel werkte van traditionele automatisering, was dat het systeem "moest mikken op een bewegend doel", doordat er steeds nieuwe onderdelen en mogelijkheden werden geïntroduceerd.[56]Een expertsysteem, uitgroeiend tot 4200 productieregels, bleek in ca. 95 procent van de gevallen de juiste configuratie op te kunnen leveren.XCON werd aangevuld met XSEL, een expertsysteem dat verkopers moest helpen bij het maken van offertes. Bij DEC lijkt men zich bewust van een zekere bedreiging voor de kwaliteit van het werk. Een manager van DEC stelde:"Naturally, salespeople could be very threatened by this type of expert system. Imagine the plight of a computer-systems salesperson with ten or twelve years experience, who could go to a customer or prospect and using his or her wealth of accumulated knowledge prepare the framework of a quotation with only minimal reference to technical documentation. Now, all of a sudden, a portable terminal and a remote computer are part of the salesperson's toolkit. The salesperson is now, potentially, portrayed as having to rely on the computer and expert system, thus appearing less self-sufficient. We have spent a lot of time with sales users, dealing with the psychological aspects of these work pattern changes as they affect each user, as well as with the changes themselves."[57]
Geconcludeerd kan worden, dat de ontwerpruimte, dwz. het scala van technische mogelijkheiden, in twee richtingen verruimd wordt. Er komen meer technische mogelijkheden voor strategieën die op verbetering van de kwaliteit zijn gericht. Tegelijk nemen de mogelijkheden toe om de menselijke arbeid als subjectieve factor uit te schakelen.
4 Beinvloedbaarheid van de kwaliteit van de arbeid bij automatisering
Aangezien de kwaliteit van het werk als een duidelijk belang van werknemers wordt herkend, leeft in de vakbeweging de wens om bij de invoering van nieuwe technologie invloed uit te oefenen. Menige strategie is hiervoor ontworpen. ( Deze strategieën komen aan de orde in het artikel "Nieuwe technologieën en de sociale partners", in dit boek.)Hebben deze strategieën resultaat?Een mogelijkheid, om hiervan een indicatie te krijgen is via het vergelijkend onderzoek naar arbeidsorganisaties.Uit vergelijkingen tussen bedrijven, waar met dezelfde soort technologie wordt gewerkt, blijkt dat er grote verschillen zijn in de manier waarop het werk wordt georganiseerd, en daarmee in de kwaliteit van de arbeid.Uitéénlopende verklaringen worden voor de gevonden verschillen naar voren gebracht. Het scala van verklaringsfactoren omvat:- Bedrijfsgrootte wordt vaak genoemd als verklarende factor voor vaardigheid van bedieners van machines. In grote bedrijven zijn er meer mogelijkheden voor degraderende arbeidsdeling.- Het "batch"- dan wel "flow"-karakter van een productieproces: bij een "batch"-karakter vereist het werk over het algemeen meer vakmanschap.[58]- Seriegrootte: het produceren in kleine series vereist meer menselijke interventie dan het produceren in grote series. Dus een onstabiele, verschuivende en gedifferentiëerde markt pakt gunstig uit voor de vakkundigheid van de werknemers.[59]
-
Het punt in de levenscyclus van het product, aan het begin van de levenscyclus wordt vaak meer gekwalificeerd personeel ingezet.[60]
-
Afzetmarktfactoren: Ramsey en anderen wijzen erop dat managementstrategieën afgestemd worden op de "business cycle".[61]
-
Arbeidsmarktfactoren.[62]
-
De onzekerheid en risico's, d.w.z. de kosten van eventuele fouten die aan de taak verbonden zijn.[63]
-
de opleidingsstruktuur. In een internationaal vergelijkend onderzoek van A. Sorge e.a. naar de arbeidsorganisatie bij toepassing van CNC machines in de BRD en Engeland, werd gevonden dat in de BRD de werknemers die de machines bedienen een bredere kwalificatie hadden. In de BRD vindt meer programmeerwerk op de werkvloer plaats. Als verklaring voor dit verschil noemen de onderzoekers de traditie van ambachtelijkheid (craft) die in het Duitse systeem van beroepsopleiding is weerspiegeld. Deze traditie is in de BRD ook sterk aanwezig bij het lijn-management.[64]
In deze lijst van verklaringsfactoren voor verschillen in arbeidsorganisatie bij gegeven technologie komt invloed van werknemers niet voor.Sorge c.s. stellen expliciet dat deze in de door hen onderzochte bedrijven als verklaringsfactor geen rol speelt.[65]Studies waarin het ontwerpproces wordt beschreven zouden een indicatie kunnen geven van de invloed van werknemerskant. Dit type studies is zeldzaam. Een Nederlands voorbeeld is een onderzoek van Pot en Brouwers naar automatisering in de suikerindustrie.[66]Het ontwerpproces bleek "eenzijdig technisch" van karakter. Overwegingen m.b.t. de kwaliteit van de arbeid speelden er geen rol in. Er was geen sprake van invloed van werknemerskant.
In de boven aangehaalde onderzoeken blijkt geen spoor van invloed van werknemerskant op de kwaliteit van de arbeid bij automatisering. Dit kan gezien worden als indicatie dat het niet meer kan zijn dan een marginaal verschijnsel.Het kan echter niet uitgesloten worden, dat er onder specifieke omstandigheden toch mogelijkheden voor beïnvloeding zijn.Iets daarvan wordt zichtbaar in onderzoekingen die expliciet gericht zijn op het opsporen van invloed.
4.1 Vakbonden en ondernemingsraden
Onder de strijdlustige titel "The Control of Frontiers. Workers and New Technology; Disclosure and Use of Company Information." verscheen in 1984 een vergelijkend onderzoek gebaseerd op 20 case studies uit Zweden, West Duitsland, Nederland, Italië en Engeland. De cases waren geselecteerd met als criterium "best practice", d.w.z. het criterium was "major influence of the worker representatives on the technical and social changes and, at least, stronger than average trade union organisation and better than average access to company information."[67]In drie gevallen wordt invloed gerapporteerd op dimensies (benodigd) vakmanschap en beheersing van de kwaliteit van het werk.Een van de gevallen van sucesvolle beïnvloeding was de automatisering van de boekhouding van de Zweedse postgiro.Als resultaten van een vakbondsstrategie worden gemeld; "it achieved a complete re-orientation of the project - from reducing costs, including labour costs, to improving Post Giro services and providing job security".[68]De strategie hield in: gebruikmaken van de medezeggenschapswetgeving, geen gebruik van het stakingsmiddel maar wel het weigeren van overwerk, het inschakelen van externe adviseurs, het opzetten van studiegroepen en het opstellen van eigen alternatieve voorstellen. - Bij het ontwerpen van een nieuwe zuivelfabriek in Zweden leidde vakbondsinvloed er toe, dat er meer ruimte voor handmatige interventie werd gecreëerd dan in sommige, sterk geautomatiseerde zuivelfabrieken.[69]- In een Duitse verzekeringsmaatschappij werd een overeenkomst gesloten, die ( o.a.) het verzamelen van gegevens over de efficiëntie van individuele beeldschermwerkers verbiedt.[70]Over de overige 17 cases, waaronder alle vier de Nederlandse, worden geen effecten op de twee dimensies vakmanschap en beheersing van de kwaliteit van de arbeid gerapporteerd.Een klein onderzoek van Van Asch en Jansen naar invloed van ondernemingsraden bij automatisering ondersteunt het beeld, wat de Nederlandse situatie betreft. Van geen van de 15 in het onderzoek betrokken ondernemingsraden was iets van invloed bespeurbaar. Tien van deze ondernemingsraden hadden zelfs geen adviesaanvragen m.b.t. informatietechnologie ontvangen.[71]
4.2 Politiek op de werkvloer
Naast de formele beinvloedingskanalen via werknemersvertegenwoordigers bestaat de mogelijkheid dat werknemers invloed uitoefen via informele onderhandelingen en conflicten op de werkvloer.In zijn studie "The Shopfloor Politics of New Technology" geeft Wilkinson voorbeelden van dit soort informele politieke processen.In één van de case studies zien we een conflict tussen CNC operators en programmeurs, over wie de programma's mag aanpassen, als tijdens het proefdraaien (en ook daarna) blijkt dat veranderingen nodig zijn.Het conflict wordt gesymboliseerd door de sleutel op het bedieningspaneel van de CNC machine, waarmee de "edit" mogelijkheid kan worden afgezet.Een overzicht van de standpunten in het conflict:
Programmers | Operators |
The machines have been designed for separate programming and operating. | Machine design allows for operator input. |
Programmers are trained to prove tapes, and have a better technical ability. | Skilled machinists have the bestnowledge of actual machining, and thus should be involved in methods by editing tapes. |
Machinists might be competent on conventional machines but different methods are necessary for CNC. Machinists tend to use out-of-date methods. | There is no substitute for shopfloor experience, and new methods can be easily learned. |
Having written the programme, we have the best knowledge of the component being machined | We have to operate the machine; we need to know the workpiece too. Besides, for many jobs, programming at the machine is possible. |
Programmers need to see the result of their efforts in the form of finished work in order to learn their job better. | If programmers did all this then operators would spend a great deal of time idly standing by. Besides, operator editing means that programmers have more time to spend on their proper task - producing tapes in the office. |
After proving, the key should be removed to prevent tampering because machining methods have been expertly established. | The key must be left at all times so that adjustments can be made to take account of variations in material quality, issue of oversized material, etc."[72] |
De operators trokken aan het langste eind, de sleutels bleven meestal op de machines.De operators beperkten zich niet tot het aanpassen van programma's. Ze gingen er ook toe over om complete programma's op de CNC machines te maken.Zo creëerden een nieuwe manier van werken, de CNC machines waren immers ontworpen van voor een werkorganisatie, waarbij het programmeren in een aparte afdeling plaatsvindt.
Met name blijkt ook de fase kort na de invoering van nieuwe technologie, wanneer de systemen nog vol met "bugs" zitten, mogelijkheden te bieden voor beïnvloeding vanaf de werkvloer.Wilkinson maakte twee case studies van de invoering van electronische besturingssystemen in de industrie. In beide gevallen moesten de arbeiders in de debuggingsfase regelmatig overschakelen op handbediening. Na het debuggen slaagden ze erin deze beheersing van het produktieproces, die inging tegen het ontwerp van het systeem, te institutionaliseren.[73]
4.3 Het Utopia project
In een incidenteel geval is de ontwerpruimte zelf voorwerp van beinvloedingspogingen.In Zweden ontstond een samenwerkingsverband van de sociale- en computerwetenschappers en de grafische vakbond, om een alternatieve technologie te ontwerpen voor het opmaken van dagbladen. Het doel van het UTOPIA project was te komen tot een specificatie van een systeem dat mogelijk maakt de vakkundigheid van de grafici te behouden, en te gebruiken om de kwaliteit van het product te verhogen. Deze specificatie moest algemeen toepasbaar zijn bij de automatisering van dagbladproductie, en bijvoorbeeld bruikbaar bij onderhandelingen.Het technisch ontwerp werd gecompleteerd met een ontwerp voor een bijbehorende werkorganisatie. Verder was het de bedoeling dat het UTOPIA project bijdragen zou leveren aan de beroepsopleiding van grafici.De achtergrond om een alternatief te ontwerpen was, dat de bestaande mogelijkheden te beperkt werden gevonden.[74]In het kader van het UTOPIA project werd historisch en sociologisch onderzoek verricht. Er werd bijvoorbeeld studie gemaakt van de automatisering van de dagbladproductie in de VS, om een duidelijk negatief voorbeeld te krijgen.Het technisch ontwerp werd gemaakt via simulatie-experimenten, waaraan grafici deelnamen. De ontwerpmethode was gebaseerd op, wat de onderzoekers noemen, een "gereedschaps-perspectief":"The computer support is designed as a collection of tools for the skilled worker to use. The tool perspective takes the work process as its origin rather than data or information flow. This means: not detailed analysis, description and formalization of qualifications but developent of professional education based on the skills of professionals; not information flow analysis and systems description but specification of tools."[75]In samenwerking met een fabrikant werd geprobeerd om de ideëen in een commercieel opmaaksysteem te verwezenlijken.De samenwerking liep mis bij de geplande proef-installatie bij een dagblad. Het management van de krant had er bezwaar tegen, dat de proefinstallatie samen ging met een duidelijk gedefiniëerd experiment met de werkorganisatie. De voornaamste oorzaak echter, dat het experiment niet doorging, was de competentiestrijd tussen journalisten en grafici en hun vakbonden.[76]Hoewel het Utopia project geen volledig succes opleverde, liet het zien dat het in elk geval mogelijk is (in Scandinavië tenminste) een samenwerking tussen vakbonden, wetenschappers en industrie op gang te brengen gericht op het ontwikkelen van een alternatief voor bestaande technologie.
Conclusies
Informatisering brengt niet alleen risico's met zich mee, er zijn ook kansen voor verbetering van de kwaliteit van het werk aan te geven. Van een heel duidelijk doorslaande balans is geen sprake.Welke uit het scala van kansen en risico's in een specifieke situatie werkelijkheid worden, hangt nauwelijks af van de technologische ontwikkeling. Voor "technologisch determinisme" is geen grond.Economische factoren hebben zeker invloed, maar gezien de veelheid van mogelijke opties voor de werkorganisatie lijkt een "economisch determinisme" ook niet houdbaar.Omdat er nauwelijks invloed van werknemers te vinden is, is het niet zinnig om de uitkomsten te zien als het resultaat van de machtsbalans tussen werkgever en werknemers. Exit "politiek determinisme". Binnen de driehoek van technologisch, economisch en politiek determinisme worden praktische beslissingen genomen door een soms onzeker management, dat gezien het scala van opties intern verdeeld kan zijn. Er is ruimte voor beïnvloeding van werknemerskant, die niet wordt benut.
literatuur
Asch, A. van en T. Jansen, Naar een verbetering van de participatiemogelijkheden van ondernemingsraden bij automatisering,
Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, 1986
Beirne, M. en H. Ramsey, A Creative Offensive? Participative Systems Design and the Question of Control, paper EGOS Colloquium Antwerpen 1987
Besselaar, P. van den en L. Leydesdorff, "Grenzen aan de invloed, Werknemers en besluitvorming over technologie", in: Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, jrg. 3, 1987/3, p.35 - 49
Braverman, Harry, Labor and Monoply Capital, The Degradation of Work in the Twentieth Century, New York 1984, Monthly Review Press.
Bo/dker, S., e.a.,"A Utopian Experience. On design of powerful computer-based tools for skilled graphic workers." in: Bjerkness, G. e.a., Computers and Democracy. A Scandinavian Challenge, Aldershot 1987, Gower, p.251-278
Brouwers, A.F., W.L. Buitelaar en J. Verkerk, Monotone arbeid nu en straks. Kort cyclisch werk in industrie en dienstverlening, herkenning, beïnvloeding en ontwikkelingen, Den Haag 1988, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Burawoy, M., Manufacturing Consent. Changes in the Labor Process under Monoply Capitalism, Chicago 1979, The University of Chigaco Press
Child, J., Participation in the Introduction of New Technology into Organisations, paper Work Organisation Research Centre, Aston University, Birmingham, 1988
Child, J., "Managerial Strategies, New Technology and the Labour Process", in: Knights, D., H. Willmott en D. Collinson, Job Redesign, Critical Perpectives on the Labour Process, Aldershot 1985, Gower, p. 107-141
Cooley, M.,Architect or Bee? The human/technology relationship, Slough 1980, Langley Technical Services.
Crompton, R en S. Reid, The deskilling of clerical Work,in: Wood, S, ed., The Degradation of Work?, London 1982, Hutchinson
Defever, M. en K. Tijdens, "Strategies of female workers to improve their positions within the process of automation in banking", in: proceedings of IFIP-conference "Women, work and Computerization", Amsterdam 1988.
Doorewaard, H., Administratieve Automatisering, Nijmegen 1986
Edwards, R.C., Contested Terrain, 1979, Basic Books
Elger, T., Braverman, Capital Accumulation and Deskilling, in: Wood, S, ed., The Degradation of Work?, London 1982, Hutchinson
Foucault, M., Surveiller et punir, Naissance de la prison, 1975, Gallimard.
Form, William, "On the Degradation of Skills", in: Annual Review of Sociology, vol 13, 1987, p.27-47
Friedman, A., Industry and Labour, London 1977
Gill, C., Work, Unemployment and the New Technology, Cambridge 1985, Polity Press
Hendry, C., New Techology .... New Careers?, paper ASTON/UMIST Conference on The Organisation and Control of the Labour Process, 1988
Henselmans, K., en L. Wijmans, De verdwenen kopij, Automatisering in de grafische industrie en de arbeidspositie van vrouwen, Amsterdam 1985, Druk en Papier FNV
Hoof, J. van, De arbeidsmarkt als Arena, Arbeidsmarktproblemen in sociologisch Perspectief, Amsterdam 1987, SUA
Huijgen, F., B.P.J. Riesewijk en G.J.M. Conen, De kwalitatieve structuur van de werkgelegenheid in Nederland. Bevolking in loondienst en functieniveaustructuur in de periode 1960-1977, Den Haag 1983, Voorlichtingsdienst Wetenschapsbeleid
Huijgen, F. en Fr. Pot, New technology and new Forms of Work Organisation in the Netherlands, paper EGOS Colloquium Antwerpen 1987
Jones, Bryn, "Destruction or redistribution of engineering skills? The case of numerical control", in: Wood, S., ed., The Degradation of Work?, London 1982, Hutchinson
Kern, H. en M. Schumann, Industriearbeit und Arbeiterbewusztsein, Frankfurt 1970, EVA
Kern, H. en M. Schumann, Das Ende der Arbeitsteilung? Rationalisierung in der industriellen Production, München 1984, Verlag. C.H. Beck
Kraft, Arnold, "XCON: An Expert Configuration System", in: Winston, Patrick H., The AI Business, 1984
Kraft, Philip, The Industrialisation of Computer Programming, From Programming to "Software Production", in: Zimbalist, A., Case Studies on the Labor Process, New York 1979, Monthly Review Press.
Lee, D., Beyond Deskilling: Skill, Craft and Class, in: Wood, S., ed., The Degradation of Work?, London 1982, Hutchinson
Levie, H. en R. Moore, Workers and New Technology; Disclosure and Use of Company Information. Final Report, Ruskin College, Oxford, 1984 (a)
Levie, H. en R. Moore, Workers and New Technology; Disclosure and Use of Company Information. Appendix to Final Report: Summaries of Case Studies, Ruskin College, Oxford, 1984 (b)
Levie, H. en R. Moore, Workers and New Technology; Disclosure and Use of Company Information. Summary Report including Profiles of twenty case studies, Ruskin College, Oxford, 1984 (c)
Littler, C.R. en G. Salaman, Bravermania and Beyond: recent Theories of the Labour Process, in: Sociology, vol 16, 1982, p.251-269
Marx, K., Capital, Vol I, New York 1967 (1887), International Publishers Co.
Mills, C. Wright, White Collar, The American Middle Classes, New York 1956 (1951), Oxford University Press
Noble, David, "Het ontwerpen van machines als maatschappelijke keuze", in: Te elfder ure, no. 33, Nijmegen 1983, p.78-118
Pot, F.D. en A.A.F. Brouwers, "Automatisering van een suikerfabriek. Ontwerpproces en operatortaken bij automatisering van een suikerfabriek", in: Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 1986/3
Piore, M. en C. Sabel, The second Industrial Divide, Possibilities for Prosperity, New York 1984, Basic Books
Rolfe, H., "Skill, deskilling and new technology in the non-manual labour process", in: New Technology, Work and Employment, vol. 1 no. 1 ( 1986), p.37-49
Searle, John, "Minds, Brains, and Programs", in: Hofstadter, D. en D. Dennet, The Mind's I. Fantasies and Reflections on Self and Soul, New York 1981, Bantam Books
Scoun, Susan J., The Artificial Intelligence Experience: An Introduction, Maynard 1985, Digital Equipment Corporation
Sorge, A. et al.,Microelectronics and Manpower in Manufacturing, Applications of Computer Numerical Control in Great Britain and West Germany, Aldershot 1983, Gower Publishing Company Limited
Weizenbaum, Joseph, Computer Power and Human Reason. From Judgement to Calculation, Harmondsworth 1984 (1976), Penguin Books.
Wilkinson, B., The Shopfloor Politics of New Technology, London 1982, Heinemann Educational Books
Willis, P., Learning to labour. How working class kids get working class jobs, Westmead 1977, Saxon House
Wood, S., "From Braverman to Cyberman", paper ASTON/UMIST Conference on The Organisation and Control of the Labour Process, 1988
