Mandeville Lezing   Voorgaande Lezingen   Zestiende Mandeville-lezing   Inleiding

Inleiding 16e Mandevillelezing 20 mei 2010

‘Mandeville hield niet van leiders’

Door Henk Schmidt, Rector Magnificus Erasmus Universiteit


Zeer geachte heer Van der Veer, dames en heren,

Ik heet u van harte welkom bij deze bijzondere academische zitting van de Erasmus Universiteit. De Mandeville lezing wordt binnen de universiteit beschouwd als het equivalent van het eredoctoraat, maar dan voor bijzondere maatschappelijke verdiensten. Van het illustere gezelschap dat bij eerdere gelegenheden tot de  laureaten behoorde, noem ik hier in het bijzonder –en zonder uitputtend te willen zijn--Ruud Lubbers, Frits Bolkenstein, Lilian Concalvez, Bernard Kouchner, Carla del Ponte, en Ben Bot. Jeroen van der Veer is de 16e die de Mandeville lezing zal uitspreken. Hij was tot vorig jaar de chief executive officer van Shell, en is alumnus van zowel de Delftse als de Rotterdamse universiteit. De titel van zijn lezing luidt “Leiden voor energie.”

Bernard Mandeville, Rotterdams arts in Londen aan het einde van de 17e eeuw, satiricus, schrijver en naamgever van de lezing, had geen hoge pet op van leiders. Leiders worden, net als andere mensen, gedreven door ondeugden: eigenbelang, hebzucht, heerszucht. In zijn boek over menslievendheid en armenscholen zegt Mandeville het ongeveer zo: “Als je aan de bestuurders van een armenschool zou vragen waarom zij zich zoveel moeite op de hals halen ten koste van hun eigen zaken en verlies van tijd, dan zouden zij eenstemmig antwoorden dat dit komt door het behagen dat zij erin scheppen om bij te dragen aan het welzijn van arme kindertjes die anders in deze slechte tijden van spotters en vrijdenkers naar de hel zouden gaan. Maar, zegt Mandeville,  één motief blijft daarbij zorgvuldig verborgen, een motief dat niettemin bij de meesten van deze bestuurders prominent aanwezig is: de bevrediging die ontleend wordt aan het overheersen en bevelen van anderen. Er zit een melodieus geluid in het woord bestuurder, dat voor middelmatige mensen bekoorlijk is.” Als troost voegde hij eraan toe dat in ieder mens de behoefte zit om anderen te overheersen. Kijk naar kleine kinderen. Zij scheppen er allen behagen in met jonge poesjes en hondjes te spelen. Datgene wat ervoor zorgt dat ze altijd met deze arme schepselen door het huis lopen te rukken en te trekken, is niets anders dan dat zij met die diertjes kunnen doen wat ze willen.

Het zal u dus niets verbazen dat Mandeville niet echt populair was bij de heersende elite van zijn tijd. Met name zijn essay over de armenscholen, waaruit ik zojuist citeerde, was zozeer tegen het zere been van de politici en kerkbestuurders dat het voor de Grand Jury van Middlesex werd gebracht, waar in 1723 besloten werd tot een veroordeling tot de brandstapel. Het boek, niet hijzelf. Het was overigens precies dit proces dat ertoe leidde dat Mandeville een bestsellerauteur werd. Iedereen wilde plots zijn Fabel van de Bijen lezen waarvan zijn tirade tegen de armenscholen deel uitmaakt. Zijn opvattingen over de zelfzucht van de mens en de centrale plaats van eigenbelang waren sensationeel omdat ze op gespannen voet stonden met de heersende puriteinse opinie dat de mens in wezen goed was en gericht op het heil van de medemens. 

Sommigen menen dat Mandeville’s wantrouwen tegen leiders terug te voeren is op zijn betrokkenheid bij het roemruchte Costerman-oproer dat hier in Rotterdam uitbrak in oktober 1690.  Costerman was een lid van de schutterij dat verdacht werd van smokkel van een vat wijn en als gevolg daarvan werd terechtgesteld in opdracht van de door en door corrupte en daarom zeer gehate schout en baljuw Jacob van Zuylen van Nijeveldt. In een steeds onrustiger wordend Rotterdam werd onder andere een pasquil of spotdicht verspreid van de hand van de toen 19-jarige Bernard Mandeville, getiteld “Schijnheylig Atheist.”

Het begint met:
Schijnheylig Atheist, liefhebbent ‘t hoere vel,
Geltsuchtigh dwingeland, uytbroedsel van de Hel,


En het eindigt met:
O Burger Vaderen ligt dees Schelm de voet,
Eer dat het iemand van u kinderen self doet.


De kinderen deden het uiteindelijk zelf. Een volksoproer brak uit, waarbij het huis van Van Zuylen door de schutterij met scherp beschoten werd. Hij moest het veld ruimen, maar werd enkele jaren later door stadhouder Willem III als een daad van bestuurlijke vriendjespolitiek gerehabiliteerd. Van Zuylen nam wraak. Velen moesten de stad verlaten. Niet alleen vader en zoon Mandeville en hun medestanders overigens, maar bijvoorbeeld ook de filosoof van Franse afkomst Pierre Bayle, die hoogleraar was aan het Rotterdamse Atheneum Illustre. Het zouden deze ervaringen met onverhuld machtsmisbruik van bestuurders zijn die Mandeville sterkte in zijn levenslange scepsis met betrekking tot hun motieven.

Betekende het feit dat Mandeville bij bestuurders alleen maar eigenbelang zag; dat leiderschap nooit adequaat kon zijn? Nee, zeker niet. Want een leider, die de hartstochten en ondeugden van de onder hem gestelden kent, kan ze zodanig sturen dat het publieke belang uiteindelijk wordt gediend. In zijn brief aan bisschop Berkely schrijft hij dat onze samenleving vooruit gaat dankzij de “wijsheid van de politicus dankzij wiens handig opereren de private ondeugden van de slechtste der mensen worden omgezet in publiek goed.”  En ook: “trots en ijdelheid hebben meer ziekenhuizen gebouwd dan alle deugden samen.”

Dus, zegt Mandeville, bestuurders, politici, coaches, burgemeesters, doen het uiteindelijk allemaal voor de eer. Ze hopen aan het einde van hun werkzame leven bewonderd en bewierookt te worden voor de grootse daden die ze hebben verricht. Een beetje zoals wij nu doen met de orator van vandaag. Mandeville: “When he thought on the monuments and inscriptions with all the sacrifices of praise that would be made to him, and above all the yearly tributes of thanks, of reverence and veneration that would be paid to his memory with so much pomp and solemnity; when he considered, how in all these performances wit and invention would be rack'd, art and eloquence ransack'd to find out encomiums suitable to the public spirit, the munificence and the dignity of the benefactor, and the artful gratitude of the receivers; when he thought on, I say, and considered these things, it must have thrown his ambitious soul into vast ecstasies of pleasure, especially when he ruminated on the duration of his glory, and the perpetuity he would by this means procure to his name.”

Zijn opvattingen overziend kunnen wij, denk ik, instemmen met wat Midas Dekkers tijdens een nacht van de filosofie onlangs over `Mandeville te berde bracht: “Ik denk niet dat oom Bernard met zijn ideeën een graag geziene gast op verjaarspartijtjes was.”

Jeroen van der Veer vertegenwoordigt een type leider dat naar ik aanneem een minder cynische opvatting heeft van de motieven van leiders en van degenen met wie ze werken. We gaan het nu horen. Ik nodig onze spreker uit zijn ideeën over leiden voor energie met ons te delen.