Mandeville Lezing   Voorgaande Lezingen   Zeventiende Mandeville Lezing   Inleiding

Inleiding 17e Mandevillelezing 19 mei 2011

Door prof.dr. Henk G. Schmidt, voorzitter Bestuur Bernard Mandeville
Rector magnificus EUR

In 1975 zag ik in een schouwburg van een provincieplaats het toneelstuk “Cyrano de Bergerac” van de negentiende-eeuwse toneelschrijver Edmond Rostand, met in de hoofdrol Guus Hermus. Het was een van de eerste “vrije,” zonder subsidie van de overheid tot stand gekomen, producties van Joop van den Ende. Het stuk liet een onvergetelijke indruk achter. U kent natuurlijk het intens-romantische verhaal: Cyrano is de vierde musketier, die gezegend is met wat hijzelf ziet als een gebrek: een kokkerd van een neus. Hij houdt van zijn nichtje Roxane, dat echter voor hem onbereikbaar is. De jonge Christian, officier in zijn regiment, is eveneens verliefd op Roxane. Christian heeft echter een ander gebrek: hij kan in de aanwezigheid van zijn geliefde geen verstandig woord uitbrengen. Cyrano schrijft daarom de liefdesgedichten voor Christian, waarmee hij kan schitteren bij zijn geliefde. Christian is de ster in een voorstelling door Cyrano geënsceneerd.

Maar, vroeg ik me toen direct al af, wat bezielde de producent om juist dit stuk op de bühne te brengen en niet een of ander blijspel dat zeker minder risico met zich mee zou brengen? Die vraag klemde temeer daar tien jaar eerder hetzelfde stuk, met dezelfde hoofdrolspeler, al op het repertoire had gestaan van het gesubsidieerde toneel. Waarom zoveel risico nemen terwijl een vrije producent toch vooral geld moet verdienen. Wat bezielde Joop van den Ende? Wat raakte hem in dit speciale stuk?

Het raadsel werd niet kleiner toen, in het begin van de negentiger jaren, Van den Ende besloot musicals te gaan produceren. Zijn eerste poging: Cyrano de musical, naar het toneelstuk van Edmond Rostand met in de hoofdrol Bill van Dijk. Een groot artistiek maar niet zonder meer commercieel succes in Nederland. Dat weerhield Van den Ende niet om Cyrano nog een derde keer tot leven te wekken; dit keer op Broadway, en wederom als musical.

Wat verbindt Joop van den Ende met deze dichter-vechtersbaas? Als psycholoog kan ik het niet laten de fascinatie van Joop van den Ende voor de figuur van Cyrano te duiden, en dit is mijn interpretatie (en tijdens de receptie na afloop hoor ik wel of hij enig hout snijdt): Joop van den Ende herkent zich in Cyrano als een man die anderen wil laten schitteren. Hijzelf blijft daarbij bij voorkeur in de coulissen, genietend van het succes van die anderen. Ook Van den Ende vindt diepe voldoening in zijn vermogen om anderen tot ster te maken; de vreugde te zien dat anderen beter worden als gevolg van jouw zorg en aandacht; een emotie die docenten in het onderwijs overigens ook heel goed kennen.

En zie waar dat toe geleid heeft: Van den Ende heeft de afgelopen veertig jaar ontelbare kunstenaars laten schitteren, velen zitten hier vandaag in deze aula. Die kunstenaars schitteren niet alleen in de theaters, maar ook in de musea, de galeries, de kleine podia, de concertzalen van dit land. Die drang anderen beter te maken, drukt zich ook uit in het feit dat hij samen met zijn vrouw Janine via de VandenEnde Foundation zijn vermogen inzet om op een wat andere manier hetzelfde te doen; mensen alles uit hun talent te laten halen wat erin zit. En daarbij heeft Joop van den Ende een feilloos oog voor wie dat talent bezit. Want dat lijkt bij zijn pogingen anderen te laten schitteren altijd centraal te staan; Chistian was wellicht een man zonder veel talent; de Christians van Van den Ende moeten talent in overvloed hebben want anders begint hij er niet aan.

Het zijn deze bijzondere kwaliteiten die Joop van den Ende vandaag op dit podium brengen; niet in de coulissen dit keer, maar midden op het toneel. Hij zal zodadelijk de Mandeville-lezing uitspreken, een eerbetoon dat zowel binnen en buiten de Erasmus Universiteit wordt gezien als het maatschappelijk equivalent van een eredoctoraat. Hij verzorgt de 17e Mandeville-lezing op rij. Van het illustere gezelschap dat bij eerdere gelegenheden tot de laureaten behoorde, noem ik hier in het bijzonder –en zonder uitputtend te willen zijn-- Jeroen van der Veer, voormalig president-directeur van Shell; Frits Bolkenstein, EU-commissaris en VVD-leider; Ruud Lubbers, oud-premier en commissioner van de UNHCR; Lilian Concalvez, onder andere vice-voorzitter van de Commissie Gelijke Behandeling en voorzitter van Amnesty International; Bernard Kouchner, oprichter van Artsen zonder grenzen; Carla del Ponte, hoofdaanklager van het Joegoslavië-tribunaal, en Ben Bot, minister van buitenlandse zaken.

Een paar woorden tot slot over Mandeville, naamgever van deze lezing. Bernard Mandeville, --Rotterdams arts in Londen aan het einde van de 17e eeuw, satiricus, schrijver, observeerde 50 jaar voordat Adam Smith dat deed scherpzinnig dat mensen veelal gedreven worden door ondeugden: eigenbelang, hebzucht, of heerszucht, maar dat die ondeugden vaak zeer nuttige maatschappelijke effecten hebben: De ondernemer streeft vooral winstmaximalisatie na, maar creëert daarmee een bedrijf dat honderden mensen een menswaardig bestaan biedt. Of: “Private Vices, Publick Benefits” zoals de ondertitel luidde van zijn in 1714 verschenen “Fable of the Bees.” Echter, zo scherp als Mandeville’s maatschappelijke observaties zijn, zo armzalig is zijn psychologische inzicht: In zijn werk is geen ruimte voor het idee van altruïsme, iets voor een ander doen zonder daar noodzakelijk iets voor terug te verlangen; geven als een primaire drijfveer. Joop van den Ende komt uit een goed-katholiek gezin; het missiebusje op de schoorsteenmantel en het lidmaatschap van de Sint Vincentius vereniging waren in dergelijke gezinnen nooit ver weg. In die gezinnen was het vanzelfsprekend te geven. Dat is wat Joop van den Ende is blijven doen. Daarvoor eren we hem vandaag.