Home » Nieuws » De kwestie » Archief » 2007 » De kwestie: hebben kwaliteitsmedia nog toekomst?

De kwestie: hebben kwaliteitsmedia nog toekomst?

Tekst Caroline van der Schaaf, fotografie Ronald van den Heerik

De laatste jaren geven onstuimige ontwikkelingen in het medialandschap te zien. Nieuws wordt steeds meer koopwaar. Kijk- en oplagecijfers prevaleren boven de inhoud. Kwaliteitskranten verliezen steeds meer terrein. Is er reden tot zorg over de media? De visie van media-professor Henri Beunders.

'Zo’n Bokito is toch een fantastisch onderwerp'

Vier gratis dagbladen, verschillende commerciële televisiezenders en ontelbare websites voorzien ons van snelle, hapklare brokken nieuws. Welke rol vervullen de kwaliteitsmedia tegenwoordig nog? En is het niet vreemd dat ook die kwaliteitskranten onuitputtelijk over gorilla Bokito berichtten? "Het wás toch ook het mooiste nieuws van het jaar", meent prof. dr. Henri Beunders, hoogleraar Geschiedenis van Maatschappij, Media en Cultuur.

Er heeft de laatste jaren een enorme omwenteling plaatsgevonden in het Nederlandse medialandschap. Neem alleen al die gratis kranten en de continue stroom van nieuws via internet. Wat is uw visie daarop?

"Ik signaleer groeiende competitie, groeiende afgunst en groeiende paniek bij de kwaliteitsmedia. Daarmee doel ik op de kwaliteitskranten, de kwaliteitsweekbladen en de omroepen van het publieke bestel."

Wat bedoelt u met groeiende afgunst en paniek?
"In 1989, toen er nog maar twee publieke zenders waren op televisie, werd het hele medialandschap gedomineerd door de grote kranten en Nederland 1 en 2. Tijdens de hele jaren negentig konden de kwaliteitsmedia alles wat nieuw en commercieel was, weglachen. Afdoen als pulp, niet de moeite waard. Maar vanaf medio jaren ’90 gebeurt er een aantal belangrijke dingen. Internet kwam. De uitgevers van NRC en de Volkskrant fuseerden, de commerciële omroepen - zoals RTL - werden belangrijker dan de publieke zenders en Metro en Spits kwamen op de markt. Daardoor ontstond een grote crisis in het Nederlandse medialandschap en vooral onder de kwaliteitsafdelingen ervan. Die crisis bestaat in wezen uit een dalende status, dalend zelfrespect en groeiende imitatie van degenen die ze tot dan hadden uitgelachen."

Waarin uit die imitatie zich?
"Je ziet capitulatie en imitatie vanuit het defensief. NRC.next en de Dag werden gelanceerd, bijna tien jaar nadat de eerste treinkranten er waren. Kwaliteitskranten kwamen met populairdere bijlagen. Soms is het zelfs een beetje televisie op papier. Maar de kranten op zich zijn beter dan ooit tevoren."

Hoe verklaart u dat?
"Dat komt onder meer door de verwetenschappelijking van de redacties, en de PDOJ is de hofleverancier. Maar terwijl de kranten dikker, groter en beter zijn dan ooit tevoren, voelt men de druk van de commercie en de concurrentie van de gratis kranten en de televisie. Dat is een tegenstrijdigheid: de kwaliteitskranten voelen zich steeds zwakker, terwijl ze een steeds beter product in de markt zetten. Dat hun status ten opzichte van de televisie is gedaald en hun positie in de maatschappij ook, omdat er minder mensen een krant lezen, is de frustratie van veel redacteuren. En wat je nu ziet gebeuren, is dat alle media op elkaar gaan lijken. Kranten gaan hun correspondent in Moskou vragen een weblog bij te houden en sturen hem met microfoon en cameraatje om zijn nek de straat op om te podcasten. Zo’n correspondent wordt een soort multimediale clown, zo zie ik het. En dat versterkt natuurlijk de versnippering en de oppervlakkigheid. Ik vind dat de kranten het knap doen, maar ze zijn echt aan het overleven. Elke dag moeten ze koortsachtig nadenken over hoe ze kunnen overleven en hoe ze zich kunnen aanpassen aan de nieuwe tijd. Dat gaat natuurlijk wel ten koste van de journalistieke inhoud."

Dat vinden sommigen ook het probleem met die gratis kranten, dat er nauwelijks reportages of achtergrondverhalen in staan. Of is daar geen behoefte meer aan?
"Het dédain ten opzichte van de gratis kranten deel ik niet. Je kunt zeggen dat er te weinig in staat, maar niemand klaagt over het Journaal. Het Journaal wordt gezien als meest betrouwbare televisieprogramma, maar dat geeft ook alleen maar de koppen van de voorpagina’s weer. De vraag is ook hoeveel een mens moet weten. De gedachte heerst dat meer beter is, maar dat is een grote vergissing. Want zonder richting en zonder betekenis kun je wel heel veel informatie over mensen heen gooien, maar uiteindelijk loop je dan als Jansen en Janssen eindeloos rondjes in de woestijn. Als je wél weet waar je heen wilt, dan heb je aan weinig informatie genoeg. Als het maar goede informatie is."

En die vinden we in die gratis dagbladen?
"Als de informatie feitelijk klopt, dan weet ik niet waarom dat slecht is. Ik heb hier de Metro voor me. Dat ding telt 48 pagina’s en daar staat een hele hoop in. Het zijn alleen wel allemaal stukjes van 30 regels. En de Dag is toch een heel aardig krantje dat de NRC.next op sommige dagen naar de kroon begint te steken. Maar de Dag is gratis en voor NRC.next betaal je een euro. Iedereen is bang dat de betaalde kranten er nu aan gaan. Maar huis-aan-huisbladen waren er altijd al, die zijn ook gratis en worden enorm veel gelezen. Het hoeft dus niet bedreigend te zijn."

Hoe ziet u de toekomst van de dagbladen? Zullen er nog meer titels verdwijnen?
"Ik ben een zeer optimistisch mens, dus ik denk het niet. In Den Haag is gewoon weer iets nieuws opgericht, het weekblad Den Haag Centraal, een soort nieuwe Haagsche Courant nadat die was opgegaan in het Algemeen Dagblad. In Rotterdam bestaan plannen voor een nieuw dagblad, Rotterdam Vandaag & Morgen. Je kunt niet vertrouwen op permanentie, je moet telkens weer iets nieuws verzinnen."

Dus niet meer imiteren?
"Nee, dat is niet goed. Maar het is ook lastig voor de kranten. Journalisten voelen zich voortgedreven door orders van hogerhand, door de commercie, door concurrentie van andere media en door kijkcijfers. Waarom zou je nog een primeurtje willen in de NRC of de Volkskrant waaraan je drie weken hebt gewerkt, als je op televisie niet alleen een celebrity kunt worden – zoals de Jan Mulders en de Matthijs van Nieuwkerken van deze wereld - maar daarmee ook nog twee keer zoveel kunt verdienen als de minister-president? Dat is pijnlijk."

Over imiteren gesproken: wat vindt u ervan dat ook alle kwaliteitskranten de afgelopen tijd vol stonden met het nieuws over Bokito?
"Dat is toch ook een fantástisch onderwerp? Ik vind dat het mooiste nieuws van het jaar. Eindelijk lees je weer eens iets interessants! Mensen hebben het dan over een 'mediahype'. Dat is een Nederlands woord dat wordt gebruikt als mensen vinden dat ergens te veel aandacht aan wordt besteed. Een Calvinistisch, neerbuigend woord. Bokito zet de hele relatie tussen mens en dier op de agenda. Het raakt alle grote vragen over mens en dier. Er stonden een heleboel prachtige interviews in de kranten met allerlei aapdeskundigen. Daar kan ik niet genoeg over lezen. Het is geen hype maar onthult de verborgen psyche van de samenleving, net als De Donorshow.
Het past ook heel goed in dit verhaal. Kranten voelen zich tegenwoordig gedwongen door commercie en concurrentie om een kant uit te gaan die ze eigenlijk niet zint. Men gaat niet juichend over op een Dag of De Pers. Dat gebeurt allemaal uit negatieve overwegingen. Er heerst een en al zorgelijkheid. En zo’n Bokito springt gewoon over de gracht en doet wat hij wil. Dat is toch fantastisch?
De commercie is Bokito, die kun je niet temmen door hem onderdanig toe te lachen. Je moet iets anders verzinnen, desnoods zelf Bokito worden."


In 'de kwestie' reageert iedere week een wetenschapper van de Erasmus Universiteit Rotterdam op een actueel vraagstuk in de media. 'De kwestie' komt tot stand in samenwerking met Erasmus Magazine, opinie- en informatieblad van de Erasmus Universiteit Rotterdam.


Prof. dr. Henri Beunders studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In de jaren tachtig werkte hij als redacteur voor NRC Handelsblad. Hij promoveerde in 1984 op zijn dissertatie ‘Weg met de Vlootwet!’, over oorlog en vrede, aan dezelfde universiteit. Sinds 1990 is Beunders hoogleraar Geschiedenis van Maatschappij, Media en Cultuur aan de faculteit der Historische en Kunstwetenschappen van de Erasmus Universiteit. Daarnaast is hij directeur van de Postacademische Dagblad Opleiding Journalistiek (PDOJ).