Home » Nieuws » De kwestie » Archief » 2007 » De kwestie: het nieuwe leren

De kwestie: het nieuwe leren

Tekst Caroline van der Schaaf, fotografie Ronald van den Heerik

Het nieuwe leren heeft de afgelopen jaren een kleine revolutie teweeg gebracht in de Tweede fase van het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Klassikale lessen maken plaats voor zelfstudie en bezig zijn in de praktijk, docenten worden begeleiders en proefwerken worden portfolio’s. De nadruk komt steeds meer te liggen op het aanleren van competenties in plaats van op vakkennis. Het idee erachter is dat het onderwijs hierdoor aantrekkelijker wordt en het rendement verbetert. Sommige onderwijskundigen en politici zijn echter minder blij met de nieuwe onderwijsvorm: zij wijzen erop dat een goede wetenschappelijke onderbouwing en onderzoek naar de resultaten van het nieuwe leren ontbreken en dat er te weinig contacturen zijn.

Voor- en nadelen van het nieuwe leren

Uniform en klassikaal leren is uit. Daarvoor in de plaats komt het nieuwe leren, waarbij het vooral draait om het aanleren van vaardigheden en waarbij leerlingen en studenten veel vrijheid krijgen. Maar ook hierop komt kritiek: leerlingen en studenten zouden te veel aan hun lot worden overgelaten omdat ze veel te weinig onderwijs krijgen. Onderwijsdecaan prof.mr.drs. Dick Mentink van de juridische faculteit zet de voor- en nadelen van het nieuwe systeem op een rijtje.

Wat houdt het nieuwe leren precies in?
"Het is geen oud leren, dus geen strak georganiseerd, klassikaal leren. De nieuwe staatssecretaris Van Bijsterveldt van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) zegt dat 'het nieuwe leren verwijst naar vormen van onderwijs die worden gekenmerkt door zelfsturend leren door de leerling, in realistische leeromgevingen (bijvoorbeeld de beroepspraktijk), waarin samen leren centraal staat en veel wordt gewerkt met ict-toepassingen'.
Het is dus onderwijs waarbij een groot beroep wordt gedaan op de leerlingen zelf. Het is minder gestructureerd, over algemeen dus ook minder feitelijk onderwijs dat wordt gegeven in lokalen. Een belangrijk kenmerk is dat het sterk is gericht op het aanleren van competenties: samenwerken, debatteren, het aanpakken van een onderzoek, het gebruiken van een computer. Daarbij leren studenten wat ze kunnen met de kennis die ze opdoen."

Dat klinkt allemaal goed. Vanwaar al die kritiek?
"Een van de kritiekpunten is dat de inhoudelijke kennis verschraalt doordat de nadruk te veel ligt op de functionele vaardigheden. 'We weten zo weinig meer, waar is de inhoud gebleven?', wordt er gezegd. Ik zie dat al voor me in de rechtenopleiding: dat de vakkennis verschraalt en het accent komt te liggen op algemene vaardigheden, dat studenten vooral goed leren debatteren, onderzoek kunnen doen en een verhaal leren houden. Dan kun je geen goede jurist worden. Je zult het één moeten doen en het andere niet laten. Daarnaast klagen leerlingen en studenten dat ze onvoldoende onderwijs krijgen en te veel aan hun lot worden overgelaten. Die discussie wordt nu met name op het gebied van het beroepsonderwijs gevoerd. De Tweede Kamer heeft onlangs besloten een parlementair onderzoek te laten uitvoeren naar dit soort ingrijpende onderwijsvernieuwingen."

Wat wordt er precies onderzocht?
"De probleemstelling luidt: 'Welke sturingsprincipes moet de overheid hanteren om samen met het onderwijsveld de noodzakelijke kwaliteitsverbetering te realiseren?'. Zo’n parlementair onderzoek is vrij exceptioneel. Kennelijk is er minder draagvlak voor de  onderwijsvernieuwingen in de achterliggende jaren dan was verwacht en betreft het echt een structureel probleem."
 
Waarom stappen veel opleidingen over op het nieuwe leren?

"Omdat de beroepsvelden daar om vragen. De directe aanleiding in het beroepsonderwijs was dat de leerlingen onvoldoende worden voorbereid op de arbeidsmarkt. Het onderwijsconcept dat achter het nieuwe leren zit, is dat theorie en praktijk veel meer met elkaar moeten worden gecombineerd. Studenten moeten niet alleen kennis kunnen verorberen, maar ook weten hoe ze iets moeten aanpakken, waarbij ze over voldoende mondelinge en schriftelijke vaardigheden moeten beschikken. Zij moeten weten wat de bedoeling is van de kennis die zij opdoen. Om mensen competent af te leveren na een bepaalde opleiding, heb je dus die algemene vaardigheden die ik zo-even noemde nodig. De principes van het nieuwe leren geven al met al een goede aanvulling op het klassieke, traditionele onderwijs van kennisoverdracht en kennisconsumptie."

Hoe zijn de problemen (te weinig onderwijstijd en te weinig inhoud) op te lossen?
"In het beroeps- en hoger onderwijs bestaan geen voorschriften voor het aantal contacturen, wat in het primaire en voortgezet onderwijs wel het geval is. Daar moeten leerlingen per week een bepaald aantal uren onderwijs volgen. De wetgever zou een norm over de geprogrammeerde onderwijstijd ook voor het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs kunnen stellen. Nu valt dat nog onder de autonomie van de onderwijsinstellingen zelf."

Leidt dat volgens u uiteindelijk tot een betere vorm van nieuw leren?

"In ieder geval betekent het dat de balans weer een beetje naar de andere kant uitslaat. Het onderwijsbeleid is nu wel heel sterk gericht op deregulering en autonomie. Als je alles overlaat aan de instellingen zelf, dan kun je verwachten dat het soms misgaat, zoals de politiek nu met name in het beroepsonderwijs ziet. Het is voortdurend zoeken naar een goede balans tussen de overheid die te veel regels stelt en de overheid die te veel loslaat. Daarom is het parlementaire onderzoek een goede zaak."

Is dit niet vooral een geldkwestie? Voor meer uren onderwijs zijn immers meer docenten nodig?
"De Pavlov-reactie is altijd: meer geld, maar je kunt natuurlijk ook komen tot een andere verdeling van de middelen. Misschien hebben de grote instellingen wel te veel geld uitgegeven aan de schaalvergroting. Is er te veel geld gegaan naar ondersteunende zaken en te weinig naar het primaire proces. Het zou al een hele stap voorwaarts zijn als de overheid beter waarborgt dat het geld dat in het onderwijs wordt gestoken, ook echt in het onderwijs zelf terecht komt."

Hoe ziet u de toekomst van het (hoger) onderwijs?
"Laat ik me tot het nieuwe leren beperken. Over het idee erachter ben ik zeer positief. Het probleem is dat het nieuwe leren nu in de media een negatieve connotatie krijgt. Je durft het woord bijna niet meer te gebruiken. Terwijl er dus ook positieve kanten aan het nieuwe leren zitten. Het nieuwe leren geeft een extra impuls in het denken over wat je met een opleiding wilt bereiken. Er wordt niet alleen meer gedacht in eindtermen, maar vooral in kwalificaties die uitdrukken wat je voor een bepaald beroep minimaal moet beheersen. Daardoor ontstaan er meer mogelijkheden om de relatie tussen theorie en praktijk beter in kaart te brengen en daar in de opleiding eisen aan te stellen."

Hoe krijgt dat vorm in de juridische opleiding?
"Wij zijn op de faculteit bezig met allerlei onderwijsvernieuwingen. Door meer te trainen op vaardigheden betrekken we studenten actiever bij het onderwijs. Zo bieden we masterclasses aan waarbij studenten in aanraking komen met de beroepspraktijk en er zijn pluswerkgroepen in de bachelorfase waarin gemotiveerde studenten in kleine groepjes aan opdrachten werken en deeltentamens doen. In het eerste jaar hebben we een taaltoets geïntroduceerd, waarmee het schrijven als algemene basiscompetentie afzonderlijk wordt getoetst. Met onder meer videocolleges creëren we diversiteit in onderwijsvormen. Onze studenten zijn er heel positief over."
 


In 'de kwestie' reageert iedere week een wetenschapper van de Erasmus Universiteit Rotterdam op een actueel vraagstuk in de media. 'De kwestie' komt tot stand in samenwerking met Erasmus Magazine, opinie- en informatieblad van de Erasmus Universiteit Rotterdam.


Prof. mr. drs. Dick Mentink studeerde onderwijskunde in Utrecht en werkte als hoofd onderzoeksprogrammering en als adjunct-directeur bij de (toenmalige) Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs. Vlak voor zijn veertigste gooide Mentink het roer om en ging hij rechten studeren aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In 1989 promoveerde hij op zijn onderwijsjuridisch proefschrift over de zorgplicht van de overheid voor de kwaliteit van het onderwijs. In 1998 werd hij bijzonder hoogleraar onderwijsrecht aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Twee jaar geleden werd hij daar tevens benoemd als onderwijsdecaan, met in zijn portefeuille onder meer de opdracht om een facultair vernieuwingsbeleid te ontwikkelen.