De kwestie: Met de hakken in het zand
Tekst: Geert Maarse / Fotografie:Ronald van den Heerik
Balkenende reageerde te fel op het Irak-rapport van de commissie-Davids, stelt politicoloog Ko Colijn. Een complexe oorlog werd daardoor teruggebracht tot een crisis in Den Haag en een inhoudelijke discussie werd de kop in gedrukt. “Irak? Irak staat op het derde plan.” |
Wat ging er fout na de presentatie van het rapport? “Balkenende had zijn reactie anders moeten formuleren. Hij had de commissie moeten bedanken en in zijn waarde moeten laten, al was het maar omdat hij die vorig jaar zelf aangesteld heeft. Maar hij relativeerde het gezag van Davids al binnen een kwartier na het uitbrengen van het rapport. Hij blijft volhouden dat hij in 2003 ontzettend goed gehandeld heeft, terwijl de commissie stelt dat hij met de kennis van toen ook had kunnen weten dat het steunen van de Irak-oorlog juridisch niet geoorloofd was. Dat is een onhoudbaar standpunt. Hij had beter kunnen zeggen dat hij wist dat het juridisch niet sluitend was, maar dat de waarschijnlijkheid van die massavernietigingswapens leidde tot een politieke noodzaak.”
Waarom heeft hij zo gehandeld? “Het heeft te maken met halsstarrigheid. We hebben een premier die niet gemakkelijk zijn ongelijk bekent en die daarom vlucht in ingewikkelde constructies. En er is onbegrip over Davids’ bewering dat de volkenrechtelijke grondslag voor die oorlog ontbrak. Die conclusie, van een commissie die zwaar is opgetuigd met juristen, heeft hij in het hart aangevallen. Dat gaf zijn politieke tegenstanders munitie om een crisisstemming te veroorzaken.”
Halsstarrigheid en onbegrip, dat zijn niet echt eigenschappen die passen bij een minister-president. “Het vervelende is dat het de derde of vierde keer is dat onze premier laat zien dat hij niet boven een crisis uit kan stijgen. Hij heeft niet de distantie om het rapport met waardigheid in ontvangst te nemen en te zeggen: daar gaan we eens rustig over nadenken. Hij kiest gelijk partij en begint zich te verdedigen.”
Mag de regering hierop breken? “Ik ben geneigd om het eens te zijn met Femke Halsema, die stelt dat we getuige zijn van de langzame val van een kabinet. Volgens mij gunnen de partijen elkaar geen millimeter ruimte meer. Niet alleen in dit conflict, maar ook in dat andere hete hangijzer: Uruzgan. Elk probleem is vanaf nu crisisgevoelig. Twee partijen, het CDA en de PvdA, zijn tot elkaar veroordeeld, als twee krabben in een fles.”
Wat leren we van het rapport-Davids? “Het is een reconstructie van de feiten en tegelijkertijd een vorm van gewetensreiniging. Wij hebben nu weliswaar na zeven jaar een commissie ingesteld, maar in landen als de VS en Groot-Brittannië zijn al tientallen rapporten verschenen. Zo’n rapport heeft, vooral in Nederland, de potentie om kabinetten te ontwrichten. In de aanloop naar missies als deze is het nodig om zeer verschillende politieke vleugels op één lijn te krijgen. Het ene kamp spreekt van wederopbouw en het andere, in de nasleep van 11 september, van zelfverdediging. Zulke verschillende motieven worden uiteindelijk met veel kunst- en vliegwerk tot het bekende brede draagvlak gesmeed. Het blijft een omstreden oorlog, maar tijdelijk ontstaat er dan een soort zalvende consensus. Door zo’n commissie wordt die achteraf weer uit elkaar geplozen. Dan keert die onverzoenlijkheid van de pacifistische en oorlogszuchtige motieven terug en ontstaat een tijdbom voor het volgende conflict. Dat is moeilijk, maar noodzakelijk, omdat je hier te maken hebt met zulke vreemde coalitieverhoudingen. In Angelsaksische landen zijn dit soort geforceerde compromissen overbodig, omdat het tweepartijenstelsel daar altijd een duidelijke meerderheid oplevert.”
Veranderen de overwegingen van de verschillende politieke vleugels door dit soort rapporten? “Nee, die worden weer blootgelegd. Ik denk dat rapporten als deze de herontdekking laten zien van de pijnpunten die er toen, ten tijde van de beslissing, eigenlijk al speelden. En dat zou met Afghanistan zo weer kunnen gebeuren.”
U zegt eigenlijk: de politiek leert hier niets van. “De conflicten die toentertijd onder druk toegedekt moesten worden, leven na zo’n rapport weer op. Het verschil is dat de uitkomst dan bekend is en dat de partijverhoudingen in de Kamer anders zijn. Maar de politiek zwicht voor de verleiding om het gevecht nog een keer te voeren. In die zin leert ze er niets van.”
Is het niet raar dat het rapport nauwelijks leidt tot meer aandacht voor de situatie in het land waar het eigenlijk om gaat. “Irak? Irak staat op het derde plan. Maar het is te makkelijk om het contrast tussen de schrijnende gevolgen van die oorlog en de enge Haagse besluitvorming op dat punt heel dramatisch voor het voetlicht te brengen. Daar gaat de commissie niet over. Je kunt wel zeggen dat het tragisch is dat niemand het over Irak heeft op het moment. En dat het rapport-Davids op het tweede plan terecht is gekomen, omdat wij in staat zijn het geheel terug te brengen tot een crisis in de coalitie.”
Balkenende mag dan moeite hebben met de grote lijnen, uiteindelijk zou de discussie toch over de gevolgen van deze oorlog moeten gaan. Wat betekent dit voor onze rol in Afghanistan, en voor een eventuele houding tegenover Jemen of Iran? “Dit was geen beleidsevaluerend onderzoek, maar die koppeling wordt in de wetenschap wel gemaakt. We vragen ons af: is onze aanpak wel goed? Als je al bedreigd wordt door groeperingen uit verre landen, helpt het dan om verre expedities te ondernemen of kun je het gevaar ook bij Winterswijk of Venlo tegenhouden? De tweede vraag is: neem je niet te veel hooi op je vork als je intervenieert in dat soort landen en daar een soort nazorgverplichting aan vastknoopt? Er is een hele club politicologen van mening dat interventies nooit het doel bereiken waarmee je ze begint. Laat staan dat democratie, de westerse rechtsstaat en mensenrechten exportproducten zijn die je daar kunt verwezenlijken. Die scepsis is in minder dan vijf jaar tijd behoorlijk gegroeid. Daar komt bij dat bijna de helft van het aantal staten in de wereld vergelijkbaar is met Afghanistan. Als je dat definieert als een bedreiging, voor wat voor problemen stel je jezelf dan? Het is duidelijk dat we niet in al die staten op eenzelfde manier kunnen interveniëren als in Afghanistan of Irak, dus er worden serieuze vragen gesteld. Daar draagt dit soort commissies wel aan bij.”
Nu wordt er veel nadruk gelegd op het volkenrecht. Het zou mooi zijn als dat leidend was, maar worden dit soort beslissingen niet veel vaker politiek gestuurd? “Dat is volgens mij de grote les van dit rapport. Je kunt je druk maken over juridische redeneringen, maar het volkenrecht schiet ook weleens tekort. Wanneer een land geregeerd wordt door een schurk met een meedogenloos, repressief regime, dan is dat niet voldoende reden om in te grijpen. Die schurk moet volgens het volkenrecht eerst een gevaar zijn voor de internationale vrede en veiligheid. Er zijn dus bepaalde omstandigheden denkbaar waaronder de internationale politiek besluit om voor een andere weg te kiezen. Nu komt Nederland daarmee wel in de problemen, omdat wij als een van de weinige landen de bevordering van de internationale rechtsorde als zelfstandig doel in de grondwet hebben verwoord. Maar stellen dat het volkenrecht onder alle omstandigheden de voorkeur heeft, brengt je ook in de problemen.”
Iemand maakt die keuze. “Het gaat om een afweging tussen het volkenrecht en de raison d’état. Soms leiden overlevings- en machtsoverwegingen tot acties die niet zijn te rijmen met het volkenrecht. Je kunt het vergelijken met de politie die af en toe door rood licht rijdt om een verkeersovertreder in te kunnen rekenen. Die overtreding staat uiteindelijk in het teken van het rechtsherstel. Je moet het kunnen verantwoorden, maar ik zou zeggen: je mag af en toe door rood rijden.”
De vraag is dan natuurlijk: gaat dat op voor Irak? “Daar is de ingreep achteraf bezien overdreven geweest. De meeste mensen dachten dat Saddam Hoessein die massavernietigingswapens wél had, en achteraf bleek van niet. De politie had dus niet door rood licht mogen rijden.”
En de enige juiste reactie van een minister-president zou dan zijn: ‘Ik zat fout. Ik dacht dat hij een grotere boef was.’ “Ja.”
Vrijdag 29 januari 2010 (week 4).
In 'de kwestie' reageert iedere week een wetenschapper van de Erasmus Universiteit Rotterdam op een actueel vraagstuk in de media. 'De kwestie' komt tot stand in samenwerking met Erasmus Magazine, opinie- en informatieblad van de Erasmus Universiteit Rotterdam.
