CAOs culturele sector hadden een lange weg te gaan - Archief 1999
19 november 1999
Collectief arbeidsvoorwaardenoverleg in de culturele sector is een vreemdeeend in de bijt. Cao's lijken niet te passen in het klimaat van de kunst, maardat is aan het veranderen. Heden ten dage bestaan er al dertien bedrijfstakcao'sen minimaal 18 ondernemingscao's in de culturele sector en het aantal groeit methet jaar. Berend Jan Langenberg onderzocht waardoor dat is gekomen en deeddaarvoor archiefonderzoek in vier sectoren: orkesten, toneel, dans en musea. Deresultaten zijn te vinden in zijn dissertatie Collectiefarbeidsvoorwaardenoverleg in de culturele sector. Het ontstaan van eeninstitutie waarop hij vrijdag 19 november 1999 promoveert aan de ErasmusUniversiteit Rotterdam.
De overgang naar collectief arbeidsvoorwaardenoverleg in de culturele sectoris een geleidelijke verandering geweest, voor het grootste deel ingegeven door'public choice'. (d.w.z. de macht van pressiegroepen, zoals krachtigewerknemersverenigingen met sterke vertegenwoordigingen in het parlement.) Devakbonden in de uitvoerende kunsten konden die macht niet mobiliseren, ook alheeft het verbeteren van arbeidsvoorwaarden in de kunst op de politieke agendagestaan vanaf het moment, dat die sector aan de deur van de overheid klopte. Hetwas één van de belangrijkste redenen om een bijdrage van de overheid tevragen. De grote gemeenten gingen daar in Nederland het eerst toe over. Dathield nog niet meteen collectief arbeidsvoorwaardenoverleg in. Daarvoor wasnodig dat de culturele sector ook onderwerp van zorg werd van de centraleoverheid. Dat gebeurde door een verandering van het bestuurlijke systeem tijdensde bezetting.
Het vakministerie had echter nog tot in het begin van de jaren tachtig sterkevoorkeur voor directe beïnvloeding van de salarissen, gebaseerd op de slechteervaring met de zelfregulering van de sector. Alleen vanuit het ministerie vanSociale Zaken, het College van Rijksbemiddelaars en de Stichting van de Arbeidis al vanaf het begin van de jaren vijftig op allerlei manieren druk uitgeoefendom tot een collectief overleg over te gaan, zonder dat dit overigensnoemenswaardig effect sorteerde.
Pas toen in de loop van de jaren tachtig onder de druk van de ILO(International Labour Organisation) de Nederlandse centrale overheid 'om'ging envan een politiek van directe beïnvloeding van de arbeidsvoorwaarden overstapteop bemoeienis via de omweg van contract-management, ontstond er een brederestimulans voor collectief arbeidsvoorwaardenoverleg in de culturele sector. Desociaal-economische politiek zegevierde op dat moment over de cultuurpolitiek.De druk van de ILO was vooral bewerkstelligd door de krachtige vakbonden (enlater werkgeversorganisaties) uit de gezondheidszorg en maatschappelijkedienstverlening. Zij hebben zich in die tijd ingezet om via de band van depolitiek 'normale arbeidsverhoudingen' te creëren voor werknemers in degesubsidieerde sector. Die verandering is de belangrijkste drijfveer geweestvoor het invoeren van het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg in de culturelesector. Het bevestigt de public choice uitleg. Maar het waren dus niet devakbonden in de kunst die de pressie mobiliseerden.
Alleen het arbeidsvoorwaardenoverleg in de rijksmusea heeft volgens depromovendus een andere geschiedenis. Daar heeft de public choice gewerktvia de veranderingen in het systeem van overleg over arbeidsvoorwaarden voor hetgehele overheidspersoneel. De machtige ambtenarenbonden hadden al een groteverandering afgedwongen vóór de verzelfstandiging van de rijksmusea rond was.Wat over bleef was het dictaat van de rijksoverheid om op het gedecentraliseerdeniveau van de verzelfstandigde musea te gaan onderhandelen.
Partijen in de culturele sector zijn, op een enkele uitzondering na, pas echtovergegaan tot de CAO-rituelen toen de kosten van de verandering wegvielen tegende met dat overleg te realiseren opbrengsten. Extra overheidsgelden en dereserves van in korte tijd opeens rijk gebleken pensioenfondsen maaktenovereenstemming tussen werkgevers en werknemers uitermate lucratief. Het verzettegen het maatschappelijk patroon was definitief gebroken. De Arbeidstijdenwet(m.i.v. 1997) en de wet Flexibiliteit en Zekerheid (m.i.v. 1999) hebben hetcollectief arbeidsvoorwaardenoverleg in alle sectoren verder verankerd. Delokmiddelen van de overheid om collectief arbeidsvoorwaardenoverleg aan te gaanstrekken zich daardoor nu ook uit buiten de gesubsidieerde sector van decultuur.
De studie van Langenberg heeft laten zien dat cao's in de culturele sectorwel degelijk bestaan en waarom ze bestaan. Ze voldoen aan de behoefte aanrechtvaardigheid in onze westerse samenleving, waaraan ook de culturele sectorzich heeft aangepast. Ook musici, acteurs en dansers moeten op een gegevenmoment inkopen doen en hun kinderen van school halen.
Noot voor de pers
Promotie: vrijdag 19 november 1999, 16.00 uur
Plaats: Woudestein, Senaatszaal
Van dit proefschrift is een handelseditie verschenen bij Boekmanstudies teAmsterdam (ISBN 906650-057-3)
Info: bij de promovendus, tel. 020 623 2339; e-mail: kemp.langenberg@worldonline.nlof bij de afdeling Interne en Externe Betrekkingen, tel. 010 408 1777
