Fiscale net rond aandeelhouders sluit zich - Archief 1999
25 juni 1999
Proefschrift E.J.W. Heithuis: 'Opbrengsten van aandelen; het nieuwe regime geëvalueerd’
Aandeelhouders, die ten minste 5% van de aandelen in een vennootschap bezitten, kunnen de fiscus niet meer ontlopen. Het gewijzigde systeem van belastingheffing heeft ertoe geleid dat het nagenoeg onmogelijk is geworden om de belastingheffing over de opbrengsten van aandelen definitief te ontgaan. Wat dit betreft verdient de fiscale wetgever volgens E.J.W. Heithuis een pluim. Hij betreurt dat het gewijzigde systeem niet voor alle aandeelhouders, ongeacht de omvang van het aandelenbezit, is gaan gelden.
Overigens heeft de praktijk uitgewezen dat de kleine aandeelhouders (minder dan 5% aandelen in een vennootschap) het nauwelijks in eigen hand hebben om de belastingheffing over de opbrengsten van aandelen te ontgaan. De recente commotie rondom het superdividend van Unilever heeft dit laten zien. Met het proefschrift, getiteld ‘Opbrengsten van aandelen; het nieuwe regime geëvalueerd’ promoveert E.J.W. Heithuis op vrijdag 25 juni 1999 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Op 1 Januari 1997 is het nieuwe aandelenregime in de inkomstenbelasting in werking getreden. In de jaren ’80 was gebleken dat het oude aandelenregime niet naar behoren functioneerde. Belastingplichtigen konden de belastingheffing over de opbrengsten van aandelen, zoals dividenden, agiobonussen, inkoop- en liquidatiewinsten, zodanig beïnvloeden dat minder belasting was verschuldigd dan eigenlijk de bedoeling was volgens de fiscale wetgeving. Normale dividenduitkeringen die belast waren tegen het progressieve tarief van maximaal 60%, werden verpakt in aandelenverkoopwinsten die onbelast bleven dan wel tegen een tarief van slechts 20% werden belast. Evenzo kon men door in een lege vennootschap met een hoog aandelenkapitaal nieuwe winstgevende activiteiten te beginnen de winsten van deze activiteiten als onbelaste teruggaven van aandelenkapitaal naar zich toe halen. Weliswaar had de Belastingdienst gepoogd deze confectie-achtige constructies via de rechter te bestrijden, doch erg succesvol was dit niet. Halverwege de jaren ’90 werd de roep om het aandelenregime in de inkomstenbelasting ingrijpend te herzien dan ook steeds luider. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in een nieuw aandelenregime dat met ingang van 1 januari 1997 van kracht is geworden.
In het proefschrift is dit nieuwe aandelenregime onderzocht en tegen het licht gehouden van de geldende uitgangspunten van de huidige Nederlandse inkomstenbelasting. Dit nieuwe aandelenregime kenmerkt zich door twee in het oog springende aspecten:
1) Uiteindelijk wordt de aandeelhouder steeds belast voor hetgeen hij meer voor zijn aandelen ontvangt dan hij ervoor heeft opgeofferd;
2) De verschuldigde belasting bedraagt 25%, waarbij irrelevant is of sprake is van een normale dividenduitkering dan wel van een verkoopwinst.
Dit nieuwe systeem geldt alleen voor díe aandeelhouders die een zgn. aanmerkelijk belang bezitten in de vennootschap. Hiervan is globaal gesproken sprake als de aandeelhouder ten minste 5% van de aandelen in de vennootschap bezit. Bezit de aandeelhouder minder dan 5% van de aandelen in de vennootschap, meestal zijn dit aandeelhouders in beursvennootschappen, dan is het oude gebrekkige systeem, zoals dat tot 1 januari 1997 gold, ongewijzigd van kracht gebleven.
Aangezien dit nieuwe systeem van belastingheffing over de opbrengsten van aandelen nauwelijks meer vatbaar is voor ontgaansconstructies, was het zaak voor de fiscale wetgever om dit sluitende systeem voor een zo breed mogelijke groep aandeelhouders te laten gelden. Deze notie heeft ertoe geleid dat het aanmerkelijkbelangcriterium drastisch is verlaagd van globaal gesproken 33,33% tot 5% van de aandelen in de vennootschap. Overigens trekt Heithuis de conclusie dat een criterium van 5% onvoldoende onderscheidende waarde heeft. Het valt niet goed in te zien waarom een aandeelhouder die meer dan 5% van de aandelen in de vennootschap bezit op een geheel andere wijze in de belastingheffing moet worden betrokken dan een aandeelhouder die minder dan 5% van de aandelen bezit in de vennootschap.
De promovendus is van mening dat de nieuwe regeling voor aanmerkelijkbelanghouders een fraai stukje fiscale wetgeving is. Dit neemt niet weg dat de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling in fiscaal-technisch opzicht nog wel de nodige tekortkomingen bevat. Uit zijn onderzoek is gebleken dat deze nieuwe regeling niet op alle onderdelen even logisch is en consequent is doordacht, maar als eindindruk overheerst dat de fiscale wetgever erin is geslaagd een doorzichtig en constructiebestendig systeem te ontwerpen. Te betreuren valt alleen dat het fiscale systeem voor niet-aanmerkelijkbelanghouders voorlopig ongewijzigd is gebleven, maar deze omissie zal zeer spoedig bij het Belastingplan voor de 21e eeuw worden hersteld. In dit Belastingplan trekt met name de vermogensrendementsheffing van 1,2% - een fictief rendement van 4% tegen een vast belastingtarief van 30% - over de waarde van de aandelen de aandacht. Als deze plannen doorgaan, en aangekondigd is dat in september 1999 de daartoe noodzakelijke wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer zullen worden ingediend, dan zal ook voor niet-aanmerkelijkbelanghouders een transparant en constructiebestendig systeem ontstaan. Problemen waarmee de huidige beursvennootschappen worden geconfronteerd, namelijk overtollige kasmiddelen die slechts tegen zeer hoge fiscale kosten aan de aandeelhouders ter beschikking kunnen worden gesteld, zullen dan ook tot het verleden behoren.
Promotor: prof.dr. L.G.M. Stevens
Noot voor de pers
Promotie vrijdag 25 juni 1999, 16.00 uur
Woudestein, Aula
Info: bij de promovendus, tel. 010 – 408 1491 / 407 2630 of bij de afdeling Interne & Externe Betrekkingen, tel. 010 – 408 1777
