Het beschermingsmechanisme tegen dubbelzien nader onderzocht - Archief 1999
Ieder kind met scheelzien heeft zijn eigen beschermingsmechanisme tegen dubbelzien. De meeste kinderen onderdrukken (supprimeren) een deel van het beeld van het schele oog. Er zijn grote variaties in de mate van suppressie tussen verschillende scheelziens-patienten. Oogartsen hebben vaak te weinig inzicht in de individuele omvang van dit beschermingsmechanisme bij schele patienten om hen veilig, zonder kans op dubbelzien te opereren. Tot deze conclusie komt oogarts Maurits Joosse in zijn proefschrift Gezichtsvelden bij amblyopie en suppressie ten gevolge van scheelzien. Hij promoveert op woensdag 15 september 1999 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Kinderen die scheel zijn sinds de vroege jeugd hebben nooit last van hun scheve oogstand. Hoewel het te verwachten zou zijn dat ze last hebben van dubbelbeelden, blijkt dit eigenlijk nooit voor te komen. Schele kinderen beschermen zich tegen dubbelzien doordat zij een deel van het beeld of eigenlijk van het gezichtsveld van het schele oog kunnen uitschakelen. Dit beschermingsmechanisme heet scheelziens-suppressie.
Hoewel een kind met scheelzien in het algemeen maar weinig klachten heeft, stuurt de omgeving meestal aan op een zo snel mogelijke operatieve behandeling van de scheve oogstand. Na een scheelziensoperatie kan echter dubbelzien optreden. Het kind was namelijk gewend aan de vroegere scheve oogstand en kon in die schele toestand een deel van het beeld van het afwijkende oog door middel van suppressie uitschakelen. Na de verstoring van de oorspronkelijke oogstand kan het kind hier soms niet meer aan wennen. Hierdoor kan een cosmetisch succesvolle operatie soms toch uitmonden in een grote teleurstelling.
Joosse onderstreept in zijn proefschrift het belang van de meting van de grootte van het onderdrukte deel van het beeld van het schele oog. Indien de exacte omvang van dit suppressie-gebied bekend is, kan veiliger en met kleinere kans op dubbelzien worden geopereerd. In het proefschrift worden een aantal studies beschreven welke meer inzicht geven in de omvang van het gezichtsveld bij apen en mensen met aangeboren scheelzien. Hierbij blijkt dat patienten met scheelzien, waarbij de ogen naar binnen staan (convergente oogstand) een kleiner, maar hardnekkiger suppressie-gebied hebben, dan de personen bij wie de ogen teveel naar buiten staan (divergente oogstand).
Tevens bleek dat de gemeten suppressie niet meteen optreedt maar bijna een halve seconde nodig heeft om volledig te worden. Tot die tijd ziet de persoon de beelden over elkaar heen. Uit het feit dat suppressie relatief lang nodig heeft om op te bouwen leidt de promovendus af dat het een zeer complex mechanisme moet zijn dat meest waarschijnlijk samenwerking vereist tussen vele hersengebieden. Voorts geeft Joosse in het proefschrift diverse aanwijzingen hoe suppressie het beste kan worden gemeten, teneinde de kans op dubbelzien na een scheelziensoperatie zo klein mogelijk te maken.
Noot voor de pers
Promotie woensdag 15 september 1999, 13.45 uur
Hoboken, collegezaal 7
Info: bij de promovendus, tel. 070 330 2930 ; e-mail: mvjoosse@euronet.nl
Of bij de afdeling Interne & Externe Betrekkingen, tel. 010 408 1777
