Privatisering PTT: makkelijker gezegd dan gedaan - Archief 1999
Sinds de jaren zeventig staat de privatisering van staatsondernemingen en liberalisering van markten hoog op de politieke agenda. Door het relatieve gemak waarmee de politiek vaak besluit overheidsbedrijven te privatiseren, zou wel eens uit het oog kunnen worden verloren dat het hierbij om zeer complexe processen gaat, waarvan de consequenties lang niet altijd van tevoren zijn te overzien. Dit blijkt uit de analyse van een van de grootste privatiseringsoperaties uit de Nederlandse geschiedenis: de omzetting van het staatsbedrijf der PTT in een naamloze vennootschap in 1989.
Van een uniforme overheid was geen sprake.
Zo kwamen compromissen op het terrein van de liberalisering van de markt voort uit tegenstrijdige doelstellingen van Economische Zaken en Financiën. Voor de PTT heeft het besluitvormingsproces niet slecht uitgepakt. De kennis- en informatievoorsprong waar zij over beschikte was daarbij van niet te onderschatten belang. Nieuwe groepen aanbieders op de markt voor post en telecommunicatie kregen, ondanks het algemene geloof in de markt, minder ruimte dan gehoopt. Dit werd mede veroorzaakt door de wens van het ministerie van Financiën de PTT ook na 1 januari 1989 als melkkoe te kunnen gebruiken. Ook de volksvertegenwoordigers hadden vaak weinig greep op de uiteindelijke uitkomsten van het verzelfstandigingsproces.
Tot deze conclusies komt Mila Davids in haar proefschrift De weg naar zelfstandigheid. De voorgeschiedenis van de verzelfstandiging van de PTT in 1989. Zij promoveert op donderdag 14 oktober 1999 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Een van de grootste privatiseringsoperaties uit de Nederlandse geschiedenis was de omzetting van het Staatsbedrijf der post, telegrafie en telefonie in de Koninklijke PTT Nederland NV op 1 januari 1989. Tegelijkertijd werd een deel van het berichtenverkeer geliberaliseerd.
De omzetting van het staatsbedrijf der PTT in een naamloze vennootschap vond plaats in een omgeving, die sterk aan verandering onderhevig was. Technologische ontwikkelingen en het buitenland speelden hierbij een belangrijke rol. Voorts was ook het economisch klimaat en de Brusselse politiek een factor van betekenis.. Het complexe besluitvormingsproces is door de promovenda aan een diepgaande analyse onderworpen. Uitgebreid bronnenonderzoek en een groot aantal interviews met betrokkenen legden bloot hoe dat proces precies in zijn werk ging. Hierbij is een veelheid van onderwerpen aan de orde gekomen, zoals onder meer de discussies omtrent de juridische status, de pensioenvoorziening van de toekomstige medewerkers, concurrentieverhoudingen, nieuwe vormen van toezicht op de PTT en de financiële verhouding tussen NV en de overheid.
Het verzelfstandigingsproces telde een groot aantal belanghebbenden. Politici, ambtenaren, werknemers, gebruikers, concurrenten, en niet te vergeten de PTT speelden op verschillende momenten en in diverse hoedanigheden een rol in het besluitvormingsproces. Bij het verzelfstandigingsproces van de PTT was er geen sprake was van één uniforme overheid.
Een voorbeeld van tegengestelde belangen van de verschillende betrokken ministeries was de steun die Verkeer en Waterstaat gaf aan de wens van de PTT om een zo goed mogelijke startpositie als NV te kunnen innemen versus het streven van Economische Zaken naar een zoveel mogelijk geliberaliseerde markt. Dit laatste impliceerde dat de PTT niet in een bevoordeelde positie mocht komen ten opzichte van nieuwe concurrenten, doordat ze op bepaalde taken het alleenrecht zou krijgen. Voor de PTT vormde het streven om de met de privatisering verbonden vrijheden zo groot mogelijk te laten zijn, een centrale leidraad. Hierin was zij vaak succesvol. Echter, bij het streven naar een zo goed mogelijke financiële uitgangspositie ontmoette de PTT in het Ministerie van Financiën een tegenstander van formaat. De uitkomst van het besluitvormingsproces werd niet alleen bepaald doordat betrokkenen verschillend belang hechtten aan alle onderwerpen waarover een beslissing was vereist. Niet iedereen kon namelijk op hetzelfde moment evenveel invloed uitoefenen. De zwaartepunten van de diverse discussies lagen op verschillende tijdstippen in het besluitvormingsproces. Zo kwam de afbakening van de grenzen van het monopolie voornamelijk bij de voorbereiding van de wet tot stand. De kritiek van (potentiële) aanbieders van nieuwe apparatuur en diensten dat zij niet bij de opstelling hiervan was betrokken kwam dan ook niet onverwacht.
De volksvertegenwoordiging vormde het sluitstuk van het besluitvormingsproces waar de wetgeving moesten worden goedgekeurd. Daar de daadwerkelijke consequenties voor de marktordening vaak voortvloeiden uit subtiele en technisch georiënteerde definitiekwesties, was het voor de volksvertegenwoordigers niet altijd even doorzichtig. Het blijkt dan ook dat de Kamerleden voornamelijk de grote lijn volgden. Slechts wanneer nadrukkelijk, door bijvoorbeeld belangengroepen, werd gewezen op een bepaald discussiepunt kwam dat in de Kamerbehandeling aan de orde. De onderhandelingspositie van de verschillende partijen werd mede bepaald door persoonlijkheden. Zo voerde minister Ruding (Financiën) een zeer strakke, rechtlijnige koers en wist minister Smit-Kroes (Verkeer en Waterstaat) haar voorstellen vaardig door de Kamer te loodsen. Het dynamische technologische en internationale veld en de toenemende bemoeienis vanuit Brussel maakten dit besluitvormingsproces extra complex. Deze studie toont dan ook aan dat een besluit de markt zijn werk te laten doen niet lichtvaardig kan worden genomen.
Noot voor de pers
Promotie: donderdag 14 oktober 1999, 13.30 uur
Woudestein, Senaatszaal
Van dit proefschrift is een handelsuitgave verschenen bij Verloren te Hilversum, (ISBN 90-6550-430-3)
Info: bij de promovenda, tel. 040 - 247 4978 / 026 445 7020; e-mail: m.davids@tm.tue.nl of bij de afdeling Interne en Externe Betrekkingen, tel. 010 408 1777 Privatisering PTT : makkelijker gezegd dan gedaan
