Structurele veranderingen in culturele industrie door internationalisering en internet - Archief 1999
22 oktober 1999
De culturele industrie bevindt zich in een diepgaand proces van verandering. In zijn inaugerele rede op vrijdag 22 oktober 1999 met als titel de toekomst van de verbeeldingsmachine analyseert professor Paul Rutten, bijzonder hoogleraar Culturele industrie aan de faculteit Historische en Kunstwetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam de veranderingen in die sector, plaatst er kritische kanttekeningen bij en formuleert aanbevelingen voor beleid.
De culturele industrie bevindt zich in een diepgaand proces van verandering. Ze kan niet langer gezien worden als een optelsom van verschillende sectoren die ieder op hun eigen manier op een eigen markt opereren. In feite is de tijd dat er sprake is van aparte onderdelen als radio, televisie, filmindustrie, muziekindustrie en uitgeverij al lang voorbij. De culturele industrie is inmiddels het domein van de grote conglomeraten als Time Warner, News Corporation, Disney/ABC, Viacom en Bertellsman die het gehele scala van culturele producten op de markt brengen en proberen uit de combinatie ervan meer aandeelhouderswaarde te genereren.
Een illustratie van deze ontwikkeling is de overname van muziek- en filmmaatschappij Polygram door het Canadese Seagram, onder meer eigenaar van Universal Studios. Rutten acht het overigens opmerkelijk dat er over de verkoop van Polygram door Philips aan Seagram nauwelijks enige publieke discussie is gevoerd, niet vanuit economisch, noch vanuit cultureel oogpunt.
De liberalisering van de omroep in Europa in de loop van de negentiger jaren heeft aan het proces van schaalvergroting en internationalisering een verdere bijdrage geleverd. Grote spelers als CLT, Bertellsman en SBS SA maken inmiddels de dienst uit in de Nederlands commerciële televisie.
Voor de toekomst van de culturele industrie, door Rutten aangeduid als de verbeeldingsmachine, voorziet hij dat digitale distributie en Internet vergaande consequenties zullen hebben. De traditionele culturele industrie gaat op in de zogenaamde content industry. Onder het verzamelbegrip content worden de traditionele producten van uitgeverijen, platenmaatschappijen en filmstudios samengevoegd met bijvoorbeeld digitaal archiefmateriaal en overheidsinformatie, maar ook met advertorials, reclameboodschappen die als informatie aan consumenten wordt verstrekt.
De culturele industrie wordt daarmee tot toeleverancier van producten aan digitale uitbaters van informatie wier belangrijkste bron van inkomsten bestaat uit het exploiteren van al dan niet exclusieve toegang tot consumenten. Een indicatie van de huidige waarde van consumententoegang geven de bedragen die bij overnames van kabelnetten betaald worden. Die liggen momenteel tussen de tweeduizend en vijfentwintighonderd gulden.
Om deze ontwikkelingen te illustreren gaat Rutten uitgebreid in op een viertal nieuwsfeiten dat op één dag, 8 september 1999, de Nederlandse kranten haalde:
De overname van de regionale dagbladen van VNU door Wegener Arcade.
Het beklag van Joop van den Ende over het gebrek aan kwaliteit bij de commerciële omroep.
De overname van CBS door Viacom.
De joint venture tussen kabelmaatschappij UPC, Liberty Media en Microsoft.
Onderzoek naar culturele industrie en haar betekenis moet volgens Rutten veel meer inspelen op deze ontwikkelingen en een bijdrage leveren aan het beleidsdebat over de implicaties van deze ontwikkelingen voor cultuur, samenleving en economie.
Hij stelt dat in de eenzijdige nadruk op concurrentie en marktwerking de aandacht voor de culturele maar ook economische implicaties van deze ontwikkelingen veronachtzaamd lijken te worden. Zo wijst hij op het feit dat de felle competitie in de Nederlandse commerciële televisie vooral lijkt te leiden tot kostenbesparing en niet tot innovatieve programmering. Ook constateert hij dat de voortdurende schaalvergroting van de culturele industrie aansluiting van het creatieve talent van eigen bodem steeds moeilijker maken.
Cultuurbeleid van de overheid zou er op gericht moeten zijn cultureel ondernemerschap te bevorderen. Hij pleit voor een onderzoek naar de toepasbaarheid van het twinningconcept dat nu door de overheid voor ICT bedrijven wordt toegepast. Startende bedrijven met een aansprekend businessplan worden samengebracht in een gebouwencomplex en worden bij de realisering van hun plannen op allerlei manieren begeleid en ondersteund.
Voor de toekomst voorziet hij een grote invloed van Internet als distributiemedium voor culturele producten. Internet kan enerzijds een arena voor vernieuwing worden, waar nieuwe toetreders tot de culturele industrie nieuwe vormen van cultureel ondernemerschap kunnen demonstreren. Anderzijds kan internet leiden tot een uitholling van de culturele industrie, wanneer haar functie wordt overgenomen door andersoortige bedrijven zoals financiële instellingen en producenten van life-style artikelen. Zij zullen bijvoorbeeld audiovisuele informatie, muziek, dramaproducties, computerspellen en wat dies meer zij, gaan gebruiken als smeerolie voor de verkoop van hun producten. De toename van de gesponsorde televisieprogrammas en de grote hoeveelheden amusement en informatie op de internetsites van deze bedrijven illustreren deze ontwikkeling. Onpartijdigheid van informatie en journalistieke onafhankelijkheid staan daarmee onder druk.
Noot voor de pers
Dr. P.W.M. Rutten is benoemd tot bijzonder hoogleraar in de Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen vanwege de Vereniging Trustfonds Erasmus Universiteit Rotterdam.
Oratie vrijdag 22 oktober 1999, 16.00 uur
Plaats: Woudestein, Aula
Info: bij de professor, tel. 015 269 5445 of 023 526 9260 / e-mail: rutten@stb.tno.nl of bij de afdeling Interne en Externe Betrekkingen, tel. 010 408 1777Structurele veranderingen in culturele industrie door internationalisering en internet
