De filosofie van het historisch besef - Archief 2000
Het begrip historisch besef stelt de geschiedenis en de herinnering in het licht van een daarmee opgeroepen geweten. Dit door de geschiedenis bewogen geweten betreft de overlevering van een bepaald gezag en zekere ethiek. Bij Plato en Augustinus was de hoogste wijsheid een vorm van herinnering. Historia magistra vitae heette het bij Cicero; de geschiedenis leerde het leven en bevorderde een praktische wijsheid of prudentie. Die tijd lijkt nu voorbij te zijn. Het historisch besef van weleer vormt nu een bijtend anachronisme dat in flagrant contrast staat met het moderne zelfvertrouwen. Dit stelt T.J.M. Slootweg in zijn dissertatie Geschiedenis en ethiek. Historisch besef in de traditie van Hegel, Heidegger en Derrida. Zijn promotie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam vindt plaats op donderdag 16 november 2000.
De geschiedenis van tegenwoordig dreigt te worden gemonopoliseerd door de geschiedwetenschap en de historiografische kennistheorie. Het lot van het besef wordt bezegeld door de modern-wetenschappelijke benaderingswijze op grond waarvan de in de geschiedenis gethematiseerde veranderlijkheid niet toestaat dat die voor ons een praktische betekenis krijgt. De historiografisch blootgelegde kloof met het andere, het feit dat de gift van de geschiedenis zich niet presenteert kan in het perspectief van de vigerende kentheorie niets anders betekenen dan dat het historisch besef nu dood en begraven is. Het belang van geschiedenis voor het leven kan onmogelijk recht gedaan worden binnen het blikveld van het moderne paradigma waarin een strikte scheiding van feit (zijn) en waarde (moeten) wordt aangehouden en nagestreefd.
Geschiedenis en ethiek vormt een wijsgerig fundamentele apologie van het besef. Na een uitgebreide inleiding over de geschiedenis van het begrip volgt een studie van de geschiedfilosofische traditie van Hegel, Heidegger en Derrida. Daarin worden de verleden tijd en de eindigheid ontdekt als bron van praktische wijsheid of phronèsis. Hun filosofie wordt uitgelegd als een herhaling van de joods-christelijke traditie die in de dissertatie een substantiële rol speelt. De vreemde teruggetrokkenheid van het verleden brengt ons in de gelegenheid van een oorspronkelijke onteigening zoals die in het geloof besloten ligt. Het plotselinge karakter van het besef wordt in dit onderzoek herleid tot een anachronistische gelijktijdigheid van het ongelijktijdige zoals gelovigen die in de Deus Absconditus ervaren hebben. Inzicht in deze crisis en kairos van het besef vormt de aanzet tot een kritiek op de cultuur van het actuele. De strijdigheid van een overlevering of traditie mag niet worden gepacificeerd door deze op te vatten als een continuïteit, hetgeen aanleiding kan geven tot een gemakzuchtig conservatisme. Anderzijds mag de discontinuïteit van de geschiedenis er ook niet toe leiden de praktische wijsheid daarvan te ontkennen of in de wind te slaan zoals men op grond van een naïef liberalisme zou kunnen doen. De spreekwoordelijke dood van het besef doet aanspraak op en mobiliseert de herinnering als een zaak van het geweten. Aldus opgevat impliceert dit begrip dat het juist vanwege het ouderwetse en achterhaalde karakter daarvan een dringende actualiteit toekomt. De filosofie van het historisch besef mondt uit in een lof der traagheid. Ook wordt het dagen en verdagen van het besef - het wetenschappelijk uitstel dat hierin besloten ligt - in verband gesteld met de melancholische inspiratie; die intellectuele gestemdheid lijkt bij uitstek geschikt om tegemoet te komen aan de oorspronkelijke teruggetrokkenheid van het verleden.
Promotor: prof.dr. J. de Mul, Wijsgerige antropologie en haar geschiedenis
Noot voor de pers
Promotie donderdag 16 november 2000, 13.30 uur
Plaats: Woudestein, Senaatszaal
De handelseditie van dit proefschrift is verschenen bij uitgeverij DAMON te Leende. ISBN 90 5573 150 1
Info: bij de promovendus, tel. (070) 32 40 550; e-mail t.slootweg@worldonline.nl
of bij de afdeling Interne en Externe Betrekkingen, tel (010) 40 81 777
Geschiedenis en ethik
