Home   Nieuws   Voor journalisten   Persberichten archief   Archief persberichten 2000   Hormonen en kanker

Hormonen en kanker - Archief 2000

Onderzoek naar de relatie tussen gynaecologische vormen van kanker en hormoonbehandelingen lijkt moeilijk van de grond te komen. Prof. dr. Curt W. Burger verwacht echter dat studies naar effecten van IVF (In Vitro Fertilisatie) en naar hormoonbehandeling na chemo- en radiotherapie gangbare opvattingen op losse schroeven kunnen zetten. Met zijn oratie, getiteld ‘Hormonen en kanker’, aanvaardt Burger op vrijdag 9 juni 2000 het bijzonder hoogleraarschap ‘Vrouwenziekten, in het bijzonder de hormoon gerelateerde tumoren’ in de Faculteit der Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, vanwege de Vereniging Trustfonds Erasmus Universiteit Rotterdam.

IVF wordt in Nederland op grote schaal toegepast om de vruchtbaarheid te stimuleren van vrouwen die ongewenst kinderloos blijven. Behandeling bestaat uit het toedienen van hormonen die de eierstokken stimuleren om meerdere eicellen te produceren. De eicellen worden vervolgens bij de patiënt afgenomen en na bevruchting in de baarmoeder teruggeplaatst. Over het algemeen wordt aangenomen dat 2,5 % van in Nederland levend geboren kinderen per jaar het resultaat is van ovulatie bevorderende medicijnen, terwijl de behandeling in ongeveer een derde van de gevallen succesvol is.

Eerdere studies suggereren een verhoogd risico op gynaecologische kanker bij vrouwen die een IVF behandeling hebben ondergaan. Welke factoren daarbij een rol spelen is tot nu toe onduidelijk gebleven. In 1995 is een onderzoeksgroep, onder leiding van dr. Curt W. Burger en dr. Floor van Leeuwen van het Nederlands Kanker Instituut, gestart met het project OvariuMstimulatie En Gynaecologische Aandoeningen (OMEGA). Tijdens deze langdurige en grootschalige epidemiologische studie zullen gegevens van 19.841 vrouwen die tussen 1983 en 1995 een IVF behandeling hebben ondergaan en een controlegroep van 6.589 controle vrouwen, die geen IVF hebben gehad, worden gekoppeld aan het systeem van Nederlandse Kankerregistratie, waarin 98% van alle nieuwe gevallen van kanker in Nederland worden verzameld. Het project OMEGA loopt tot 2005.De eerste onderzoeksresultaten zullen dit jaar bekend worden gemaakt.

Vrouwen die voor gynaecologische vormen van kanker zijn behandeld met chemo- of radiotherapie, ondervinden vaak ernstige bijeffecten omdat hun hormoonproductie door de behandeling is verstoord. Met name voor vrouwen jonger dan vijfenvijftig betekent dit een aanslag op de kwaliteit van leven. Terwijl gewoonlijk hormoonbehandelingen kunnen worden toegepast om de hormonenhuishouding te reguleren, zijn artsen daarmee bij patiënten die zijn behandeld voor gynaecologische kanker en borstkanker juist zeer terughoudend. Verondersteld wordt dat hormoonsubstitutie het risico op terugkeer van kanker vergroot.

Vanuit het Academisch Ziekenhuis Rotterdam heeft Burger twee onderzoeken geïnitieerd naar de relatie tussen recidive van gynaecologische kanker en hormoonsubstitutie. Het eerste is een grootschalig onderzoek opgezet in samenwerking met de Europese kankerorganisatie EORTC en richt zich op de kans op recidive tijdens en na hormoonbehandeling bij vrouwen die zijn behandeld voor baarmoederslijmvlies- of eierstokkanker. Resultaten worden naar verwachting over zes jaar bekend. Het tweede is een basaal onderzoek naar de effecten van verschillende soorten hormonen op tumoren. De resultaten hiervan kunnen gangbare veronderstellingen over de relatie tussen hormonen en kanker mogelijk nuanceren.

Noot voor de pers
Oratie: vrijdag 9 juni 2000, 16.00 uur
Plaats: Woudestein, Groot Auditorium
Info: bij de hoogleraar, tel 010-463.3617 of bij de afdeling Interne en Externe Betrekkingen, tel. 010 – 408.1777


Hormonen en kanker