Minder TBS is niet in belang van samenleving

Deskundigen Erasmus Universiteit spreken zorg uit

De rechter legt de laatste tijd steeds minder vaak TBS op. Werden in 2005 nog 207 TBS-maatregelen opgelegd, in 2010 waren dit er nog maar 107. Tegelijkertijd wordt de verblijfsduur van de TBS-gestelden, steeds langer. Veroordeelden die in 1998 instroomden zaten gemiddeld tien jaar ‘vast’, terwijl degenen die in 1990 hun TBS-straf aanvingen, zeven jaar werden behandeld voordat ze weer vrijkwamen. Dit alles is niet in het belang van de veiligheid van de samenleving, aldus prof.dr. P.A.M. Mevis, hoogleraar strafrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In een artikel, dat 26 april 2011 verschijnt in het blad Delikt en Delinkwent, pleit hij ervoor het goede van de TBS te herstellen en te versterken. 

“De aarzeling ten aanzien van TBS komt voort uit wantrouwen”, zegt Mevis. “Waar de politiek onder druk staat van de publieke opinie, hebben rechters en advocaten vaak het gevoel weinig invloed te hebben op de duur en de inhoud van de TBS. Wordt de TBS-gestelde wel in juiste kliniek opgenomen en wordt hij daar adequaat behandeld? Kunnen we de inhoud en de voortvarendheid van de behandeling en resocialisatie wel voldoende bewaken? Wordt de veroordeelde niet te gemakkelijk in de longstay geplaatst? Blijft ook dan een zeker aanbod van behandeling nog overeind? Daar is allemaal veel onduidelijkheid over. En dat terwijl alle betrokkenen overtuigd zijn van de vele goede mogelijkheden die TBS biedt voor beveiliging en behandeling. De resultaten zijn immers aantoonbaar goed: waar bij mensen die in de ‘gewone’ gevangenis zaten de recidive ruim 46% is, gaat minder dan 5% van de TBS-behandelden binnen twee jaar weer ‘in de fout’. TBS voorkomt dat mensen die vanwege een stoornis een gevaar vormen, onbehandeld in de samenleving terugkeren. Feitelijk ís er geen alternatief voor TBS”. 

Mevis stelt in het artikel een aantal concrete stappen voor. “Beveiliging en behandeling vormen de kern van de TBS. Er moet ruimte komen om per TBS-gestelde een verantwoorde afweging mogelijk te maken. Bij de behandeling past de mogelijkheid verlof te verlenen. Daarmee moet terughoudend worden omgegaan. Een incident is niet een reden om verlof voor de betreffende TBS-gestelde in zijn geheel te verbieden, wel om de afweging van de kliniek nader te bekijken. De politiek spreekt daar de klinieken terecht op aan. Deze vorm van toezicht kan het huidige systeem, waarbij het Adviescollege Verloftoetsing TBS elk afzonderlijk verlof beoordeelt, vervangen. Overigens is bij minder dan één op de duizend verloven sprake van een incident. In de meeste gevallen betreft dit het te laat terugkeren in de kliniek en is er geen misdrijf gepleegd.” 

Ook is Mevis kritisch over de duur van de TBS: “Zodra de veiligheid van de maatschappij het mogelijk maakt, moet de overstap naar de gewone Geestelijke Gezondheidszorg kunnen worden gemaakt. Beveiliging en toezicht moet ook in dat kader mogelijk zijn. Bij deze ‘uitstroom’ uit de TBS kan de verlengingsrechter een grotere regierol vervullen. Dit brengt weer lucht in de tenuitvoerlegging van de TBS en herstelt het vertrouwen daarin bij alle betrokkenen. En dan is er ook minder aanleiding voor verdachten om te weigeren mee te werken aan gedragskundige rapportage, zoals nu het geval is”, aldus de hoogleraar strafrecht. “Dat een dergelijke weigering ‘beloond wordt’ met ‘geen TBS’ is overigens een fabel.

Het gaat bij de TBS om vrijheidsbeneming en daarover beslist in ultimo de rechter, daarbij de adviezen van de kliniek en van gedragskundigen meewegend. Dat geldt zowel het opleggen van TBS als het beëindigen daarvan. Een politiek die vertrouwen heeft in het TBS-systeem, omarmt deze achtervanger van rechterlijke controle in plaats van deze af te schaffen, zoals nu wordt voorgesteld voor het geval de rechter van een verlengingsadvies van de kliniek wil afwijken, hetgeen overigens maar zelden voorkomt. Alleen als ministerie, rechters, advocaten, klinieken, gedragskundigen en de GGZ adequaat samenwerken ter behartiging van beveiliging en behandeling, kan het unieke van de TBS worden gered. De resultaten (beveiliging door opsluiting, minder recidive door behandeling) en de menswaardigheid (behandeling van hen die zorg behoeven), maken die inspanning de moeite waard.” 

De bijdrage van Mevis is onderdeel van groter onderzoek op het gebied van sancties en forensische psychiatrie, interdisciplinair uitgevoerd door H.J.C. van Marle (hoogleraar forensische psychiatrie), M.J.F. van der Wolf (jurist en klinisch psycholoog die een dissertatie over de tenuitvoerlegging van de TBS afrondt) en Mevis (hoogleraar strafrecht). Onder hun redactie verscheen in 2008 ‘Gedragskundige rapportage in strafzaken’, het eerste geïntegreerde handboek op dit terrein.

Nadere informatie

Arnoud Houweling, mediarelaties Erasmus School of Law, tel. (010) 408 9758 / 408 9752
e-mail: houweling@remove-this.frg.eur.nl 


Publicatiedatum: 26 april 2011