Research Institutes
Erasmus Studiecentrum voor Belastingen van Lokale Overheden

Events

Symposium rechtsbescherming 29 mei 2018

Op 29 mei 2018 heeft het Erasmus Studiecentrum van Belastingen voor Lokale overheden (ESBL) in samenwerking met de Academie Lokale Belastingen een studiemiddag georganiseerd. De studiemiddag had als thema: ‘Rechtsbescherming en lokale belastingen: tekort of overschot?’

  • Geschreven door R.H. Kastelein*

    Op 29 mei 2018 heeft het Erasmus Studiecentrum van Belastingen voor Lokale overheden (ESBL) in samenwerking met de Academie Lokale Belastingen een studiemiddag georganiseerd. De studiemiddag had als thema: ‘Rechtsbescherming en lokale belastingen: tekort of overschot?’. Het evenement heeft plaatsgevonden in het Postillion Hotel te Bunnik.

    Rond 12:30 werden de gasten ontvangen met koffie en thee. Er waren ongeveer vijftig aanwezigen, veelal afgevaardigden van gemeenten. Na het kopje koffie en ontvangst van de ESBL-nieuwsbrief gingen de aanwezigen richting de zaal. Daar deed Arjen Schep, onder meer Academic Researcher / Research
    Manager bij het ESBL, om 13:00 het openingswoord. Schep leidde het symposium als dagvoorzitter in goede banen. Na een inhoudelijke inleiding op het thema van de dag kondigde hij drie sprekers aan, die elk in drie kwartier hun verhaal mochten doen.

    Doelmatigheid versus rechtsbescherming: art. 64 AWR in de lokale belastingheffing

    De eerste spreker van de middag was Edwin Borghols, vennoot en fiscaal-juridisch adviseur bij Van den Bosch & Partners. Borghols gaat in op de toepassingsmogelijkheden van artikel 64 AWR binnen de lokale heffingen. Artikel 64 AWR is een zogenoemde ‘doelmatigheidsbepaling’. Doelmatig, omdat het gericht is op efficiënte afwikkeling van een materiële belastingschuld. Op grond van artikel 64 AWR mag je als heffingsambtenaar afwijken van de verordening. Overigens kan slechts onder bepaalde voorwaarden gebruik worden gemaakt van dit artikel. Zo mag het toepassen hiervan niet leiden tot een
    lagere belastingschuld.

    Als voorbeeld waarin artikel 64 AWR wordt toegepast, noemt Borghols de volgende casus. Een park bestaat uit honderden stacaravans. De exploitant van dit park betaalt als verblijfbieder toeristenbelasting. Daarnaast is door eigenaren van tweede woningen forensenbelasting verschuldigd. Op grond van
    artikel 64 AWR wijkt de heffingsambtenaar af van de verordening, en heft de forensenbelasting ook van de exploitant, in plaats van de aanslagen op te leggen aan degenen die in de stacaravans verblijven. De forensenbelasting wordt door de exploitant wel doorberekend aan de eigenaren van de stacaravans. Een
    van de eigenaren maakt bezwaar en gaat later in beroep tegen de wijze van innen. De vraag is, of hij wel in bezwaar en beroep kan komen, aangezien hij zelf geen aanslag forensenbelasting heeft ontvangen.

    Het hof oordeelt dat artikel 26a lid 2 AWR – op grond waarvan de kring van belanghebbenden die in beroep kunnen gaan, wordt uitgebreid – niet van toepassing is.**  Hieruit volgt een (dreigende) leemte in de rechtsbescherming. In de rechtsbescherming wordt uiteindelijk voorzien zoals is geschied in eerdere jurisprudentie.***

    In cassatie bepaalt de Hoge Raad dat artikel 64 AWR een toereikende wettelijke grondslag biedt om aanslagen in de forensenbelasting vast te stellen ten name van anderen dan de natuurlijke personen, bedoeld in artikel 223 lid 1 Gemeentewet.**** Hieruit volgt dat artikel 64 AWR van toepassing is bij lokale
    belastingen. Overigens moet in acht worden genomen dat artikel 64 AWR geldt voor de ‘heffingskant’, en dat dit los moet worden gezien van de ‘invorderingskant’ (artikel 67a IW).

    Tegengestelde belangen in de Wet WOZ en rechtsbescherming

    Spreker nummer twee van de studiemiddag was Jan Monsma, onder meer hoogleraar lokale belastingen en wetenschappelijk directeur van het ESBL. Monsma bespreekt eerst de ontwikkeling van de Wet WOZ door de jaren heen. Sinds de invoering van de Wet WOZ is veel gewijzigd. Zo is de OZB voor gebruikers van woningen in 2006 afgeschaft. Alle wijzigingen bij elkaar hebben geleid tot een breder gebruik van de Wet WOZ. Het wordt voor veel meer dan alleen belastingheffing gebruikt.

    De Wet WOZ heeft een andere dynamiek gekregen en dat levert vragen op. Afgevraagd kan bijvoorbeeld worden in hoeverre het stelsel van rechtsbescherming van de Wet WOZ nog gesloten is of zou moeten zijn. Door de wetswijziging van 1 oktober 2015 kun je niet alleen bezwaar maken tegen een te hoge waarde, maar ook tegen een te lage waarde en kunnen meerdere belanghebbenden met tegengestelde belangen tegelijk procederen. De Hoge Raad heeft bepaald dat dit ook geldt voor lopende procedures van vóór 1 oktober 2015.***** Wat voor gevolgen heeft dit voor de verdeling van de bewijslast en uitspraken in goede justitie? Het leidt in de praktijk tot vreemde gevallen. Zo zijn er procesvertegenwoordigers die lopende een procedure switchen van standpunt of die het niet uitmaakt of de waarde omhoog of omlaag gaat – als het maar anders is.

    Uit jurisprudentie volgt verder dat de Hoge Raad omtrent het maken van bezwaar een ‘knip’ maakt tussen de Wet WOZ enerzijds en de OZB en andere (lokale) belastingen anderzijds. Vraag is of de rechtsbescherming binnen de Wet WOZ anders moet. Door bijvoorbeeld aan te sluiten bij het begrip
    ‘belanghebbende’ in de Awb kan worden ingespeeld op de veranderende dynamiek in de Wet WOZ. Tot slot gaat Monsma in op rechtsbescherming en misbruik. Gemachtigde van belanghebbende kan worden geweigerd op grond van artikel 2:2 lid 1 Awb, echter is niet-ontvankelijkverklaring van het
    bezwaar ook een mogelijkheid. Vraag is of door de heffingsambtenaar niet te snel wordt ingezet op misbruik van recht. In het licht van rechtsbescherming van belanghebbende zou het volgens Monsma beter te zijn te kiezen voor weigering van de gemachtigde in plaats van niet-ontvankelijkverklaring van het
    bezwaar. Jan Monsma aan het woord.

    Fiscale bevoegdheden van lokale overheden versus rechtsbescherming?

    Na een korte pauze volgt Guido de Bont als derde en laatste spreker van het symposium. De Bont is onder meer hoogleraar Formeel Belastingrecht aan de Erasmus School of Law en oprichter van De Bont Advocaten. In zijn presentatie wordt een vergelijking gemaakt tussen het formele belastingrecht en het
    bestuursprocesrecht (AWR vs. Awb) die beide van belang zijn bij de heffing van lokale belastingen. Benadrukt wordt dat de AWR werkt met verplichtingen, en de Awb met bevoegdheden. Een verplichting kan je moeilijk afdwingen, terwijl een bevoegdheid wel kan worden afgedwongen. Voor belastingen van lagere overheden is de AWR – met verplichtingen – van overeenkomstige toepassing. Toch is in artikel 128a Waterschapswet een bevoegdheid terug te vinden. Dat kan opmerkelijk worden genoemd. Ook opvallend is het aantal artikelen van de AWR dat wordt uitgesloten. Zie bijvoorbeeld
    artikel 236 lid 1 Gemeentewet.

    Niet alles is 100% duidelijk in het licht van rechtsbescherming binnen de heffingen van lokale overheden. De Bont constateert zelfs een stukje strafrecht in artikel 33 lid 3 Wet WOZ. Krachtens dit artikellid kan een geldboete van de derde categorie worden opgelegd. In de AWR wordt in de gevallen, bedoeld in artikel 33 lid 3 Wet WOZ, een bestuurlijke boete opgelegd. Volgens De Bont zou dat voor de Wet WOZ een meer logische sanctie zijn, en is het strafrecht hier niet op zijn plaats.

    Na de presentatie van De Bont vindt nog een korte discussie met de zaal plaats over de besproken onderwerpen. Daarna volgt rond 16:00 een afsluitende borrel. Al met al kan worden teruggekeken op een leuke en leerzame middag, waarbij de aanwezigen op enthousiaste wijze een actieve bijdrage hebben
    geleverd.

    * Robert Kastelein is student-assistent bij het ESBL en is derdejaars student fiscaal recht aan de Erasmus School of
    Law.
    ** Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 7 januari 2016, nr. 14/00807, ECLI:NL:GHSHE:2016:10, Belastingblad 2016/147
    m.nt. P. de Bruin.
    *** Zoals in Hoge Raad 14 juli 2000, nr. 34578, ECLI:NL:HR:2000:AA6508, Belastingblad 2000/934. Hierin bepaalde
    de Hoge Raad dat naast degene aan wie de naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd, ook een ander die het
    voertuig feitelijk heeft geparkeerd in bezwaar kan gaan tegen de naheffingsaanslag.
    ****  Hoge Raad 11 augustus 2017, nr. 16/00496, ECLI:NL:HR:2017:1608, Belastingblad 2017/386 m.nt. J.A. Monsma.
    ***** Hoge Raad 20 oktober 2017, nr. 16/02441, ECLI:NL:HR:2017:2656, NLF 2017/2544 m.nt. A.P. Monsma.

Impressie van het evenement Rechtsbescherming