Exclusively on EUR Connect: Professor Liesbeth Enneking's pop-up lecture (in Dutch)

At 8 November 2017 Liesbeth Enneking gave some pop-up lectures on the streets of Rotterdam (in Dutch). 

Kun je nog wel onbezorgd shoppen? 
Over de rol van het recht bij maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Welkom allemaal. Ik ga jullie het komende kwartier iets vertellen over de rol van het recht bij het bevorderen van maatschappelijk verantwoord ondernemen in een internationale context. 

Bijna iedereen van jullie heeft één of meerdere paren sportschoenen, houdt van een lekkere kop koffie op z’n tijd, tankt weleens benzine en is de trotse bezitter van een meer of minder geavanceerde smartphone. Dat geldt ook voor mijzelf. Maar sta je er eigenlijk weleens bij stil waar die sportschoenen, die koffie, die benzine en die smartphones vandaan komen en onder welke omstandigheden ze geproduceerd zijn? Want veel van onze dagelijkse producten worden niet geproduceerd in Nederland, maar in het buitenland. En soms gebeurt dat onder omstandigheden die wij hier in Nederland niet acceptabel zouden vinden. En dat roept allerlei vragen op.

Neem het volgende voorbeeld. In april 2013 stortte in Bangladesh een 8 verdiepingen tellend fabrieksgebouw in. Daarbij kwamen meer dan 1100 mensen om, die op het moment van de ramp aan het werk waren in één van de vele textielfabriekjes die in het gebouw gevestigd waren. De oorzaak van de ramp was gelegen in het feit dat het gebouw qua constructie totaal niet berekend was op de intensieve manier waarop het gebruikt werd; de bovenste vier verdiepingen ervan waren zelfs zonder toestemming gebouwd. En hoewel er de dag voor de ramp al scheuren zichtbaar waren in de muren van het gebouw, riepen de eigenaars van de textielfabriekjes hun werknemers op om toch te komen werken, in sommige gevallen onder bedreiging van het inhouden van loon.

In de nasleep van de ramp bleek dat veel van het in het Rana Plaza gebouw geproduceerde textiel bestemd was voor grote Westerse kledingdiscounters, zoals Walmart, Primark en Mango. En daarmee voor ons, de Westerse consument die liever niet teveel betaalt voor zijn t-shirt, maar ook niet voor zijn sportschoenen, zijn koffie, zijn benzine of zijn smartphone. Een incident als het instorten van het Rana Plaza gebouw roept dan ook de levensgrote vraag op in hoeverre het te verantwoorden is dat in een geval als dit niet wijzelf maar fabrieksarbeiders in een land als Bangladesh in feite de prijs betalen voor onze goedkope t-shirts, en daarmee in bredere zin voor onze welvaart.

Ook bedrijven worden steeds vaker geconfronteerd met dit soort vraagstukken, in het kader van maatschappelijke en politieke debatten over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het concept maatschappelijk verantwoord ondernemen, of MVO, geeft in de kern de gedachte weer dat bedrijven bij hun streven naar winst rekening moeten houden met mens- en milieu-gerelateerde belangen. De hoofdboodschap daarbij is ‘People, Planet, Profit’: het verwerven van Profit mag niet ten koste gaan van People en Planet.

Maar wat wordt er dan precies verwacht van bedrijven? Lange tijd werd MVO beschouwd als een kwestie van bedrijfsethiek, waarbij het zoveel mogelijk aan ondernemingen zelf moest worden overgelaten om te bepalen in hoeverre en op welke manier dat ‘rekening houden met’ geïncorporeerd werd in het ondernemingsbeleid en de ondernemingspraktijk. Maar de laatste jaren ligt er in toenemende mate nadruk op het feit dat bedrijven niet alleen aan zichzelf maar ook aan de buitenwereld verantwoording moeten afleggen over de stappen die zij nemen om te voorkomen dat hun activiteiten resulteren in schade aan mens en milieu.

De blik is daarbij vooral gericht op internationaal opererende ondernemingen die activiteiten verrichten of laten verrichten in landen waar wettelijke normen op het gebied van milieu, arbeid, gezondheid & veiligheid en mensenrechten niet zo strikt zijn of niet zo strikt gehandhaafd worden. Raak je als bedrijf betrokken bij bijvoorbeeld mensenrechtenschendingen of milieuvervuiling in zo’n land, dan neemt niemand meer genoegen met het argument ‘ja maar we houden ons toch aan de lokaal geldende regels’. Gaat het om ernstige misstanden, dan geldt hetzelfde voor het argument ‘ja maar we zijn alleen maar indirect betrokken bij de activiteiten daar, namelijk via onze lokale dochtermaatschappijen, toeleveranciers, zakenpartners, enz.’.

Van internationaal opererende ondernemingen wordt deze dagen méér verwacht, namelijk dat in landen waar de overheid onvoldoende zorg draagt voor de bescherming van mens en milieu tegen de negatieve effecten van bedrijfsactiviteiten, zij zelf een stukje van die zorg overnemen. En die verwachting wordt in veel Westerse landen, ook in Nederland, steeds breder gedragen. Want we hebben het allang niet meer alleen over consumenten die vragen stellen over de herkomst van producten. We hebben het ook over werknemers of aandeelhouders die vragen stellen over het MVO-beleid van een bedrijf, over banken die vragen stellen over de mensenrechten- en milieu-impact van door hen te financieren projecten, over maatschappelijke organisaties die vragen stellen over misstanden in verre buitenlanden die zij op het spoor zijn gekomen en over politici die vragen stellen over de betrokkenheid van bedrijven bij incidenten zoals het instorten van het Rana Plaza-gebouw in Bangladesh.

Dit zijn allemaal voorbeelden van de toenemende maatschappelijke en politieke druk die wordt uitgeoefend op bedrijven, ook Nederlandse bedrijven, om niet alleen in eigen land maar ook over de grens op een maatschappelijk verantwoorde manier te ondernemen. En er zijn ook veel bedrijven die actief proberen tegemoet te komen aan de verwachtingen die op hen rusten in dit kader. Bijvoorbeeld door interne MVO-gedragscodes en MVO-beleid op te stellen, door afspraken te maken met en controles uit te voeren bij buitenlandse ketenpartners, door due diligence onderzoek te verrichten naar de mogelijke schadelijke impact van de eigen activiteiten of van die van dochtermaatschappijen of toeleveranciers, en door te rapporteren naar aandeelhouders, consumenten en het bredere publiek over de mogelijke risico’s die activiteiten van het bedrijf meebrengen in dit verband.

Maar zoals bij alles heb je ook op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap bedrijven die voorlopen en bedrijven die achterlopen. En met name ten aanzien van die achterlopers is er een rol weggelegd voor het recht, als stok achter de deur om te voorkomen dat deze bedrijven betrokken raken bij ernstige misstanden in het buitenland zonder dat zij daarvoor op de vingers getikt worden. En ook om te voorkomen dat er oneerlijke concurrentie ontstaat met de voorlopers, die immers tijd en geld en mankracht investeren in een poging om het wél allemaal netjes te doen. Bovendien kunnen juridische instrumenten noodzakelijk zijn om te verzekeren dat degenen die de dupe zijn van onverantwoorde ondernemingspraktijken, de betrokken bedrijven daarop aan kunnen spreken en hun schade vergoed kunnen krijgen.

Maar wat voor juridische instrumenten zijn nu geschikt om schadelijke bedrijfsactiviteiten die voor of door internationaal opererende ondernemingen worden verricht, aan te pakken? De gedachte gaat, gezien de internationale context, al snel uit naar een internationaal verdrag waarin landen gezamenlijk normen vastleggen met betrekking tot de bescherming van mens en milieu tegen de nadelige gevolgen van bedrijfsactiviteiten, waar dan ook ter wereld verricht. En er zijn momenteel ook daadwerkelijk onderhandelingen gaande over een mogelijk internationaal verdrag dat specifiek gericht is op het voorkomen en herstellen van mensenrechtenschendingen door bedrijven. Maar de onderhandelingen verlopen erg moeizaam, ook omdat de belangen van de betrokken staten zo ver uiteen lopen. Het ziet er momenteel dus naar uit dat áls er al een internationaal verdrag tot stand zal komen, dit niet al te veel om het lijf zal hebben.

Ook binnen de EU wordt gekeken naar mogelijkheden voor regels die ervoor moeten zorgen dat in de EU gevestigde ondernemingen zich rekenschap geven van hun mogelijke schadelijke impact op mens en milieu, ook buiten de EU. Zo is er in 2010 bijvoorbeeld een verordening tot stand gekomen die moet voorkomen dat illegaal gekapt hout terechtkomt op de Europese markt. Recenter, in mei van dit jaar, zijn vanuit de EU regels opgesteld die als doel hebben om de invoer van conflictmineralen – dat zijn mineralen die gedolven worden in conflictgebieden, wat vaak gepaard gaat met ernstige mensenrechtenschendingen – in de EU onmogelijk te maken. En vanaf dit jaar moeten bepaalde grote ondernemingen op grond van EU-regelgeving in hun jaarverslagen niet alleen rapporteren over hoe ze er financieel voor staan, maar ook over hun MVO-beleid en de resultaten daarvan.

Maar ook bij regelgeving op EU-niveau geldt dat vertegenwoordigers van 28 lidstaten het in principe met elkaar eens moeten worden en dus dat het eindresultaat in veel gevallen een verdunde versie is van de oorspronkelijke ambitieuze plannen. En dat is waarom in verschillende van de ons omringende landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland, nationale wettelijke regelingen tot stand zijn gebracht die bepaalde verplichtingen in het leven roepen voor in die landen gevestigde internationaal opererende ondernemingen met betrekking tot hun impact op mens en milieu elders. In Nederland zijn we, uit angst voor wegtrekkende bedrijven, niet bepaald koplopers waar het aankomt op het invoeren van dit soort wettelijke MVO-verplichtingen. Er ligt momenteel een wetsvoorstel voor dat beoogt om een wettelijke zorgplicht in te voeren om te voorkomen dat Nederlandse bedrijven goederen en diensten leveren die met behulp van kinderarbeid tot stand zijn gekomen, maar dit voorstel zal naar alle waarschijnlijkheid niet door de Eerste Kamer komen.

Tegelijkertijd zijn het op dit moment vooral Nederlandse rechters die zich geconfronteerd zien met vragen naar de zorgplichten van in Nederland gevestigde bedrijven in het kader van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen. Net als in de ons omringende landen zien we in Nederland een toename van rechtszaken aangespannen door lokale bewoners uit ontwikkelingslanden tegen Westerse ondernemingen die betrokken zijn geweest bedrijfsactiviteiten in die landen die schade aan mens of milieu tot gevolg hebben gehad.

Een bekend voorbeeld zijn de rechtszaken die in 2008 en 2009 voor de Rechtbank Den Haag werden aangespannen door Nigeriaanse boeren tegen Shell, in verband met verschillende gevallen van olielekkage uit door Shell geëxploiteerde pijpleidingen in de Nigeriaanse Nigerdelta. In 2016 werd door een grote groep Ivorianen een massaschadeclaim ingesteld voor de rechtbank Amsterdam tegen de Nederlandse oliehandelaar Trafigura, dat verantwoordelijk gehouden wordt voor de schadelijke gevolgen van het dumpen van scheepsafval in 2006 in Ivoorkust door het schip de Probo Koala. En in juni van dit jaar werd Shell opnieuw geconfronteerd met een aansprakelijkheidsprocedure, ditmaal aangespannen door de weduwen van Nigeriaanse milieuactivisten die in de mid-jaren 90 werden omgebracht door het Nigeriaanse militaire regime.

In hoeverre gaan dit soort rechtszaken en internationale of nationale regelgeving op het gebied van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen er nou daadwerkelijk voor zorgen dat Nederlandse bedrijven en bedrijven uit andere Westerse landen meer rekening gaan houden met de gevolgen van hun activiteiten voor mens en milieu in ontwikkelingslanden? Dat is moeilijk te zeggen, ook omdat het hier gaat om vrij recente ontwikkelingen en we dus nog niet heel veel gegevens hebben aan de hand waarvan we dat kunnen beoordelen. Maar dit is wel een onderwerp waar ik me, samen met andere onderzoekers van de Erasmus Universiteit, intensief mee bezig zal gaan houden de komende paar jaar. Want uiteindelijk rust er niet alleen op consumenten en bedrijven, maar ook op academici een taak om te onderzoeken hoe we kunnen voorkomen dat de productie van onze sportschoenen, onze koffie, onze benzine en onze smartphones ten koste gaat van mens en milieu in de landen waar zij geproduceerd worden. En hoe we ervoor kunnen zorgen dat mensen in die landen beter kunnen meedelen in de welvaart die deze producten ons brengen.

Ik sluit af met de uitnodiging aan eenieder van jullie die meer wil weten over dit onderwerp en over het onderzoek dat daarnaar in Rotterdam gedaan wordt, om na vier uur vanmiddag een kijkje te nemen op de website van de Erasmus Universiteit. Want daar zal dan ter gelegenheid van de dies viering van de universiteit en in het kader van de publiekscampagne Challenge Accepted meer informatie te vinden zijn over het het Inclusive Prosperity Initiative, waarbinnen dit onderzoek verricht zal gaan worden.