Nawoord van Paul van Geest

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad d.d. 11 september 2012

Enkele dagen geleden organiseerde de Erasmus School of Accounting & Assurance een symposium over de verhouding van ‘soft controls’ tot ‘hard controls’ in de boardroom en in organisaties. Meer dan 800 accountants, controllers, auditors en alumni hadden zich hiervoor ingeschreven. ‘Hard controls’ worden de maatregelen genoemd waarvan de impact te toetsen is. Een medewerker krijgt bijvoorbeeld taken toebedeeld en kan op de vervulling hiervan worden beoordeeld. Een gedragscode valt bijvoorbeeld onder ‘hard controls’. De naleving van de richtlijnen die hierin aan het gedrag van medewerkers worden gesteld is namelijk verifieerbaar. ‘Hard controls’ zijn nodig. Maar als er teveel zijn kunnen zij hun doel voorbij schieten. Zoals vroeger in de ascetische theologie een teveel aan richtlijnen ten behoeve van een heilig leven mensen tot waanzin kon brengen, zo kunnen medewerkers in organisaties door een teveel aan ‘hard controls’ apathisch worden of vervallen in een soort afvinkcultuur. Onder ‘soft controls’ worden over het algemeen de factoren verstaan, die het gedrag van werknemers beinvloeden. De (levens-)instelling van leidinggevenden is bijvoorbeeld een ‘soft control’. Zijn zij punctueel, eren zij hun woord, zijn zij integer of scheppen zij een klimaat waarin medewerkers elkaar op goed of fout gedrag kunnen aanspreken, dan vormen zij het normen- en waardenbesef van hun medewerkers en zelfs hun levenshouding ten goede. Het omgekeerde kan ook het geval zijn. Dan ontstaan schandalen.

Al in de voorbereiding van mijn verhaal voor dit symposium werd het me ineens zonneklaar dat de kracht van de grote levensregels zoals die van Benedictus en Augustinus gelegen is in het feit dat hierin hard en soft controls in een haast volmaakte wisselwerking met elkaar staan. Er bevinden zich in Augustinus’ Praeceptum bijvoorbeeld aan aantal richtlijnen waaraan hij en zijn medewerkers – in zijn geval huisgenoten tegelijk - hun gedrag kunnen toetsen. Zo schrijft Augustinus in het vijfde hoofdstukje van dit werk dat iemand een ander terecht mag wijzen als deze inderdaad nalatig is geweest of laakbaar gedrag heeft getoond. Maar hij voegt daar aan toe dat de terechtwijzer moet oppassen voor zijn eigen harde woorden.  Voordat deze zijn woorden van terechtwijzing heeft uitgesproken moet hij al wél weten met welke genezende woorden hij de harde woorden verzacht. Augustinus acht het dus ontoelaatbaar dat iemand slechts kapittelt zonder de reprimande af te sluiten met woorden waaruit vergevingsgezindheid blijkt.

Hier voorziet Augustinus zijn mensen dus van een ‘hard control’. Het is immers toetsbaar of iemand die een ander terechtwijst zijn schrobbering afsluit met woorden waaruit compassie en clementie blijkt. Maar hij wil meer dan alleen maar  een richtlijn  geven, die ‘afgevinkt’ kan worden. Het is hem niet genoeg als een richtlijn in een gegeven situatie ‘mechanisch’ en obligaat is toegepast. Aan het einde van zijn Praeceptum doet Augustinus namelijk de suggestie zijn Regel een keer per week voor te lezen. Klaarblijkelijk gaat hij ervan uit dat de inhoud zo het beste wordt geinterioriseerd en van het hoofd naar het hart gaat. De constante herhaling van de richtlijn betreffende de terechtwijzing moet dus leiden tot een levenshouding, waarin het vermogen tot eerlijke confrontatie allengs gepaard gaat met de ontwikkeling van het talent om mild en vergevingsgezind te zijn. Augustinus moet hebben geweten dat het vermogen om anderen te confrontateren maar hen tegelijk ook vergevingsgezindheid te laten ervaren het gedrag van anderen te goede zou beïnvloeden. Hard controls zijn bij hem onlosmakelijk verbonden met de soft controls. De hard controls zijn vooral voor de beginners bestemd. Maar niemand is zo volmaakt, dat hij de richtlijnen niet meer wekelijks hoeft te horen. Wie meent te staan moet er vooral op toezien dat hij niet valt.