In de huiskamer van Gert

Auteur: Ad de Visser

Toen mij werd gevraagd om een stukje te schrijven over het afscheidssymposium van Prof. dr. G.J. van der Pijl heb ik direct toegezegd. Ik ken Gert al vele jaren en ik wilde op deze manier graag mijn erkentelijkheid tonen voor de vriendschap en steun die ik van hem heb mogen ontvangen. Wat ik me niet realiseerde was dat Gert zijn afscheid op een kenmerkende en bijzondere wijze had vormgegeven. Het begon er al mee dat de dagvoorzitter, Arno Nuijten, alle aanwezigen uitnodigde zich te verbeelden dat ze niet in de onlangs voor veel geld gerenoveerde en in esthetisch en technologisch opzicht schitterende collegezaal van de Erasmus Universiteit zaten, maar in de eenvoudige huiskamer van Gert. Maar zijn oproep om daarbij ook de schoenen maar uit te doen ging gelukkig iedereen te ver.

  • De gastsprekers waren door Gert speciaal uitgekozen vanwege hun vermogen op een bijzondere manier na te denken over IT auditing en zo – vanuit een vaak verrassend perspectief – tot nieuwe inzichten en verdieping op het vakgebied te komen. De sprekers hebben bovendien allen een positief kritische houding ten aanzien van de dominante beheersingsmodellen waarin (IT) auditors, professionele organisaties, toezichthouders, en het management van publieke en commerciële instellingen, vertrouwen blijven houden ondanks de vele recente gebeurtenissen die de tekortkomingen van de – verborgen – vooronderstellingen in deze modellen hebben aangetoond.

Zoals verwacht bleken de individuele bijdragen van de sprekers inderdaad goed aan te sluiten bij het slotbetoog van Gert.

  • Maarten Hage

    De eerste spreker was Maarten Hage, oud-promovendus van Gert en tegenwoordig partner bij CPI Governance en verbonden aan de postdoctorale opleiding Risk Management for Financial Institutions aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Maarten koos voor eenzelfde benadering als Santi destijds. Aan de hand van de vier beroemde muurschilderingen in de Stanza della Segnatura werd een aantal principes van corporate governance geduid, werden hieruit lessen getrokken en het belang van evenwicht en samenhang toegelicht. Het hoe en waarom van hedendaagse theorieën en modellen als de stakeholderbenadering, agency theorie en risicomanagement werden verklaard vanuit eeuwenoude schilderingen. Maar ook het belang van dialoog en constructief debat in organisaties, het nut van ethiek en de toepassing van kennis uit het vakgebied ‘behavioral economics’ kwamen aan de orde.

Wat duidelijk werd uit de bijdrage van Maarten was dat corporate governance in de praktijk vaak uitsluitend als een rationeel juridisch of economisch onderwerp gepresenteerd wordt. Organisaties bestaan echter uit groepen mensen die een gemeenschappelijk doel nastreven. Het lijkt daarom vanzelfsprekend om bij het besturen van deze samenwerkingsverbanden ook aandacht te hebben voor de mensen in de organisatie. De hedendaagse problemen in corporate governance zijn niet op te lossen enkel vanuit een technologisch perspectief. Er is een holistische benadering nodig waarbij ook de inzichten uit de gedragswetenschappen worden meegenomen.

Kunstenaars van alle tijden geven ons – middels hun werken – de mogelijkheid om de dagelijkse realiteit vanuit een ander perspectief te ervaren. Literatuur en beeldende kunst bevatten bovendien vaak wijze lessen over eigenschappen en gedrag van mensen. Maarten heeft ons op nieuwe manieren laten kijken naar corporate governance en daarbij handvatten gegeven om de besturing en interne beheersing van organisaties te verbeteren.  

  • De tweede spreker was Ed Vosselman, oud-collega van Gert en tegenwoordig hoogleraar Accounting aan de Nijmegen School of Management en hoogleraar Management Control aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

    Ed’s bijdrage was getiteld: ‘Accounting als vormgever van economische organisatietheorie’. Het werd echter al vrij snel duidelijk dat zijn betoog verder ging dan de titel deed vermoeden.

Het begon allemaal met de onschuldige vraag of accounting een goede reflectie geeft van wat er in organisaties is en wat er tot stand komt. Geeft accounting een zuiver beeld van de werkelijkheid, of dwingt het ons een beeld te construeren? Zoals te verwachten bleek dit een zuiver retorische vraag. Representatie en interventie (constructie) zijn volgens Ed niet te scheiden. Accountingregels geven weliswaar een 'werkelijkheid' weer, maar dit is het resultaat van toegepaste accountingregels. Eerst is er dus een idee, ideologie of theorie, daarna pas realiteit. Het gebruik van andere standaarden geeft een andere realiteit.

De wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend zegt daar in zijn bekende boek Against Method het volgende over: ‘Mensen proberen de overvloed aan informatie die permanent door de “werkelijkheid” over hen wordt uitgestort te structureren en te beheersen door gebruik te maken van aangeboren of aangeleerde vooronderstellingen. Die vooronderstellingen worden door het bewustzijn als het ware op de werkelijkheid geprojecteerd en als “feitelijk” daarin aanwezig gereflecteerd. Het op die manier gereduceerde wereldbeeld krijgt daardoor een gesloten karakter’.

Sinds een aantal decennia is het neoliberalisme een dominante ideologie in het Westerse denken dat gepaard gaat met het ontwikkelen van vooral economische perspectieven op de werkelijkheid. Het kapitalisme, de vrije markt, Balanced Score Cards en de kille – op Angelsaksische leest geschoeide – managementpraktijken zijn hier uitvloeisels van. We hebben de homo economicus gecreëerd, die zijn moraal en handelen vooral richt op de bevrediging van zijn behoeften op een efficiënte, rationele of logische wijze. Accounting is daarbij een mediator. Het bepaalt wat belangrijk wordt gevonden en wie belangrijk is of wat een succes of mislukking.

Dominante economische theorieën zoals de agency theorie en transaction cost theorie hebben een werkelijkheid geschapen waarin vertrouwen een zeldzaam goed is. Bovendien houden deze rationele theorieën vaak geen rekening met de complexiteit van sociale interacties tussen mensen of hebben hierover een wat naïeve voorstelling: Wat kan een principaal doen om het opportunisme van een agent te beheersen? Zet er een monitor op. Opgelost.

Concluderend stelde Ed nóg een retorische vraag: leidt het proces van vormgeving van de economische mens niet tot een sterkte verschraling van interactiepatronen met sluipende negatieve economische consequenties? Het antwoord volgde bijna onmiddellijk. Het is tijd dat men in de accountancy ook alternatieve theorieën gaat hanteren met een totaal andere invalshoek dan de huidige rationele economisch georiënteerde modellen. Alleen met een geschakeerd palet aan theorieën en modellen kunnen we hopen een betere wereld te creëren.  

  • De derde en tevens laatste gastspreker was Mark van Twist, een collega van Gert en hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit en decaan en bestuurder van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur.

    Mark had zijn bijdrage de titel ‘Het ongemak van weten: auditing voorbij de onschuld’ meegegeven. Het bleek uiteindelijk de meest filosofische bijdrage aan het symposium en begon, geheel in overeenstemming daarmee, met een gedachtenexperiment.

‘Hoe ruikt verandering?’ vroeg Mark zijn toehoorders. Even dacht ik daarbij aan de eerdere oproep van de dagvoorzitter, maar ontdekte al snel dat het niet eenvoudig was deze vraag te beantwoorden. Daar had Mark natuurlijk op gerekend.

Als economie- of bedrijfskundestudent krijgen een auditors een ‘talige’ opleiding. Men leert begrippen en concepten te gebruiken als governance, levers of control, satisficing, et cetera. Later, gedurende de wetenschappelijke beroepsopleidingen leert de auditor daarnaast een geheel eigen vaktaal. De vraag: ‘Hoe ruikt verandering?’ gaat voorbij aan de huidig beschikbare vaktaal van de auditor. Denken is pas mogelijk als je een taal hebt om je gedachten vorm te kunnen geven. Wellicht had de Oostenrijks-Britse filosoof Ludwig Wittgenstein dit in gedachten toen hij rond 1921 de historische woorden schreef: ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen’.

Taal is zeg maar, echt Mark zijn ding. Het idee dat je met taal de realiteit kunt aanschouwen maar deze ook kunt veranderen, vormt al sinds zijn dissertatie (Verbale vernieuwing, 1995) de rode draad in veel van zijn publicaties. Mark is steeds op zoek naar nieuwe taal, naar woorden en begrippen om ontwikkelingen in organisaties te beschrijven en te begrijpen.

Willen we als auditors het vakgebied verder ontwikkelen, en een paradigmashift realiseren, dan zit er niets anders op dan een nieuwe taal te creëren. Het onvermogen om dit vanuit de bestaande vaktaal te doen staat bekend als de paradox van professionalisering. Het aanleren van methoden en taal in een academische omgeving helpt de auditor bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden, maar zit soms ook in de weg. ‘Taal neemt je eerst bij de hand, maar als je niet uitkijkt, ook bij de neus’. Om werkelijk verandering te bewerkstelligen zal filosofische reflectie een plaats moeten krijgen in de opleiding en het vakgebied auditing.  

  • Aiditing overdracht; een postmodern perspectief

    En plots was toen het moment aangebroken waarvoor de meeste aanwezigen waren gekomen en met een enigszins dubbel gevoel naar hadden uitgekeken: de afscheidsrede van Gert van der Pijl, hoogleraar IT auditing van Erasmus School of Economics en programmadirecteur van de ESAA opleiding IT auditing. De titel van zijn voordracht was: ‘Auditing overdacht: een postmodern perspectief’.

Voor een aftredende hoogleraar vormt de openbare afscheidsrede een prima gelegenheid om de gedurende zijn academische carrière verzamelde kennis te consolideren, hierop vervolgens te reflecteren en daarna aanbevelingen te geven om door de komende generatie academici te laten uitwerken. En zo geschiedde.

Tijdens het college wetenschapsfilosofie leert een student dat het voor een onderzoeker erg belangrijk is te weten welke vooronderstellingen er in het denken aanwezig zijn omdat deze premissen de waarneming van de realiteit zullen beïnvloeden. Volgens Gert wordt het denken over organisaties al decennialang bepaald door de systeemtheorie, een positivistisch denkmodel dat uitgaat van een echt bestaande werkelijkheid met objectief waarneembare verschijnselen. Het is de taak van de onderzoeker om in deze werkelijkheid wetmatigheden te ontdekken. Karl Popper, een van de grootste wetenschapsfilosofen uit de 20e eeuw, schijnt ooit gezegd te hebben toen hij werd gevraagd om de essentie van het positivisme in een zin te duiden: ‘The world is all surface’.

De toepassing van de systeemtheorie in het besturen van organisaties heeft het optreden van deconfitures en andere fiasco’s niet weten te voorkomen. Volgens Gert is het daarom belangrijk ons denken los te maken van de starre wereld van het positivisme en te verkennen welke verrassingen een nieuwe manier van denken ons zou kunnen brengen. Ook Feyerabend, onder andere bekend door zijn lijfspreuk ‘anything goes’, vond het onverstandig om op voorhand de wetenschappelijke rationaliteit te beschouwen als de enige geldige verklarings- of oplosmethode (monisme) en vond dat de mogelijkheid om te kunnen kiezen uit meerdere, misschien beter toepasbare methoden (pluralisme) juist een veel grotere zorgvuldigheid, kennis van zaken, verantwoordelijkheid en discipline vereist.

Om te onderzoeken welke andere methoden er zijn om het functioneren van een organisatie te beschrijven zet Gert een andere bril op: een postmoderne. In deze wetenschapsfilosofische stroming neemt men aan dat het bestaan van een echte werkelijkheid onbewijsbaar is en bovendien niet objectief waar te nemen. De mens construeert beelden, mentale modellen van de werkelijkheid en baseert zijn handelen op deze modellen. Tijdens zijn zoektocht vindt Gert diverse bruikbare alternatieve theorieën zoals bijvoorbeeld Soft Systems Methodology. Onderzoek op het gebied van economische psychologie laat bovendien zien dat het menselijk gedrag in beslissingssituaties vaak beter te beschrijven is met andere modellen dan de normatieve modellen.

Maar het meest is Gert getroffen door het werk van Stacy (Complexity and Organizational Reality: Uncertainty and the Need to Rethink Management after the Collapse of Investment Capitalism). Stacy formuleert een theorie waarbij organisaties niet meer worden gezien als doelgerichte systemen, maar als patronen van interactie tussen mensen. De dynamiek van deze patronen wordt niet bepaald door vooraf geformuleerde doelstellingen van individuen of organisaties, maar door de interacties die binnen de organisatie plaatsvinden. Refererend aan de chaostheorie stelt Gert dat het op voorhand onvoorspelbaar is of veranderingen in complexe systemen als organisaties zullen leiden tot nieuwe evenwichten en hoe die evenwichten er dan uit zullen zien. Kleine veranderingen op het microniveau kunnen grote veranderingen in patronen op de hogere niveaus veroorzaken.

Tenslotte liet Gert zien dat de rol van de auditor regelmatig verandert doordat deze steeds opnieuw vorm krijgt door de dynamiek in organisaties en samenleving. De auditor dient zich te realiseren dat de abstracte modellen en raamwerken die hij hanteert een beperkte geldigheid hebben en steeds opnieuw moeten worden ingevuld en aangepast aan de concrete werkelijkheid van de dynamische interacties tussen alle betrokken partijen. Doordat rationele normering en oordeelsvorming in dergelijke situaties steeds moeilijker worden neemt het belang van professionele oordeelsvorming toe. En daarmee het belang van een goede scholing op postacademisch niveau, waarin de nadruk moet liggen op het toepassen van eerder verkregen kennis op concrete praktijksituaties.

Nabeschouwing

Het afscheidssymposium voor Gert van der Pijl heeft duidelijk gemaakt dat de invloed van het positivisme op het denken over organisaties niet moet worden onderschat. Het is een vaak onzichtbare kracht die toezichthouders, politici, beroepsorganisaties, management en auditors stuurt bij de inrichting, besturing en beoordeling van organisaties. Dat dit niet altijd tot successen leidt is inmiddels overduidelijk. Andere perspectieven, theorieën en denkmodellen zullen ons moeten helpen de inrichting en beheersing van organisaties te verbeteren. Maarten Hage liet ons zien dat oude kunstwerken wijze lessen bevatten voor het besturen van moderne organisaties. Ed Vosselman constateerde dat een verandering van de huidige dominante ideologie wenselijk is en dat we daarvoor gebruik moeten maken van alternatieve theorieën. Mark van Twist gaf aan dat we voor het realiseren van dergelijke veranderingen eerst een nieuwe taal moeten leren. En tenslotte liet Gert van der Pijl ons zien dat er vanuit een postmoderne invalshoek alternatieve theorieën gevonden kunnen worden die ons helpen de complexe systemen die organisaties zijn beter te begrijpen.

De wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend zei hierover al het volgende: ‘Alle methoden, zelfs de meest voor de hand liggende, hebben beperkingen. [...] Hoe kunnen we de aard van de wereld ontdekken die we veronderstellen? Het antwoord is duidelijk: we kunnen de wereld niet van binnenuit ontdekken, we hebben een externe kritische maatstaf nodig. We hebben een droomwereld nodig om de kenmerken van de echte wereld die we menen te bewonen te ontdekken’. Wellicht dat deze droomwereld gevonden kan worden door de suggesties op te volgen van de sprekers op dit symposium. Als we hierin slagen, had Gert zich geen mooier afscheidscadeau kunnen voorstellen.  

Ad de Visser

Ad de Visser is IT Audit Manager bij ABN AMRO en parttime docent aan de Erasmus Universiteit en Erasmus School of Accounting & Assurance. Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven en verscheen in het blad "De IT-Auditor" nr. 3 van 2013.