Dribbelen op drijfzand

Op de toppers na kunnen de meeste andere Belgische voetbalclubs de touwtjes steeds moeilijker aan elkaar knopen. De hoop, dat de Belgische voetbalclubs na de invoering van het licentiesysteem een min of meer stabiel bedrijfsmodel uit konden bouwen, werd de kop ingedrukt door de hoge spelerslonen, die als gevolg van buitenlands tv-geld de pan uit rijzen, en de competitiehervorming. 

Precies de helft van de ploegen die komend seizoen in de hoogste klasse (1A) aantreden, boekte in het boekjaar 2015-2016 een operationeel verlies. Alhoewel het verlies in twee jaar tijd fors is teruggedrongen, vreten de rode cijfers het eigenvermogen van de ploegen weg. Ook in de tweede afdeling van het profvoetbal (1B) is de toestand minstens zo erg, waar het eigen vermogen van de clubs na twee jaar nog een derde keer dieper in het rood dook. Thomas Peeters, universitair docent bij de capaciteitsgroep Toegepaste Economie van Erasmus School of Economics, wijst erop dat Belgische clubs, zeker in 1B, relatief goedkoop zijn. Peeters: ‘Door hun onzekere toekomst zijn ze bijna gratis te krijgen. Vaak gaan ze ook zelf actief op zoek naar overnemers. Toch hebben die ploegen wel een waarde, omdat de Belgische competitie een ideale opleidingscompetitie is.’


Publicatiedatum: 10 augustus 2017