Hoe gaan Latijns-Amerikaanse landen om met de groeiende aanwezigheid van China en India op de internationale markten?

In de Europese Unie zijn we ons zeer bewust van de groeiende rol van China en India op de internationale markten. Iedereen profiteert van de goedkope producten uit deze landen. Minder bekend is echter de invloed die de snelle economische groei van China en India het afgelopen decennium op andere ontwikkelingslanden heeft gehad.

Hoewel de grote behoefte aan grondstoffen die nodig zijn voor de sterk stijgende productie in China en India enerzijds de BNP-groei in ontwikkelingslanden een impuls heeft gegeven, heeft de toegenomen concurrentie in de productiesector voor vele binnenlandse producenten in deze landen tot problemen geleid.

Hierbij is de regio Latijns-Amerika met name interessant omdat veel landen in dit deel van de wereld zich al een groot aantal jaren in de ontwikkelingsfase bevinden die China en India nu bereiken.

Als men kijkt naar de beleidsdebatten in Latijns-Amerika, ziet men onmiddellijk dat de groei van China en India overal onderwerp van gesprek is. Er wordt met bewondering gekeken naar het succes van beide landen, maar men is tegelijkertijd bezorgd over het effect van de toenemende handel met China en India op de Latijns-Amerikaanse productiesector. De sectoren die het meest getroffen worden door de toenemende concurrentie van Aziatische giganten zijn de textiel-, kleding-, schoenen- en speelgoedsector.

Het resultaat is dat de nationale regeringen van landen als Brazilië, Argentinië en Mexico door protectionistische lobby’s onder druk worden gezet om nieuwe maatregelen te nemen ter bescherming van de binnenlandse markt. Hierbij is van belang dat in veel Latijns-Amerikaanse landen de prijslimieten die zijn overeengekomen in het handelsoverleg met de GATT en de WTO, veel hoger liggen dan de prijzen die daadwerkelijk worden gehanteerd. Hierdoor hebben regeringen extra speelruimte om hun handelspolitiek te wijzigen zonder de verplichtingen aan de GATT en de WTO te schenden.

In een artikel dat binnenkort verschijnt in de World Bank Economic Review1, heb ik samen met mijn co-auteurs onderzocht wat er tussen 1992 en 2004 is veranderd in de handelspolitiek van Latijns-Amerikaanse landen, en hebben we gekeken naar de factoren die ten grondslag liggen aan beleidswijzigingen in deze regio.

Allereerst is er het volgende belangrijke feit: in de jaren negentig en in de eerste jaren van het nieuwe millennium zijn er in Latijns-Amerika hoge barrières geweest voor de import uit China en India. We hebben met name aangetoond dat prijsgerelateerde en niet-prijsgerelateerde barrières voor producten die voornamelijk uit China en India geïmporteerd werden, gemiddeld hoger waren dan voor import uit de rest van de wereld. Het empirische bewijs duidt er ook op dat dit hoofdzakelijk betrekking heeft op de Chinese import, terwijl de handelspolitiek ten aanzien van India minder eenzijdig is. Dit geldt voor alle subregio’s in Latijns-Amerika, behalve Centraal-Amerika. Hier is sprake van minder bescherming tegen zowel de Chinese als de Indiase import.

Wat zijn de factoren die hieraan ten grondslag liggen?

Twee factoren spelen een sleutelrol. Ten eerste zijn de producten geïmporteerd uit China en India in grotere mate vervangingsproducten voor de binnenlandse producten in Latijns-Amerika dan producten uit de rest van de wereld. Dit betekent bijvoorbeeld dat de concurrentie van een Chinese speelgoedfabrikant op de Latijns-Amerikaanse markt gemiddeld groter is dan de concurrentie van een Duitse speelgoedproducent. Ten tweede is bescherming in Latijns-Amerika "te koop". Dat wil zeggen dat georganiseerde groepen in staat zijn om meer bescherming voor hun sectoren te verkrijgen. En de bescherming neemt toe naarmate de vervangbaarheid van binnenlandse producten door geïmporteerde goederen groter wordt.

Wat zijn de implicaties van deze analyse voor het beleid? Onze analyse wijst uit dat zolang de mate van vervangbaarheid van goederen een belangrijke rol speelt bij het reguleren van de concurrentie op de binnenlandse markt, ontwikkelde economieën in staat zullen zijn om te profiteren van de groeiende aanwezigheid van China en India op de wereldmarkt als goedkope leveranciers van productiegoederen. Chinese en Indiase goederen zijn in het algemeen slechts gebrekkige vervangers van binnenlandse producten van ontwikkelde economieën. Dit zal protectionistische krachten in rijke landen op afstand houden. Daarentegen zullen deze krachten aanzienlijk sterker zijn in middeninkomenslanden, waarvan de binnenlandse industrie meer te duchten heeft van de Chinese en Indiase concurrentie.

Hoe kan een opleving van protectionisme worden voorkomen? Er zijn nieuwe regels nodig om de speelruimte te beperken van ontwikkelingslanden om hun handelsbeleid uit voeren binnen de GATT/WTO-regels. De bestaande prijslimieten zouden ook voor hun verlaagd moeten worden om te zorgen voor een vrije(re) handelspolitiek. Ook zou er speciale aandacht moeten zijn voor andere soorten niet-prijsgerelateerde restricties, zoals anti-dumpingrechten. Deze worden steeds vaker ingezet.2 Gebeurt dit niet, dan zullen steeds meer landen het risico lopen dat ze buiten de boot van de internationale handel vallen, en de ruime opbrengsten die ze tot dusverre hebben behaald vaarwel moeten zeggen.

1 Giovanni Facchini, Marcelo Olarreaga, Peri Silva en Gerald Willmann (2010) “Substitutability and Protectionism: Latin America's Trade Policy and Imports from China and India”, verschijnt binnenkort in de World Bank Economic Review.

2 Zie Chad Bown (2010) ”China's WTO Entry: Antidumping, Safeguards, and Dispute Settlement." In China's Growing Role in World Trade, ed. S.-J.Wei and R. Feenstra. Chicago, Ill.: University of Chicago Press.


Publicatiedatum: 11 juni 2010