Opleiding

Deze master is een op maat gesneden programma met een interactief onderwijsmodel en online componenten met colleges op vrijdag. De master is bedoeld voor professionals in de gezondheidszorg, verzekeringsbranche en onderwijs of zelfstandigen met minimaal 3 jaar relevante werkervaring en een geschikte vooropleiding. Aan de parttime master gaat een voorbereidingsprogramma vooraf.

Bijzonderheden

  • Deze master wordt alleen in deeltijd aangeboden;
  • Instroom kan alleen plaatsvinden per 1 januari
  • Voor het gehele onderwijsprogramma geldt een aanwezigheidsplicht;
  • Vanwege de samenstelling en de inhoud van het masterprogramma worden geen vrijstellingen verleend.

  •  

    Het vak Hoofdlijnen van Bio-ethiek & Gezondheidsrecht biedt een inleiding van de uitgangspunten van de bio-ethiek en het gezondheidsrecht (inclusief patiëntenrechten). Daarnaast beoogt het de deelnemers te trainen in het opzoeken van gezondheidsrechtelijk relevante bronnen. Vervolgens zullen zij zich een mening moeten vormen over de inhoud van dergelijke bronnen, en die mening ten overstaan van mededeelnemers en docenten mondeling moeten kunnen vertolken (peer review, video presentaties).

    Ten slotte richt het blok zich op het ontwikkelen van schriftelijke vaardigheden in de vorm van essays. Het bepalen van een standpunt en het verwoorden daarvan (alsook het toegang verkrijgen tot de juiste bronnen), zijn onontbeerlijk voor het schrijven van een goed pleidooi en het worden van een goede jurist, advocaat of rechter.

    Naast de introductie van de gezondheidsrechtelijke uitgangspunten is dit vak een onderzoeks- en vaardighedenvak dat van iedere deelnemer veel inzet vergt. Juist omdat de deelnemers van elkaars inbreng kunnen/moeten leren, is ieders actieve participatie en betrokkenheid cruciaal voor optimalisatie van het collectieve leerrendement. Deelname aan de verschillende interactieve onderwijsvormen is niet verplicht maar wordt wel sterk aanbevolen. In het definitieve vakplan vinden de deelnemers zowel praktische informatie over het vak als specifieke aanwijzingen voor het maken van de schriftelijke opdrachten en voor het houden van een online presentatie

    In dit vak vindt verdieping plaats van het zorgverleningsrecht: de ethische beginselen en regelgeving die de verhouding zorgaanbieder (hulpverlener) en zorgvrager (patiënt) normeren. Aandacht wordt besteed aan patiëntenrechten ('informed consent', beroepsgeheim, etc.), medische aansprakelijkheid, rechten van bijzondere patiëntencategorieën (psychiatrische patiënten, gedetineerden, proefpersonen, terminaal zieken, etc.), medisch tuchtrecht, klachtrecht en cliëntenparticipatie. Daarnaast wordt stilgestaan bij de taken en bevoegdheden van de verschillende toezichthouders, in het bijzonder die van de Inspectie voor Gezondheidszorg & Jeugd (IGJ). Het zorgverleningsrecht houdt zich bezig met onder meer de rechten van patiënten, het medisch beroepsgeheim, de kwaliteit & veiligheid van zorg, het klacht- & tuchtrecht enz. Wetten als de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO), de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG), de Wet Kwaliteit, Klachten & Geschillen Zorg (WKKGZ), de Wet Zorg & Dwang (WZD), en de Wet verplichte Geestelijke Gezondheidszorg (WvGGZ) zijn hierbij richtinggevend en normerend

    In Kwaliteit van Zorg & Medische aansprakelijkheid stond het zorgverleningsrecht centraal. In Zorgstelsel: Inrichting, Financiering, Werking & Zorgverzekeringsrecht bezien we de andere zijden van de driehoek: het zorgverzekeringsrecht en vooral het zorgfinancieringsrecht.  Aandacht wordt besteed aan planwetgeving, mededinging in de zorg, inkoop van zorg (incl. aanbesteding) en zorgverzekering. Daarnaast wordt stilgestaan bij de taken en bevoegdheden van de verschillende toezichthouders, in het bijzonder de Autoriteit Consument en Markt (ACM), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het Zorginstituut Nederland (ZiN). Naast de taken en de bevoegdheden van deze toezichthouders komen verder ook de organisatie, het bestuur en het toezicht van zorgverzekeraars aan de orde. In welke rechtsvorm moeten de activiteiten van zorgverzekeraars plaatsvinden en welke eisen worden gesteld aan bestuurders en commissarissen van zorgverzekeraars. Daarnaast is er aandacht voor de invloed van verzekerden op het beleid van zorgverzekeraars.

    Zorginstellingen zijn door een aantal incidenten in de zorg en (bijna) faillissementen die de krant hebben gehaald in de maatschappelijke belangstelling komen te staan. De vraag was bij deze incidenten, was de kwaliteit van zorg voldoende en bij de (bijna) faillissementen was de vraag, gingen sommige zorginstellingen niet al te grote projecten aan. Met name de bestuurders zijn onder vuur komen liggen en het toezicht dat daarop is gehouden. Denk bijvoorbeeld aan Medisch Spectrum Twente (medicijnverslaafde neuroloog), de Klebsiella-bacterie in het Maasstadziekenhuis en de teloorgang van het Meavita-concern. In dit vak vindt verdieping plaats van de organisatie van de zorginstellingen: hoe is het bestuur en het toezicht binnen een zorginstelling genormeerd.

    De volgende vragen spelen daarbij een rol: Welke eisen worden gesteld aan de bestuursmodellen? Wat is de taak van het bestuur en het toezicht binnen zorginstellingen? Wie benoemt dan wel ontslaat de bestuurders en toezichthouders? Wanneer kunnen bestuurders en toezichthouders aansprakelijkheid worden gesteld? Daarnaast wordt aandacht besteed aan de zeer uiteenlopende relaties waarmee mensen aan deze zorginstellingen verbonden zijn, variërend van hoogopgeleide, vrijgevestigde medisch specialisten tot uitzendkrachten werkzaam in de schoonmaak. Bovendien wordt stilgestaan bij de bevoegdheden van cliëntenraden en ondernemingsraden (medezeggenschap), met name staat de vraag centraal hoe deze raden invloed op het (bestuurs)beleid van de zorginstelling kunnen uitoefenen.

    Naast Boek 2 en 7A BW zijn wet- en regelgeving zoals de WTZi (Wet toelating zorginstellingen) het Uitvoeringsbesluit WTZi, de Regeling Verslaggeving WTZi, de WNT (Wet normering topinkomens), de Wmcz (Wet medezeggenschap cliëntenraden zorg), de WOR (Wet op de Ondernemingsraden) als de Governancecode Zorg hierbij richtinggevend en normerend.

    Geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en vaccins staan maatschappelijk in de schijnwerpers. Een steeds groter deel in van de zorguitgaven gaat op aan dure, innovatieve (wees)geneesmiddelen. Daardoor blijft relatief minder budget beschikbaar voor andere medisch noodzakelijke zorg. Farmaceutische bedrijven (b)lijken doof voor maatschappelijke kritiek dat zij hun levensreddende medicijnen verkopen voor belachelijk hoge prijzen. Op hun beurt betichten zij de overheid ervan dit in de hand te werken met haar (preferentie)beleid om andere medicijnprijzen juist tot een minimum te drukken.

    De groeiende geneesmiddelentekorten in Nederland zouden daarop terug te voeren zijn. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn & Sport (VWS), Zorginstituut Nederland (ZiN), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) bezinnen zich op (aanpassing van bestaande) wet- & regelgeving om de toegang tot farmaceutische zorg te borgen. Op het gebied van (de veiligheid van) medische hulpmiddelen wordt medio 2020 de nieuwe Europese Verordening ‘Medical Device Regulation’ van kracht, waardoor zij in alle EU-landen aan dezelfde eisen moeten voldoen. Sinds in 2018 uit internationaal onderzoek onder de naam ‘Implant Files’ bleek dat door gebrekkig overheidstoezicht ernstige bijwerkingen van onder andere implantaten onopgemerkt en onbestraft bleven, is strengere regelgeving en scherper (overheids)toezicht onvermijdelijk om het maatschappelijk vertrouwen in hun veiligheid en betrouwbaarheid te herstellen.

    Bij vaccins doet zich een omgekeerde situatie voor. Hun betrouwbaarheid, veiligheid en effectiviteit zijn wetenschappelijk nagenoeg onomstreden, maar door onvolledige en/of onjuiste berichtgeving in en door de media bestaat daarover groeiende maatschappelijke twijfel. Hier bezint de overheid zich niet op een strengere aanpak van farmaceutische bedrijven maar op juridisch verstrekkende maatregelen om de vaccinatiegraad onder de doelgroepen (m.n. kinderen jonger dan 12 jaar) te vergroten. In dit blok wordt in dit kader uitgebreid ingegaan op de voor de zorgpraktijk relevante wet- en regelgeving rond geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en vaccins.

    Praktijkgericht juridisch onderzoek impliceert een planmatig en methodisch verlopend proces, dat gericht is op de beantwoording van een vraag om hiermee een probleem of knelpunt op te lossen. Planmatigheid betekent werken volgens een van te voren bedacht plan, waarin de werkzaamheden in opeenvolgende fasen geordend zijn. Methodisch houdt in werkwijzen, die min of meer volgens een in de rechtswetenschap erkend patroon verlopen. Een planmatige en methodische werkwijze is een noodzakelijke voorwaarde voor het slagen van het onderzoek.

    Tot de kern van ieder onderzoeksplan behoren in principe:

    • een probleemanalyse, waarin de maatschappelijke of theoretische problematiek wordt geschetst die men wil (helpen) oplossen of wil (helpen) verbeteren en die als zodanig de aanleiding vormt van het onderzoek.
    • de weergave van een probleemstelling, die bestaat uit achtereenvolgens de formulering van een centrale vraagstelling en de verantwoording/rechtvaardiging hiervan. In de vraagstelling wordt aangegeven welke kennis nodig is om de beschreven problematiek op te lossen. De verantwoording richt zich op wat en hoe de beantwoording van de vraagstelling (het onderzoek) bijdraagt aan de oplossing of verbetering van de problematiek.
    • de opstelling van deelvragen of onderzoeksvragen, afgeleid uit de centrale vraagstelling.

    • de vaststelling van de te hanteren onderzoeksmethoden, met behulp waarvan de onderzoeker de informatie verkrijgt en bewerkt om de vraagstelling te beantwoorden.

    Dit blok richt zich op het opfrissen, verbeteren/verdiepen van de in vorige blokken opgedane (theoretische) kennis over juridische onderzoeksmethoden en (praktische) vaardigheden met betrekking tot het dienovereenkomstig uitwerken van een onderzoeksplan.

    De scriptie is het afstudeerwerkstuk van de Executive Master ‘Recht van de Gezondheidszorg’. Het is een proeve van bekwaamheid in het zelfstandig verrichten van gezondheidsrechtelijk onderzoek en in de verslaglegging daarvan.