Onderzoek

Current facets (Pre-Master)

De Rotterdamse School

Het onderzoek van de sectie arbeidsrecht betreft de bijzondere aard van dit rechtsgebied, met name bezien vanuit het vermogensrecht. Dit onderzoek dat al jarenlang speerpunt van het sectieonderzoek is, wordt ook wel het onderzoek van ‘de Rotterdamse school’ genoemd. Centraal thema is dat het arbeidsrecht een eigenstandig dan wel eigenaardig rechtsgebied is, op grond waarvan doorwerking van de regels van het vermogensrecht geen regel maar uitzondering moet zijn. De twee oraties van de twee huidige hoogleraren – Loonstra (2000) en Houweling (2012) – getuigen van deze benadering. Vele publicaties zijn rondom dit thema verschenen en hebben geleid tot pleidooien voor invoering van bijvoorbeeld een (afzonderlijke) arbeidsrechter en een wetboek van de arbeid. Onder supervisie van de twee hoogleraren zijn sedert 1999 tal van proefschriften verdedigd op dit onderzoeksterrein. Thans werkt een aantal promovendi aan onderwerpen die eveneens met deze thematiek van doen hebben. Zo verricht mr. P.M.L. Schneider dissertatieonderzoek naar de systematiek van arbeidsrechtelijke bedingen en zet deze af tegen onder meer het vermogensrecht. Enkele buitenpromovendi houden zich met soortgelijk onderzoek bezig.

De eigenstandigheid van het arbeidsrecht

Het bijzondere van het arbeidsrecht roept ook vragen op naar de uniformiteit van het rechtsgebied. Dient er sprake te zijn van een voor alle arbeidsverhoudingen gelijk geldend arbeidsrecht of is er aanleiding voor bepaalde groepen werkenden bijzondere regels uit te vaardigen of in stand te houden? Het fundament voor systematisch onderzoek naar de rechtvaardiging en toekomst van bijzondere arbeidsverhoudingen of uniform arbeidsrecht, is in 2012 door prof. mr. A.R. Houweling en mr.dr. G.W. van der Voet gelegd met de verschijning van hun onderzoek ‘Bijzondere arbeidsverhoudingen’. Ook in de context van Bijzondere arbeidsverhoudingen wordt dissertatieonderzoek verricht, onder meer door mr. dr. E. van Vliet die de rechtsbescherming van werknemers in het bijzonder onderwijs in het kader van de werkzaamheden van de commissies van beroep als onderwerp had. Soortgelijk onderzoek wordt eveneens door enkele buitenpromovendi verricht, zoals mr. E.F.V. Boot die de arbeidsrechtelijke verhouding van de zeevarende onderzoekt.

Leerstoel ‘Grondslagen modern Arbeidsrecht’ en wisselleerstoel ‘Bijzondere arbeidsverhoudingen’

Het onderzoek van deze loot aan de stam is gefundeerd door de instelling van een wisselleerstoel Bijzondere arbeidsverhoudingen eind 2013. Deze leerstoel zal periodiek (om de twee jaar) door een absolute coryfee op het terrein van het arbeidsrecht worden bekleed, met als bijzondere leeropdracht een van de vele ‘bijzondere arbeidsverhoudingen’ nader te onderzoeken. De eerste leerstoelhouder is mr. R.A.A. Duk. De eigenstandigheid van het arbeidsrecht en de plaats die de bijzondere arbeidsverhoudingen daarbinnen hebben, laten onverlet de vraag of het arbeidsrecht, dat stamt uit het begin van de 20e eeuw, in de 21e eeuw nog steeds voldoet. De arbeider uit 1907 is immers volstrekt niet te vergelijken met de medewerker uit 2013. Bovendien heeft de arbeidsmarkt ontwikkelingen laten zien die als revolutionair kunnen worden bestempeld (neem bijvoorbeeld de enorme aanwas van kleine zelfstandigen, de ZZP’er). Teneinde ook deze vraag binnen het sectieonderzoek een plaats te geven, is in 2011 de leerstoel ‘Grondslagen van een modern arbeidsrecht’ ingesteld, die door prof. mr. A.R. Houweling wordt bekleed.

Onderzoeksmethodiek

Onderzoeksvragen over het eigenstandige karakter van het arbeidsrecht worden op twee manieren binnen de sectie arbeidsrecht beantwoord. In de eerste plaats op basis van de traditionele juridische benadering van inventarisatie en weging van argumenten genoemd in wetgeving, rechtspraak en literatuur. In de tweede plaats met behulp van het verrichten van empirisch onderzoek, hetgeen in de meeste gevallen betekent: het doen van archiefonderzoek van niet-gepubliceerde rechtspraak. Het dissertatieonderzoek van mr. dr. P. Kruit (2012) was daarvan een voorbeeld, evenals het onderzoek van Van Vliet.