20 jaar discussie over iconische stadsprojecten in woord en beeld

Erasmusbrug, Rotterdam
Erasmusbrug, Rotterdam

Dit najaar bestaat de Erasmusbrug, de aanjager voor de ontwikkeling van de Rotterdamse Kop van Zuid, twintig jaar. Tevens verscheen onlangs de architectuurfilm Betoog en Beton, die volle zalen heeft getrokken in Almere, Eindhoven en recent in Rotterdam. Op 11 oktober organiseerde de Master City Developer een publieksavond met de vertoning van de film en lezingen van Riek Bakker, Sjoerd Soeters en Wouter Jan Verheul. De film en sprekers gingen in op enkele relevante vragen omtrent iconische stadsprojecten: Wat hebben de nieuwe stadsiconen ons opgeleverd? Waarom zou je dure prestigeprojecten bouwen? En zijn ze verankerd in de identiteit en het stedelijk weefsel van de stad, of vooral een commercieel speeltje om toeristen te trekken?

Betoog en Beton

De film ‘Betoog en Beton’ begint met sferische beelden van markante architectuurprojecten. Alsof we vlak langs, boven en door gebouwen kunnen vliegen. Het nieuwe Centraal Station en de Markthal in Rotterdam, Tivoli in Utrecht, het Eye Museum in Amsterdam, het Zaanse Inverdan. We zien glas en staal, organische vormen en geometrische structuren. Het gekozen perspectief brengt de kijker in dialoog met architectuur: wat willen deze gebouwen ons zeggen? Gaat het vooral om extravagante vormwil van ontwerpers? Of dragen ze bij aan een andere manier van kijken naar de plek waar ze staan; aan een ander stedelijk imago en identiteit? 

De Erasmusbrug in Rotterdam of het Guggenheim Museum in Bilbao hebben zichtbaar effect gehad op de aantrekkingskracht van de steden waar ze staan. Dergelijke successen hebben andere steden geïnspireerd om met beeldbepalende architectuurprojecten hun identiteit te definiëren. Voor filmmaker Hans Busstra, die regelmatig documentaires regisseert voor VPRO Tegenlicht, reden om de documentaire Betoog en Beton te maken: ‘Discussies rond controversiële bouwprojecten gaan vaak over politieke en financiële debacles, maar deze film gaat ook over de veranderende identiteit van de stad, want iconen vertellen ons wie we zijn’.

De documentaire brengt verhalen rond iconische stadsprojecten in beeld. Aan het woord komen onder anderen de architecten en Rijksbouwmeesters Floris Alkemade en Jo Coenen en de (oud)wethouders Adri Duivesteijn en Mary-Ann Schreurs. Maar ook gebruikers en voorbijgangers die de dialoog met de gebouwde omgeving aangaan. Al snel wordt duidelijk dat bezoekersstromen zijn te beïnvloeden door architectuur en stedenbouw, maar dat over de betekenis van de gebouwen heel verschillend wordt gedacht.

 

Commercieel speeltje?

De film zoomt vooral in op twee steden die met hun identiteit worstelden en moderne architectuur hebben ingezet om de stad te herdefiniëren: Almere en Eindhoven. Te zien is hoe de Italiaanse sterarchitect Fuksas zijn ideeën om het Eindhovense 18 Septemberplein radicaal te vernieuwen met blo-vormige architectuur verkoopt aan het stadsbestuur. Ook te zien is hoe de Eindhovense erfgoedstichting zich daar fel tegen verzet. De film prikkelt vooral als architect Jo Coenen aan het woord komt, bekend van onder meer de OBA in Amsterdam, Tivoli in Utrecht en het OCC Theater in Den Haag, waarvoor het danstheater en de concertzaal van Rem Koolhaas moesten wijken. Coenen hekelt de drang van stadsbestuurders en projectontwikkelaars om voortdurend nieuwe iconische stadsprojecten te willen ontwikkelen. Volgens Coenen een commerciële zucht die uiteindelijk heeft geleid tot miljoenen vierkante meters leegstaand vastgoed. Coenen wil het er eigenlijk liever niet over hebben. Maar de filmmakers vragen door en dat leidt bij Coenen tot een openhartige bekentenis: ook hij is in dit spel meegegaan en heeft er zelfs wakker van gelegen: ‘Ik had moeilijke nachten… Voor wie werk ik eigenlijk? Is dat voor de stad? Of voor iemands tweede jacht…?’

Het ongemak van Jo Coenen wordt in de film ook benoemd door Rijksbouwmeester Floris Alkemade en architectuurhistoricus Michelle Provoost. ‘Iedere stad wil een emblematisch gebouw. En welke architect wil dat nu niet, een herkenbaar, iconisch gebouw maken…?’, stelt de Rijksbouwmeester. Michelle Provoost vult aan: ‘Architectuur wordt ingezet als attractie om toeristen te trekken. Maar daarmee loop je het risico dat het na 15 jaar weer voorbij wordt gestreefd. En wat doe je dan?’,

Volgens Floris Alkemade is de architectuurwereld door de crisis murw geslagen en is er te weinig debat. Terwijl er volgens de Rijksbouwmeester juist debat moet zijn over wat hun projecten betekenen, zeker nu de bouw weer aantrekt. Aan dat debat wil de film Betoog en Beton bijdragen. Toch is de film niet alleen bedoeld voor vakbeoefenaars. Filmmaker Hans Busstra: ‘Architectuur is de meest aanwezige kunstvorm die er is. Maar op school wordt er in tegenstelling tot muziek, theater of beeldende kunst niet in onderwezen. Er zou meer gedaan moeten worden om architectuur te leren lezen’.

Geen maakbaarheid maar haakbaarheid

In de aansluitende lezing van Wouter Jan Verheul (onderzoeker en docent aan de TU Delft en programmaleider van de Master City Developer) wordt gewaarschuwd voor een al te groot maakbaarheidsgeloof achter iconische stadsprojecten. Prestigeobjecten kunnen de stad op de kaart zetten. Ze hebben ansichtkaartwaarde en kunnen veel toeristen trekken en goede PR opleveren, zoals Rotterdam de afgelopen jaren heeft laten zien met grootse gebouwen en hoge scores in de toeristenlijstjes. Maar of iets een icoon wordt bepaalt het grote publiek en niet de ontwerper, ontwikkelaar of stadsbestuurder, aldus Verheul.

De projecten die Verheul voor zijn boek Stedelijke Iconen onderzocht zijn bijna allemaal anders geworden dan vooraf bedacht. Meest markante voorbeeld is het half-afgebouwde Kasteel van Almere; een moderne ruïne die als symbool voor het maakbaarheidsdenken kan worden gezien. Verheul waarschuwt voor prestigeprojecten die als een UFO neerdalen in de stad; autistische projecten die geen relatie hebben met de omgeving. Van belang zijn volgens Verheul twee zaken: ‘Kies in plaats van maakbaarheid voor haakbaarheid; zoek naar verankering in de ruimtelijke, sociale en economische kenmerken van de plek. En werk daarnaast aan een strategie hoe een gebouw precies als een aanjager moet gaan werken voor de ontwikkeling van een omliggend gebied’.

De Erasmusbrug als aanjager

Verheuls duiding van de film vormt de opmaat voor de lezing van de grande dame van de stedenbouw: Riek Bakker. Op beeldende wijze vertelt Riek Bakker over de totstandkoming van de Erasmusbrug. ‘In ’86 werd ik gevraagd om hier in Rotterdam eens te komen praten om directeur stadsontwikkeling te worden. De kaart van Rotterdam was bezaaid met een enorme hoeveelheid stippen, allemaal projecten. De ene stip had geld, de andere niet, maar alles viel onder stadsontwikkeling. Die stippen hebben we teruggebracht naar zo’n 30 stuks en dat aantal is uiteindelijk gereduceerd tot 5. Een van de conclusies was dat Rotterdam-Zuid moest worden verbonden met de rest van de stad. En dat kon alleen maar met een brug, een metrostation onder die brug en een tram’.

Riek Bakker vervolgt haar verhaal doorspekt met anekdotes over de cultuur van de stad, de afdeling stedenbouw en de personen die zij op haar weg tegenkwam, zoals burgemeester Bram Peper, ambtelijk secretaris Pim Fortuyn, minister-president Ruud Lubbers en minister Hanja Mai-Weggen. ‘We hebben eerst de stad bekeken, uitgezocht wat nodig was om alle delen van de stad bij Rotterdam met elkaar te verbinden. Wat was er goed? Wat moest er veranderen? We begonnen met participatie, we zijn naar de mensen toegegaan en hebben naar hun verhalen geluisterd. Wat willen jullie, wat willen jullie niet? Daar zijn heel wat huisbezoeken in gaan zitten. Het zijn hartstikke aardige mensen op Zuid, waar bewoners van Noord nooit mee spraken. Je moet de bewoners van de stad meekrijgen, daar bouw je voor. Vervolgens zijn we met maquettes bij het kabinet langs gegaan want er moest geld bij. Ik ben gaan pleiten voor twee bruggen, want ik dacht: als ik om een brug vraag, dan krijg ik er geen, maar als ik om twee bruggen vraag, dan krijg ik er wel een! Hanja Mai-Weggen vond de maquette van Ben van Berkel prachtig en zei: “ik wil die zwaan!”. Ook het Rotterdamse stadsbestuur liet zich overtuigen door de plannen achter de Erasmusbrug en de Kop van Zuid’.

Voor Riek Bakker was de brug geen icoon ontwikkeld vanaf de tekentafel. ‘We wilden niet een icoon maken, dat is het pas later geworden. De focus op een enkel icoon is ook verkeerd. Net als nu de discussie over een derde stadsbrug. Want waar het om gaat, is een gebiedsvisie. De Kop van Zuid was een plan dat veel verder ging dan de brug en verder dan de Wilhelminapier. De brug was slechts een aanjager om een groot deel van Rotterdam-Zuid tot ontwikkeling te brengen’.

Gebruik je lokale DNA in stedelijke projecten

Verheul laat beelden zien van iconische gebouwen in verschillende steden en vertelt de verhalen over de doelen, plannen, schulden en mislukkingen. ‘Architecten vliegen de hele wereld over om iconische gebouwen neer te zetten. Door de globalisering en het kopieergedrag verdwijnen lokale identiteiten. Overal ter wereld is de gebouwde omgeving steeds meer op elkaar gaan lijken’, aldus Verheul. ‘Gelukkig is er ook een tegenbeweging gaande, die ook wel glocalisering wordt genoemd. Kijk maar naar onze voedselvoorkeuren. We zijn steeds internationaler gaan eten, maar tegelijkertijd waarderen we het verhaal achter producten, het verhaal van de maker en de plek van herkomst. Zo begint er ook meer waardering te ontstaan voor architectuur met een lokaal verhaal’.

Iemand die zich hard maakt voor het koesteren van lokale identiteit en gebruik maken van het lokale DNA in architectuur en stedenbouw is Sjoerd Soeters. Bij zijn plannen voor het nieuwe stadshart in Zaanstad heeft Soeters de lokale identiteit van de stad prominent meegenomen in zijn ontwerp. Het plan gebaseerd op de geschiedenis van de stad en de groene planken van de Zaanse Schans transformeerde de troosteloze binnenstad tot een bruisend centrum. ‘In Italiaanse stadjes waarderen we de lokale architectuurtradities, maar op de Zaanse bouwcultuur werd neergekeken. Dat heb ik willen veranderen. Je moet je lokale DNA koesteren en rekening houden met het weefsel van de stad.’ Als voorbeeld van hoe het volgens hem niet moet, laat Soeters beelden zien van hoe Le Corbusier delen van Parijs op de schop wilde nemen om een scheiding van wonen, werken en recreatie te realiseren. Grote gebouwen als eilanden in oneindige openbare ruimtes, met weinig mensen. ‘Terwijl juist het aantal mensen per vierkante meter het succes van een stad bepalen. Zorg voor een compacte openbare ruimte waar binnen- en buitenruimtes met elkaar verbonden zijn.’ Met een warm pleidooi om niet zozeer te focussen op enkele gebouwen maar op de kwaliteit van de publieke ruimte, sluit Soeters de avond af.

Meer informatie

Meer weten over de governance van stedelijke ontwikkelingsprojecten en gebiedsontwikkeling? Volg de MCD module ‘Urban Governance. Over netwerken en allianties’ met inspirerende hoogleraren, praktijkdocenten en veldbezoeken.
De film Betoog en Beton wordt komend jaar in diverse steden vertoond, waaronder 8 november aanstaande in Pakhuis de Zwijger Amsterdam. Zie ook de filmtrailer.