Bezwaren aan afnemen en bewaren van DNA van in verzekering gestelde verdachten

Bezwaren aan afnemen en bewaren van DNA van in verzekering

Onderzoekers van de sectie Strafrecht van Erasmus School of Law hebben onlangs, op verzoek van de minister van Veiligheid en Justitie, onderzoek verricht naar de juridische houdbaarheid van het afnemen en bewaren van celmateriaal van verdachten voorafgaand aan de veroordeling. Het onderzoek is verricht naar aanleiding van een aanbeveling van de Commissie Hoekstra, die werd ingesteld om de gang van zaken rondom de zaak Bart van U. te onderzoeken.

Eén van de aanbevelingen die de commissie deed ter verbetering van de uitvoering van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, betreft het afnemen van celmateriaal bij alle in verzekering gestelde verdachten. Onderzoekers van de afdeling Strafrecht van Erasmus School of Law, onder leiding van prof. mr. P.A.M. Mevis, deden onderzoek naar de juridische houdbaarheid van deze aanbeveling door middel van toetsing aan diverse grond- en mensenrechten, uitgangspunten van de strafvordering en regels van gegevensbescherming alsmede door middel van vergelijking met het recht van Duitsland, Frankrijk, Engeland en Wales.

Het onderzoek vormde tevens de opmaat voor een privacy impact analyse met betrekking tot de aanbeveling van de Commissie Hoekstra. De onderzoekers concluderen dat er bezwaren kleven aan het afnemen en bewaren van celmateriaal van alle in verzekering gestelde verdachten en dat de aanbeveling daarmee juridisch “nauwelijks houdbaar” is. Het uitvoeren van deze aanbeveling, zo stellen de onderzoekers, zou onder meer in strijd kunnen komen met de privacybepaling uit het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in het bijzonder omdat de aanbeveling niet “necessary in a democratic society” is, zoals artikel 8 vereist.

Meer informatie
Rijksoverheid (hier kan ook het rapport worden geraadpleegd)
NJB