Kritische kanttekeningen bij stoornisconcept in strafrecht

Kritische kanttekeningen bij stoornisconcept in strafrecht

Voor het begrijpen, verklaren en voorspellen van delictgedrag biedt het stoornisconcept onvoldoende aanknopingspunten, maar het strafrecht gaat nog steeds uit van een causaal verband. Dat stelt jurist Maarten Beukers in zijn proefschrift ‘Over de grenzen van de stoornis’. Het stoornisconcept speelt bij de toerekeningsvatbaarheid en bij de TBS. Beukers promoveert vrijdag 1 december 2017 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Het stoornisconcept speelt niet alleen bij de toerekeningsvatbaarheid: is iemand, gezien de stoornis, wel verantwoordelijk voor wat hij deed? Het wordt ook gehanteerd bij de TBS: alleen als een stoornis delictgedrag voorspelt, kan die maatregel worden opgelegd. 

Niet bruikbaar
Delictgedrag laat zich verklaren vanuit een complex van psychische functies en omgevingsfactoren. De stoornis zegt onvoldoende. Ook blijkt het stoornisconcept moeilijk te definiëren. De grens tussen psychisch ziek en gezond is niet scherp. In de zorg is het ‘lijden, de beperkingen of het disfunctioneren’ van betrokkene richtinggevend. In het strafrecht is dit geen bruikbaar criterium. Bij oplegging van de TBS speelt bijvoorbeeld niet primair de zorgvraag, maar het beheersen van gevaar.

Stoornis loslaten?
Wellicht kan het stoornisconcept in het strafrecht worden losgelaten. Bij de (exclusieve) koppeling van de ontoerekeningsvatbaarheid aan de stoornis zijn vraagtekens te plaatsen. Dat geldt ook voor de betekenis van de stoornis bij het voorspellen van delictgedrag. In de zogenoemde ‘risicotaxatieinstrumenten’ - lijsten van delictvoorspellende factoren - is de psychische stoornis vaak al geschrapt. De TBS heeft, vanuit dat perspectief - het ontbreken van de voorspellende kracht van de stoornis - , een smalle basis.

Toerekening op basis van competentie
Beukers onderzocht welke functie de stoornis vervult in het strafrecht. Bij de toerekening gaat het om het brede begrip ‘competentie’: het inschattingsvermogen (weet je wat je doet en, als je dat weet, dat het niet mag?) en het sturingsvermogen (kun je, met dat inzicht, je gedrag sturen?). Dit ‘criterium’ vindt in het recht (ook buiten het strafrecht) al brede toepassing. De rechtvaardiging voor het niet toerekenen ligt, volgens Beukers, in het onvermogen van de verdachte, ongeacht de oorzaak daarvan, en niet in de stoornis. Uitwerking van de gedachte om de toerekening, zonder stoornis, opnieuw vorm te geven vraagt nader onderzoek.

Gevaar en niet de stoornis grondslag voor TBS
Bij de maatregelen wordt gekeken naar gevaar: is een TBS variant mogelijk, waarbij de legitimatie niet gevonden wordt in de stoornis maar in het uit een brede risicotaxatie gebleken gevaar dat de verdachte oplevert? Een weigering tot medewerking aan een gedragsdeskundig onderzoek levert dan geen belemmering meer op voor toepassing van de TBS (zie verdachte in strafzaak Anne Faber). Ook deze suggestie vereist nader onderzoek.