Result

Basis Nederlands

       Lidwoorden: de of het?

  1. het argument
  2. het niveau

    Bijvoeglijke naamwoorden.
     

  3. een hoge werkdruk
  4. een intensief programma

    Verwijswoorden/betrekkelijk voornaamwoorden.
     

  5. De drogisterij die daar ligt, is goed.
  6. Dat is de faculteit die wil veranderen.

    Voorzetselconstructies.
     

  7. In vergelijking met Finland holt het onderwijs hier achteruit.
  8. Hij schrok van de politie.

    'Het' en 'er'.
     

  9. Ik vind het plezierig om hard te werken.
  10. Je hoeft niet te komen als je het zo naar vindt.

    Werkwoordcombinaties.
     

  11. Hij hield hem in de gaten.
  12. De voorzitter nam het besluit.

    Stijl

    Woordgebruik
     

  13. Ik besef me dat het bewijs niet waterdicht is. Fout
  14. De argumenten van de minister zijn ondoorzichtbaar. Fout

    Samentrekkingen.
     

  15. Hier zet men koffie en over. Fout
  16. Hij gaf me de jam en hem een pak slaag. Fout

    Congruentie onderwerp en persoonsvorm.
     

  17. De media is niet te vertrouwen. Fout
  18. De verslaggevers werden gevraagd terughoudend te berichten. Fout

    Uitdrukkingen.
     

  19. Je moet het ijzer smeden als het gloeit. Fout
  20. Deze acties zijn volkomen zinloos. Het is water naar de zee dragen. Goed

    Woordcombinaties.
     

  21. Hij wenste een voldoende te willen scoren voor zijn tentamens. Fout
  22. Na de revalidatie was hij niet meer bij machte om te kunnen fietsen. Fout

    Zinsstructuur.
     

  23. Vanavond heb ik vrij en ga ik me voorbereiden op de vakantie. Goed
  24. Deze brief, die de verdachte vorig jaar schreef, staat vol bekentenissen. Goed

    Grammatica

    Vervoeging werkwoorden.
     

  25. Waarom verandert je handschrift zo?
  26. Je beantwoordde zijn vraag niet.

    Voltooid deelwoord.
     

  27. Hij is uitstekend opgeleid.
  28. De toestand van Berlusconi is verergerd.

    Deelwoord (verleden/tegenwoordig) bijvoeglijk gebruikt.
     

  29. Hij handelde de lopende zaken af.
  30. De plaatsvervangend minister gaf een persconferentie.

    Hen / hun / zij / ze.
     

  31. Heb je hen ook opgebeld?
  32. Zij zijn de studenten van de Technische Universiteit Delft.

    Wie / wat / die / dat.
     

  33. De man die het team aanstuurt, heeft altijd gelijk.
  34. Is dit alles wat er is?

    Voegwoorden.
     

  35. Ik werk veel, omdat ik van mijn werk houd.
  36. Mijn studie is fascinerend, met uitzondering van de keuzevakken.

    Spelling

    C / K.
     

  37. Is juridisch jargon een soort dialect?
  38. Sinds wanneer staat die vacature op de website?

    Samenstellingen.
     

  39. proces-verbaal
  40. transplantatiegeneeskunde

    Meervoud zelfstandige naamwoorden.
     

  41. Het kind heeft twee trapauto's.
  42. Zij houdt de financiën goed in de gaten.

    Hoofdletters.
     

  43. Hij stuurde een dreigbrief naar professor Droog.
  44. De Tweede Kamerfractie stemt vandaag over het fractieleiderschap.

    Veelgemaakte fouten.
     

  45. Het is erger dan ik verwachtte.
  46. Haar vader komt uit Ecuador.

    Interpunctie.
     

  47. De nota wordt - in afwachting van de presentatie - pas in augustus behandeld.
  48. Het zou bekend moeten zijn: op onze campus wordt gebouwd!